Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-069779-26; 02-220097-23 (tul)
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 september 2026
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1]
raadsman mr. M.R.J. Schönfeld, advocaat te Breda
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 08 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Nijboer en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden dan wel heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten de poging tot doodslag. Zij gaat daarbij uit van voorwaardelijk opzet.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit, nu hiervoor zowel het vol opzet als het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer ontbreekt. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag. Via de voorwaardelijk opzet variant kan wel tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde, de poging tot zware mishandeling, worden geconcludeerd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De feiten en omstandigheden
Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Verdachte heeft [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd gestompt en geschopt. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] een zwelling rechts op zijn voorhoofd, een bloeduitstorting op de neusbrug en een wond bij de bovenlip opgelopen.
Is er sprake van een poging tot doodslag?
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier om te kunnen vaststellen dat verdachte als doel had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Van zogenoemd vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Hiervan is sprake als er een aanmerkelijke kans aanwezig is dat door het handelen van verdachte de dood zal intreden en verdachte willens en wetens deze kans heeft aanvaard. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Voor de beantwoording van deze vraag kijkt de rechtbank met name naar de schoppende bewegingen van verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] , nu de kans op de dood door schoppen groter is dan door enkel het stompen met de vuisttegen het hoofd. Relevante factoren die in dit verband een rol spelen zijn het aantal schoppen, de mate van kracht waarmee is geschopt, de precieze plaatsen op het hoofd waar [slachtoffer] is geraakt en de soort schoenen die verdachte droeg.
De rechtbank overweegt dat een aantal van de hiervoor genoemde relevante factoren onduidelijk is gebleven. Zowel [slachtoffer] als [getuige] hebben verklaard dat verdachte schoppende bewegingen heeft gemaakt zoals een voetballer dat doet. Hieruit kan weliswaar worden afgeleid dat de schoppen met een bepaalde kracht en intensiteit gepaard zijn gegaan, maar anderzijds volgt uit die verklaringen niet of nauwelijks hoe die schoppende bewegingen er concreet hebben uitgezien. Ook de medische gegevens die zich in het dossier bevinden geven die duidelijkheid niet. Uit de medische informatie blijkt dat er sprake is van letsel in het gezicht en niet is uit te sluiten dat die verwondingen ook (deels) door de vuistslagen kunnen zijn toegebracht.
Uit het dossier is voorts niet op te maken of verdachte ten tijde van het incident harde en stevige werk- of bergschoenen dan wel schoenen met een zachtere zool heeft gedragen, zoals sneakers of slippers. Het soort schoeisel blijft dus eveneens een vraagteken.
De rechtbank gaat er van uit dat er weliswaar meermalen is geschopt waarbij enige kracht is gebruikt, maar niet een zodanige kracht en intensiteit dat daaruit naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel kan worden vastgesteld.
Nu het opzet op de dood niet wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Is er sprake van poging tot zware mishandeling?
Voor poging tot zware mishandeling is vereist het opzet om de ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast moet dit opzet zich hebben geopenbaard in een begin van uitvoering van een handeling.
De rechtbank is van oordeel dat ook hier het vol opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] niet kan worden bewezen.
De rechtbank is van oordeel dat er wél sprake is van voorwaardelijk opzet. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar, vitaal en essentieel lichaamsdeel is, dat velerlei functies vervuld. Het handelen van de verdachte, bestaande uit het stompen en het met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer] terwijl hij op de grond lag, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dit letsel bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals subsidiair is ten laste gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
subsidiair:
op 7 maart 2026 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met kracht meermalen tegen het hoofd heeft gestompt en vervolgens met kracht meermalen tegen het hoofd heeft geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 14 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert zij als maatregel een contactverbod met het slachtoffer op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van twee jaar en met een vervangende hechtenis van vijf dagen per overtreding. Van deze maatregel wordt de dadelijke uitvoerbaarheid gevraagd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Verder is voorgesteld om daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel aangevuld met een taakstraf. De verdediging wijst er voorts op om rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte zijn woning dreigt kwijt te raken als hij nog langer vast moet blijven zitten en dat hij zijn twee honden op langere termijn niet meer elders kan onderbrengen.
Het oordeel van de rechtbank
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij had alcohol en drugs gebruikt en in die toestand belde hij aan bij het slachtoffer, zijnde een oudere bevriende buurtbewoner. Het slachtoffer gaf te kennen dat verdachte niet welkom was en probeerde de voordeur te sluiten. Verdachte werd boos, kwam met een vinger tussen de deur en begon het slachtoffer in het gezicht te stompen. Daarop viel het slachtoffer tegen een tussendeur aan en hij belandde uiteindelijk op de grond. Verdachte begon hem toen tegen het hoofd te schoppen. Volgens het slachtoffer was verdachte “door het dolle heen”.
Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft door toedoen van verdachte diverse verwondingen in het gezicht opgelopen. Blijkens de toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding kampt het slachtoffer daarnaast nog steeds met gevoelens van angst en onveiligheid. Tevens weegt mee dat deze gebeurtenis zich heeft afgespeeld in huiselijke kring, namelijk in de woning van het slachtoffer. Dit is bij uitstek de plaats waar iedereen zich veilig moet kunnen voelen.
Een dergelijk incident veroorzaakt bovendien een stemming van onrust en onveiligheid in de samenleving.
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank houdt rekening met het uitgebreide strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij vaker is veroordeeld voor geweldsdelicten.
De rechtbank slaat acht op het reclasseringsrapport van 13 maart 2026, waarin is beschreven dat verdachte eerder is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking, hij beperkte copingvaardigheden heeft en hij worstelt met een langdurige drugsverslaving die al vaker leidde tot strafbaar agressief gedrag. Deze problematiek hangt mogelijk samen met de belaste jeugd van verdachte. Pogingen met behulp van hulpverlening om abstinent te raken en onderliggende problemen aan te pakken, zijn mislukt, ook in een forensische setting. De reclassering ziet bij verdachte geen beschermende factoren, waaronder steunende contacten. Verdachte is ambivalent ten aanzien van gedragsverandering en is onvoldoende afsprakentrouw. De reclassering schat het risico op recidive hoog in.
Verdachte heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij spijt heeft van zijn daad. De rechtbank heeft echter niet de indruk gekregen dat hij echt gemotiveerd is om zijn leven een andere richting te geven zodat voorkomen wordt dat het weer gebeurt.
De straf
Voor het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast houdt de rechtbank rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat verdachte in de periode tussen het begaan van dit strafbare feit en deze veroordeling reeds door de rechter is veroordeeld voor andere strafbare feiten.
Alles afwegend, in het bijzonder gelet op de ernst van het feit en de recidive, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijke sanctie is. Daarbij geldt dat de rechtbank komt tot een poging tot zware mishandeling, terwijl de officier van justitie haar eis baseert op een poging tot doodslag. Daarom zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.
Een voorwaardelijke straf acht de rechtbank een gepasseerd station. Verdachte is eerder voor geweldsdelicten veroordeeld tot voorwaardelijke straffen, die hem er niet van hebben weerhouden om opnieuw de fout in te gaan. Hij liep zelfs nog in een proeftijd toen hij het onderhavige feit pleegde.
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De maatregel
Ter beveiliging van de maatschappij, ter voorkoming van strafbare feiten en om verdachte concreet ervan te weerhouden dat hij zich na zijn vrijlating opnieuw gewelddadig richting het slachtoffer zal gedragen, wordt aan verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaar opgelegd. Dit houdt een contactverbod met het slachtoffer in.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank kent in dat kader veel gewicht toe aan het uitgebreide strafblad van verdachte.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.286,73, bestaande uit € 586,73 en € 1.700,--. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Voor de gevorderde materiële schade geldt dat deze voldoende met stukken is onderbouwd. Bovendien wordt deze schade door de verdediging niet betwist.
De verdediging heeft verzocht om het bedrag dat aan immateriële schade wordt gevraagd, te matigen. De rechtbank heeft ten aanzien van de immateriële schade tevens de toegekende bedragen in andere, vergelijkbare strafzaken in acht genomen.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.586,73, waarvan € 586,73 materiële schade en € 1.000,-- immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 7 maart 2026.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 55 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis onder parketnummer 02-220097-23 van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juli 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen. Een gevangenisstraf bovenop de straffen die verdachte vanwege de hoofdzaak en oudere zaken moet uitzitten, betekent dat verdachte in totaal te lang in detentie zit en daardoor onder meer zijn woning zal kwijtraken.
Daarnaast is aangevoerd dat de proeftijd van deze zaak onlangs al met een jaar is verlengd. Een tweede verlenging is wettelijk gezien niet meer mogelijk.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. Zij ziet onvoldoende aanleiding om anders te beslissen, in het bijzonder gelet op het omvangrijke strafblad van verdachte.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
subsidiair: poging tot zware mishandeling;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1963 te [plaats 2];
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 5 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van
€ 1.586,73, waarvan € 586,73 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 maart 2026 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 1.586,73 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 maart 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 11 juli 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-220097-23 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 55 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mr. V.M. Schotanus en
mr. P.E. van Althuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C.M. Roebroeks, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 september 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
primair:
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te [plaats 2]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkeen ander, te weten [slachtoffer]van het leven te beroven,die [slachtoffer] met kracht meermalen, althans eenmaal, tegen/op het hoofd heeftgestompt en/of vervolgens meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen/op hethoofd heeft geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 maart 2026 te [plaats 2]ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengendie [slachtoffer] met kracht meermalen, althans eenmaal, tegen/op het hoofd heeftgestompt en/of vervolgens meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen/op hethoofd heeft geschopt,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )