RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02/349630-25 en 02/033379-26 (ttz. gev.)
vonnis van de meervoudige kamer van 18 september 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. A.J.C.M. De Graaff, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 4 september 2026, waarbij de officier van justitie, mr. T. Kint, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
02/349630-25
feit 1: in de periode van 7 juli 2024 tot en met 22 oktober 2025 zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs;
feit 2: rond 1 februari 2026 in [plaats 1] een kentekenplaat van een scooter heeft geheeld;
feit 3: op 29 mei 2026 in [plaats 1] 5,78 g cocaïne heeft vervoerd;
02/033379-26
in de periode van 8 september 2025 tot en met 13 januari 2026 de Leerplichtwet heeft overtreden.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is ook bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
02/349630-25
De officier van justitie meent dat uit de gesprekken, gevonden op de telefoon van verdachte, blijkt dat verdachte zich durende de gehele periode samen met anderen bezig heeft gehouden met voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs. Ook handelingen die in de uitvoerings- en voltooiingsfase van het delict vallen, kunnen immers als voorbereidingshandelingen worden beschouwd. Verdachte heeft het feit bekend en daarbij verklaard dat hij de gesprekken onder de naam “ [naam 1] ” voerde. Feit 1 kan daarom bewezen worden.
Ook feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft ten minste voorwaardelijk opzet gehad op de heling van de kentekenplaat van de scooter, omdat hij bij de aankoop van de scooter twee verschillende kentekenplaten kreeg en geen kentekenbewijs.
Ten aanzien van feit 3 staat vast dat er ruim 5 gram cocaïne is aangetroffen in een tasje dat in de buddyseat lag van de scooter waar verdachte op reed. Dat hij niet wist dat er harddrugs in de tas zaten acht de officier van justitie niet geloofwaardig.
02/033379-26
De officier van justitie achtte eveneens bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van de Leerplichtwet in de periode van 8 september 2025 tot en met 13 januari 2026, omdat hij 355 uren verzuimd heeft bij [school] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van alle ten laste gelegde feiten, aangezien verdachte open kaart heeft gespeeld en heeft erkend wat hij heeft gedaan. De verdediging verzoekt de rechtbank wel om kritisch te kijken naar de ten laste gelegde periode bij feit 1.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02/349630-25
Feit 1
Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 september 2026;
De diverse processen-verbaal van de uitwerking van de gesprekken gevonden in de telefoon van verdachte, opgenomen op pagina 380-624 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025337963.
Op basis van deze bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de handel in harddrugs (cocaïne).
Vaststellen periode
De stelling van de officier van justitie dat niet slechts meerdere tijdstippen in de periode, maar de gehele periode bewezen kan worden verklaard, volgt de rechtbank niet. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte gedurende de gehele periode voortdurend bezig is geweest met deze voorbereidingshandelingen. Wel kan worden vastgesteld dat verdachte deze handelingen op meerdere tijdstippen binnen de gehele ten laste gelegde periode heeft verricht.
De stelling van de verdediging, die de rechtbank begrijpt als een beroep op een verkorting van de ten laste gelegde periode, wordt evenmin gevolgd. Op de eerste dag van de ten laste gelegde periode, 7 juli 2024, heeft verdachte een gesprek gevoerd met iemand die in de telefoon geregistreerd staat als “ [naam 2] ”. Dit gesprek gaat onder andere over uithalen, spullen in de haven die geript mogen worden en dat verdachte hem zal betalen afhankelijk van hoeveel hij pakt. Verdachte heeft over dit gesprek verklaard dat het geen realistisch gesprek was en grappig was bedoeld. De rechtbank beziet dit gesprek echter in samenhang met de overige aangetroffen gesprekken en de verklaring van verdachte dat hij al lange tijd bezig was met het vervoeren van cocaïne. Uit de gesprekken blijkt bovendien een ontwikkeling van gesprekken in 2023 over softdrugs naar gesprekken over “wit” en “sos”, waarbij verdachte heeft erkend dat “sos” straattaal is voor cocaïne.
Ook op 22 oktober 2025 zijn nog gesprekken gevoerd die naar het oordeel van de rechtbank betrekking hebben op de handel in cocaïne. Verdachte is die dag aangehouden na een achtervolging door de politie, waarbij hij kort daarvoor een sok met cocaïne heeft weggegooid.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op verschillende tijdstippen in de periode van 7 juli 2024 tot en met 22 oktober 2025 voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne heeft verricht.
Feit 2
Op basis van de verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen kan eveneens wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de kentekenplaat. Verdachte heeft immers verklaard dat hij via Marktplaats een scooter heeft gekocht waar twee kentekenplaten, een gele en een blauwe, bij zaten en geen kentekenbewijs. Hij vond dit vreemd. Verdachte heeft eveneens verklaard dat hij bij de overschrijving van de scooter heeft gezien dat het kenteken niet klopte. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de kentekenplaat van misdrijf afkomstig was.
Feit 3
Aangezien verdachte ten aanzien van feit 3 eveneens een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 4 september 2026;
Het rapport van het NFI van 25 juni 2026, opgenomen op pagina 4 van het losse proces-verbaal “feit 3, onderzoek verdovende middelen 29 mei 2026”;
Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 37 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2026143986.
02/033379-26
De rechtbank stelt op basis van het proces-verbaal van de [leerplichtambtenaar] vast dat verdachte 355 lesuren heeft verzuimd. Verdachte heeft erkend dat hij die uren niet aanwezig is geweest. Hij heeft hierbij aanvankelijk aangegeven dat hij dacht een vrijstelling te hebben gekregen. Nu van een vrijstelling geen sprake is geweest en niet ontkend wordt dat verdachte de uren heeft verzuimd, kan ook dit feit wettig en overtuigend worden bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02/349630-25
op meerdere tijdstippen in de periode van 7 juli 2024 tot en
met 22 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren,
(telkens) van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten (een
hoeveelheid) cocaïne
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:
- het versturen en ontvangen van berichten die betrekking hebben op het
verkrijgen en bezitten en verhandelen van harddrugs, en
- het voorhanden hebben van geld en stoffen en telefoons;
2
op 1 februari 2026 te [plaats 1] ,
een kentekenplaat met [kenteken] (behorend bij een Piaggio Vespa Sprint),
heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof;
3
op 29 mei 2026 te [plaats 1] opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 5,78 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
02/033379-26
op tijdstippen in de periode van 8 september 2025 tot
en met 13 januari 2026 te [plaats 2] meermalen, als jongere,
die als mbo-student van
[school] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan zijn verplichting
het volledige onderwijsprogramma, dat door die instelling werd aangeboden, te volgen, terwijl ten aanzien van hem de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 was beëindigd en hij de leeftijd van 18 jaar niet had bereikt en
hij geen startkwalificatie had behaald.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uur en daarnaast een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen waarvan 338 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Voor de overtreding vraagt de officier van justitie geen aparte straf. De officier van justitie verzoekt om dadelijke uitvoerbaarheid van de straffen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een kortere voorwaardelijke jeugddetentie en/of werkstraf en wijst er daarbij op dat het langere tijd niet goed ging met verdachte en dat hij, ook via zijn broertje, ten tijde van feit 3 bedreigd werd met geweld vanwege een openstaande straatschuld. De voorlopige hechtenis van verdachte in de justitiële jeugdinrichting heeft indruk gemaakt en verdachte wil hier zeker niet meer naar terug. Het gaat sinds de schorsing uit de voorlopige hechtenis op 18 juni 2026 een stuk beter met verdachte. Hij heeft een baan en woont weer bij zijn moeder. Verdachte heeft open en eerlijk verklaard omdat hij wil afrekenen met zijn eerdere, foute, beslissingen en met een schone lei op het rechte pad wil blijven.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs, opzetheling van een kentekenplaat en het vervoeren van ruim 5 gram cocaïne. Daarnaast heeft hij de Leerplichtwet overtreden. Dat betreft drie misdrijven en een overtreding. Bij de strafoplegging ligt de nadruk op de voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs waarbij een periode van 15 maanden bewezen is verklaard. Verdachte heeft ook erkend dat hij in die periode daadwerkelijk cocaïne heeft vervoerd. Verdachte is daarnaast ruim een half jaar later wederom aangehouden met ruim 5 gram cocaïne in de buddyseat van de scooter waar hij op reed. De handel in harddrugs kan niet bestaan zonder mensen zoals verdachte, die spullen willen vervoeren, tussenpersoon willen zijn en de illegaliteit niet schuwen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het criminele circuit rond de handel in (hard)drugs niet alleen gevaarlijk is vanwege de verslavende werking en de schadelijke gevolgen voor de gezondheid, maar ook andere vormen van criminaliteit en geweld in de hand werkt.
De persoon van verdachte
Uit de gesprekken aangetroffen op de telefoon van verdachte blijkt een beeld van een jongen die zich bezighield met allerlei verkeerde zaken; behalve cocaïne was hij ook bezig met de handel in softdrugs en (illegaal) vuurwerk en waren er wapens te zien op foto’s. Verdachte is meerdere malen betrapt op het rijden zonder rijbewijs. Verdachte had naar eigen zeggen foute vrienden en in de buurt waar hij vandaan komt, was het gemakkelijk om op het verkeerde pad te raken.
Over verdachte, pas 17 jaar oud, bestaan al langere tijd zorgen. Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder, in 2024, al eens strafbeschikking heeft gehad voor een overtreding van de Wet wapen en munitie. Verdachte is blijkens het dossier daarna veelvuldig in aanraking met politie en justitie.
Hij is in december 2025 geschorst uit de voorlopige hechtenis onder voorwaarden, maar is daarna wederom met politie en justitie in aanraking gekomen en lijkt toen onvoldoende te hebben geleerd van die eerdere aanhouding. De rechtbank begrijpt uit het dossier en de verklaringen van verdachte dat hij inderdaad onderdeel was van een crimineel circuit, waarin hij meerdere rollen heeft gehad en op enig moment ook een grotere rol wilde vervullen. In dit kader acht de rechtbank het bijzonder zorgwekkend dat verdachte in mei 2026, slechts enkele maanden geleden, een gesprek heeft gevoerd waarin aan hem werd gevraagd om voor geld een liquidatie uit te voeren. Dat verdachte heeft verklaard dit nooit te gaan doen, neemt de zorgen van de rechtbank niet weg, nu uit het gesprek blijkt dat verdachte heeft doorgevraagd en wilde weten wat een dergelijke moordopdracht zou betalen.
Daar staat tegenover dat verdachte nu een baan heeft en de nieuwe schorsingsvoorwaarden niet heeft overtreden, al is deze positieve ontwikkeling nog maar van korte duur. Wel begrijpt de rechtbank dat deze werkgever en het hebben van een baan voor verdachte helpend zijn. Verdachte heeft kennelijk ook openheid gegeven aan zijn baas en vrij gekregen voor de zitting. Zijn werkgever is bereid hem te steunen. De rechtbank acht het van belang dat deze positieve ontwikkeling wordt voorgezet en dat verdachte daarbij de nodige begeleiding krijgt.
Uit het rapport van de Raad van 18 augustus 2026 blijkt onder meer dat druk één van de risicofactoren is voor verdachte. Verdachte is eerder bezweken onder de druk van een straatschuld, waarbij hij koos voor het snelle geld en daarom strafbare feiten pleegde om deze schuld te kunnen inlossen. De Raad maakt zich zorgen om een terugval als er opnieuw druk ontstaat en verdachte wederom de verleiding voelt om snel geld te verdienen. De Raad acht het daarom van belang dat verdachte de ruimte voelt om open en eerlijk te blijven, zodat er tijdig hulpverlening kan worden geboden. De Raad adviseert om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, omdat hij binnen strakke regels wel de juiste keuzes maakt en de structuur van jeugdreclassering helpend is voor hem. Daarnaast adviseert de Raad aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen zodat voor verdachte duidelijk wordt dat zijn verkeerde keuzes ook consequenties hebben. Als bijzondere voorwaarden adviseert de Raad dat verdachte:
- deel zal nemen aan onderwijs en/of werk en/of dagbesteding;
- meewerkt aan hulpverlening indien de gecertificeerde instelling dit nodig acht;
- meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en daaruit voortvloeiende
hulpverlening indien de gecertificeerde instelling dit nodig acht;
- inzicht geeft in zijn sociale contacten en zijn social mediagebruik, zolang de
jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
De strafoplegging
De rechtbank stelt voorop dat de eis van de officier van justitie haar niet onredelijk voorkomt in die zin dat de voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs gedurende 15 maanden alleen al een forse (on)voorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte zijn leven nu op de rit lijkt te hebben, ter zitting grotendeels open en eerlijk heeft verklaard over hetgeen hij heeft gedaan en heeft aangegeven met zijn verleden te willen afrekenen om met een schone lei te kunnen beginnen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een lagere straf op te leggen dan geëist is door de officier van justitie.
De rechtbank legt daarom op een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 160 uur, te vervangen door 80 dagen jeugddetentie en daarnaast een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 347 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de voorwaarden zoals geadviseerd de Raad.
De rechtbank zal deze voorwaarden als volgt formuleren:
* zich inspannen voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur, in de zin van onderwijs en/of stage en/of werk;
* meewerken aan hulpverlening gericht op het verminderen van recidive, te weten begeleiding door [zorg begeleiding] of andere (ambulante) begeleiding voor zover en zolang de gecertificeerde instelling dit nodig acht;
* meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en daaruit voortvloeiende behandeling danwel hulpverlening voor zover en zolang de gecertificeerde instelling dit nodig acht;
* inzicht geven in zijn sociale contacten en zijn social mediagebruik zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.
Dadelijke uitvoerbaarheid (DUT)
De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd en de verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is echter van oordeel dat niet voldaan is aan het criterium van artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Hoewel de rechtbank wel een recidiverisico ziet en de positieve ontwikkeling van verdachte pas recent is gestart, is dit risico niet zodanig actueel of groot dat in dit geval aan dit criterium wordt voldaan. De rechtbank zal de dadelijk uitvoerbaarheid daarom niet bevelen.
7. Het beslag
De verbeurdverklaring
Het inbeslaggenomen geld en de inbeslaggenomen telefoon worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraffen verbeurdverklaring op te leggen, omdat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en de voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 1 of 3 bewezen verklaarde strafbare feit zijn verkregen dan wel deze feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid.
De onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen drugs en boksbeugel worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet/het algemeen belang.
De teruggave
Ten aanzien van het in beslag genomen kenteken en de scooter wordt een last gegeven tot teruggave aan een ander, zijnde degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 4c en 126 van de Leerplichtwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Parketnummer 02/349630-25
feit 1: medeplegen van het, om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2: opzetheling;
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Parketnummer 02/03379-26
Als jongere die kwalificatieplichtig is, de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 160 (honderdzestig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 80 (tachtig) dagen;
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen, waarvan 347 (driehonderdzevenenveertig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte tijdens de proeftijd:
* zich inspant voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur, in de zin van onderwijs en/of stage en/of werk;
* meewerkt aan hulpverlening gericht op het verminderen van recidive, te weten begeleiding door [zorg begeleiding] of andere (ambulante) begeleiding voor zover en zolang de gecertificeerde instelling dit nodig acht;
* meewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en daaruit voortvloeiende behandeling danwel hulpverlening voor zover en zolang de gecertificeerde instelling dit nodig acht;
* inzicht geeft in zijn sociale contacten en zijn social mediagebruik zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- bepaalt dat van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant te Etten-Leur tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
Beslag
- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 1, 11 en 15;
- verklaart aan het verkeer onttrokken de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd: 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 12, 13 en 14;
- gelast de teruggave aan de rechthebbende, [persoon 1] , van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd; 9
- gelast de teruggave aan de rechthebbende [persoon 2] , geboren op [geboortedag 2] 1972, van het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is genummerd: 10;
Voorlopige hechtenis
02/349630-25
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. R. Combee en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 september 2026.
Mr. Koek is niet in staat het vonnis mede te ondertekenen.