RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-400965-24
raadkamernummer : 26-003456
datum : 20 mei 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.R.F. Berte, advocaat te Tilburg (Lieve-Vrouweplein 9, 5038 TS Tilburg),
hierna te noemen: verzoeker.
1. De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 4 februari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde kosten toe te wijzen.
Het Openbaar Ministerie heeft zich in een schriftelijke reactie van 24 februari jl. op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen.
De advocaat heeft op 2 maart jl. in een schriftelijke reactie op het standpunt van het Openbaar Ministerie nader toegelicht waarom het redelijk en billijk is dat aan verzoeker de verzochte vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand wordt toegekend.
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de reactie van de advocaat op 18 maart 2026 haar standpunt herzien, in die zin dat het verzoek geheel kan worden toegewezen.
Verzoeker en de officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoeker en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen. Daarbij heeft de advocaat wel verzocht in overweging te nemen om een standaardvergoeding toe te kennen als ware het verzoek ter zitting behandeld, gelet op de uitgebreide schriftelijke reactie op de in eerste instantie genomen conclusie van het Openbaar Ministerie.
Op 8 mei 2026 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie mr. C.P.G. Tax aanwezig. Verzoeker en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.
2. De beoordeling
De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift, nadat de beslissing tot teruggave van de in beslag genomen goederen was genomen.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, omdat het klaagschrift in behandeling was bij deze rechtbank.
De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv ook vergoeding gevraagd kan worden van de rechtsbijstandskosten gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 5.568,42 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Ondanks dat de advocaat niet in raadkamer is verschenen, ziet de rechtbank aanleiding om voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift het forfaitaire bedrag toe te kennen als ware de advocaat wel verschenen, oftewel € 825,00. Naar aanleiding van het oorspronkelijke schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie heeft de advocaat een uitgebreide schriftelijke reactie aan het Openbaar Ministerie gestuurd. Het is die reactie die het Openbaar Ministerie heeft doen besluiten zich op het standpunt te stellen dat het verzoek geheel toewijsbaar is. Gelet daarop is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om het forfaitaire bedrag van € 825,00 toe te kennen.
3. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 6.393,42, bestaande uit:
- € 5.568,42 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 825,00 aan kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift;
bepaalt dat een bedrag van € 5.568,42 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer 1] (SWIFT/BIC-nummer [nummer] ) ten name van [naam] , onder vermelding van “ [vermelding] ”;
bepaalt dat een bedrag van € 825,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer 2] ten name van Berte Advocaten, onder vermelding van “ [vermelding] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 mei 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.