ECLI:NL:RBZWB:2026:9152

ECLI:NL:RBZWB:2026:9152

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 02-164534-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Veroordeling artikel 5, artikel 6 en artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Voor artikel 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994 legt de rechtbank een taakstraf op van 80 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 190 dagen met aftrek van de tijd dat verdachte haar rijbewijs al heeft ingeleverd, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voor artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 een schuldigverklaring zonder straf.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-164534-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 23 september 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,

raadsvrouw mr. M.C. Geijtenbeek, advocaat te Goes.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 mei 2025

feit 1: na het gebruik van alcohol en/of door het schenden van verkeersregels een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij de slachtoffers (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen; feit 2: door zo te handelen gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt;

feit 3: een personenauto heeft bestuurd terwijl zij onder invloed van alcohol verkeerde.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag. Hierdoor is aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Aan [slachtoffer 2] is zodanig letsel toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Voor deze twee slachtoffers is bij verdachte sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Voor de overige in de tenlastelegging opgenomen slachtoffers kan niet worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dan wel van letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het letsel voldoet niet aan de daarvoor geldende criteria.

De officier van justitie acht de feiten 2 en 3 eveneens wettig en overtuigend bewezen, gelet op wat hij voor feit 1 naar voren heeft gebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit voor feit 1 vrijspraak voor een aantal ten laste gelegde gedragingen. Ten hoogste het rijden onder invloed van alcohol en - mogelijk - het onvoldoende rechts rijden kunnen worden bewezen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank of daarmee sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het is vervolgens evident dat bij slachtoffer [slachtoffer 1] sprake is van zwaar lichamelijk letsel en bij slachtoffer [slachtoffer 2] van zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Daarvan is geen sprake bij de overige vier in de tenlastelegging opgenomen slachtoffers.

De verdediging herhaalt voor feit 2 haar vrijspraakstandpunt voor een aantal ten laste gelegde gedragingen, maar refereert zich voor het overige aan het oordeel van de rechtbank. Bij dat feit kan het letsel van alle slachtoffers aan verdachte worden toegerekend. Voor feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1: overtreding artikel 6 WVW

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat door het rijgedrag van verdachte aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Aan [slachtoffer 2] is zodanig letsel toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het letsel van de overige vier bij feit 1 genoemde slachtoffers is geen letsel dat voldoet aan de criteria van artikel 6 WVW.

Vervolgens moet de rechtbank nog de vraag beantwoorden of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvan is pas sprake bij minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van een dergelijke (mate van) schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De rechtbank stelt vast dat verdachte later in de middag van 17 mei 2025 met haar auto van een groepsaccommodatie aan [adres 2] in [plaats] over onder andere die [straat] naar het strand is gereden. Het is een smalle dijkweg, waar volgens verdachte zelf geen twee auto’s naast elkaar kunnen rijden. Daarom is ze op de heenweg uit moeten wijken voor een ruiter te paard die dezelfde richting uit ging als zij. Tijdens haar verblijf bij het strand heeft zij anderhalf biertje gedronken en is op een gegeven moment terug gaan rijden naar de groepsaccommodatie. Daarbij is zij - vanuit haar rijrichting gezien – omstreeks 18:00 uur een bocht naar rechts in de [straat] genaderd ter hoogte van [perceel], waarbij haar zicht deels werd beperkt door hoge begroeiing in de berm. Vanuit tegengestelde richting kwam een groep van zes fietsers haar tegemoet rijden. Vanuit die groep werd de aankomende auto van verdachte gehoord en gezien, waarna de fietsers bewust achter elkaar en - vanuit hun rijrichting gezien - uiterst rechts zijn gaan rijden. De auto van verdachte is vervolgens vanuit haar rijrichting gezien aan de linkerkant door de bocht gekomen en heeft drie van de zes fietsers geraakt.

De voorop fietsende [slachtoffer 3] werd door de linkerzijkant van de auto geraakt en door de klap weggeslingerd. Hij kwam een meter of drie, vier verder terecht in een grasveldje. De als derde fietsende [slachtoffer 4] is door de auto geraakt bij haar linker kuitbeen. Zij heeft net als haar als tweede fietsende zus [slachtoffer 5] ook nog letsel opgelopen doordat zij de berm in zijn gereden en daar over een rechts van de weg voor de woning op [perceel] gespannen touw zijn gevallen. De als vierde fietsende [slachtoffer 1] werd geraakt en gelanceerd. Zij kwam door de lucht over de achter haar fietsende [slachtoffer 6] heen en voor haar als laatste fietsende man [slachtoffer 2] terecht. Die heeft letsel opgelopen doordat hij wegdook achter een poortje van de woning en [slachtoffer 6] tot slot doordat hij geraakt werd door losse onderdelen van een fiets. Om 18:48 uur is vastgesteld dat het alcoholgehalte in de adem van verdachte 365 microgram per liter lucht was, dus hoger dan de toegestane 220 microgram.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet alleen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gereden na gebruik van alcoholhoudende drank en - vanuit haar rijrichting gezien - onvoldoende rechts heeft gereden. Zij heeft ook gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en (daarmee samenhangend) haar snelheid onvoldoende verminderd bij het naderen van de bocht.

Voor de conclusie dat verdachte harder heeft gereden dan ter plaatse verantwoord was, is niet nodig dat precies wordt vastgesteld hoe hard zij reed kort voor en ten tijde van de aanrijding. Het is ook niet nodig dat buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat ze harder reed dan de maximumsnelheid ter plaatse. Een maximumsnelheid ontslaat een bestuurder namelijk niet van de verplichting de snelheid naar beneden aan te passen als de situatie ter plaatse daarom vraagt. Dat verdachte (ook) harder reed dan ter plaatse verantwoord was, volgt naar het oordeel van de rechtbank al uit het feit dat zij de bocht naar rechts zo ruim heeft moeten nemen dat zij drie van de - vanuit haar rijrichting gezien - helemaal links fietsende slachtoffers heeft geraakt met haar auto. Daarbij betrekt de rechtbank ook nog de eerder beschreven impact op twee van die slachtoffers: [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] .

Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat het ongeval veroorzaakt is doordat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Dat het ongeluk zou zijn veroorzaakt door een enkel moment van onoplettendheid is niet aannemelijk geworden. De eigen verklaring van verdachte biedt daar geen enkel aanknopingspunt voor en de rest van het dossier ook niet. Feit 1 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.

Feit 2 en 3

Gelet op de hiervoor onder feit 1 vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen ook feit 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen worden zoals hierna onder 4.4. wordt weergegeven.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 17 mei 2025 te [plaats] , gemeente Sluis, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en te rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en

onvoldoende rechts aan te houden, en onvoldoende haar snelheid te minderen bij het naderen van een bocht, waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere fracturen in het aangezicht en een bovenbeenfractuur en een polsfractuur, werd toegebracht en [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2

op 17 mei 2025 te [plaats] , gemeente Sluis, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat] , na het gebruik van alcoholhoudende drank heeft gereden en heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en onvoldoende rechts aan heeft gehouden, en onvoldoende haar snelheid heeft verminderd bij het naderen van een bocht, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers heeft verdachte aldus een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] gewond zijn geraakt;

feit 3

op 17 mei 2025 te [plaats] , gemeente Sluis, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 365 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor de feiten 1 en 3 aan verdachte op te leggen een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. Daarnaast vordert de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte al ingevorderd is geweest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voor feit 2 vordert de officier van justitie een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan haar geen onvoorwaardelijke straf op te leggen dan wel de hoogte van de onvoorwaardelijke straf aanzienlijk te matigen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht te volstaan met een taakstraf van 80 uren.

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval. Zij heeft onder invloed van alcohol een auto bestuurd en is met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en zonder voldoende rechts te houden door een bocht gereden, waarna zij een groep fietsers heeft aangereden. Als gevolg daarvan liepen alle slachtoffers letsel op, van wie één zwaar lichamelijk letsel. Uit de gezamenlijk opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring volgt welke gevolgen het verkeersongeval heeft gehad en nog steeds heeft. Zo is bij [slachtoffer 1] sprake van een langdurig revalidatieproces en blijvend letsel. Daarnaast heeft het verkeersongeval een aanzienlijke psychische impact op alle slachtoffers gehad. De rechtbank realiseert zich dat verdachte dit ongeval op geen enkele manier heeft gewild, maar dat neemt niet weg dat het ongeval en de gevolgen hiervan een direct resultaat zijn van het handelen van verdachte.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor overtreding van artikel 6 WVW zoals hier bewezen verklaard, gaan in beginsel uit van een onvoorwaardelijke taakstraf en een langere onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Ook bij iemand die niet eerder met justitie in aanraking is geweest zoals verdachte. Vervolgens kijkt de rechtbank naar de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte zich na het ongeval direct heeft bekommerd om slachtoffer [slachtoffer 1] . Van meet af aan is de schuldbewustheid van verdachte groot geweest. Ook op zitting is zij meerdere keren oprecht emotioneel geworden als het over de gevolgen voor met name slachtoffer [slachtoffer 1] ging. In deze zaak heeft daarnaast een geslaagde mediation tussen verdachte en de slachtoffers plaatsgevonden. Uit de slotovereenkomst van de mediation blijkt dat partijen het gesprek als verhelderend hebben ervaren, waarbij de slachtoffers duidelijk hebben kunnen maken wat de impact is geweest van het verkeersongeval. Met name door de gevolgen van het ongeluk heeft verdachte zelf een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) ontwikkeld, waarvoor zij in therapie is. Daarnaast wordt verdachte naar alle waarschijnlijkheid nog geconfronteerd met een aanzienlijke schadeclaim van haar verzekeraar. Deze financiële gevolgen zorgen voor onzekerheid over de toekomst van haar en haar gezin.

De PTSS en de therapie worden ook genoemd in het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 26 augustus 2026. Bij verdachte zijn geen problemen op de verschillende leefgebieden. Het risico op herhaling wordt door de reclassering ingeschat als laag en bij een op te leggen straf zijn geen bijzondere voorwaarden nodig.

Conclusie

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor een langere duur dan de reeds ingevorderde periode niet noodzakelijk. De rechtbank zal daarom voor feit 1 en 3 volstaan met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 190 dagen met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte al ingevorderd is geweest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 80 uren opleggen, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Gelet op deze straf en maatregel zal de rechtbank voor feit 2 artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toepassen, wat betekent dat voor dat feit aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 8, 175, 177, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

de eendaadse samenloop van:

feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a van deze wet, meermalen gepleegd;

en

feit 2: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

en

feit 3: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

feiten 1 en 3

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;

feit 2

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 190 (honderdnegentig) dagen, waarvan 180 (honderdtachtig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte haar rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.H. de Brouwer, voorzitter, en mr. L.W. Louwerse en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 september 2026.

De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

zij op of omstreeks 17 mei 2025 te [plaats] , gemeente Sluis, in elk geval in

Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

daarmede rijdende over de weg, de [straat] , zich zodanig heeft

gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend,

na het gebruik van alcoholhoudende drank te rijden, en/of

te rijden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of

niet, althans onvoldoende, rechts aan te houden, en/of

onvoldoende haar snelheid te minderen bij het naderen van een bocht, althans, niet

de snelheid van dat door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig zodanig te regelen

dat zij in staat was haar motorrijtuig onder controle te houden en/of tot stilstand te

brengen,

waardoor

[slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meerdere fracturen in het

aangezicht en/of een bovenbeenfractuur en/of een polsfractuur, of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

en/of

[slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schouder uit de kom, of

zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of

verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

en/of

[slachtoffer 6] zwaar lichamelijk letsel, te weten een kneuzing van een

bovenbeen en/of heup en/of schouder, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de

normale bezigheden is ontstaan,

en/of

[slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel, te weten een een kneuzing van een hand

en/of borst en/of middenrif en/of kuit, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de

normale bezigheden is ontstaan,

en/of

[slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel, te weten een kneuzing van een schouder

en/of heup en/of enkel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan,

en/of

[slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een kneuzing van een enkel en/of knie en/of heup, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan,

terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na

het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede,

zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;

(art 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, art 6 Wegenverkeerswet 1994)

2

zij op of omstreeks 17 mei 2025 te [plaats] , gemeente Sluis als bestuurder van een

voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat] ,

na het gebruik van alcoholhoudende drank heeft gereden, en/of

heeft gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of

niet, althans onvoldoende, rechts aan heeft gehouden, en/of

onvoldoende haar snelheid heeft verminderd bij het naderen van een bocht,

althans, niet de snelheid van dat door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig

zodanig heeft geregeld dat zij in staat was haar motorrijtuig onder controle te

houden en/of tot stilstand te brengen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd, immers heeft verdachte aldus een verkeersongeval

veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 6]

en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 3] gewond zijn

geraakt;

(art 5 Wegenverkeerswet 1994)

3

zij op of omstreeks 17 mei 2025 te [plaats] , gemeente Sluis, als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als

bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994,

365 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter

uitgeademde lucht bleek te zijn;

(art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand