ECLI:NL:RBZWB:2026:9221

ECLI:NL:RBZWB:2026:9221

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 02-290845-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een man van 32 jaar tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek en legt TBS met dwangverpleging op voor het met iemand waarvan hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam artikel 243 (oud) Sr. Voorts is hij veroordeeld voor mishandeling en vernieling/beschadiging van twee deuren. Tweemaal vrijspraak voor verkrachting (artikel 242 oud Sr). De rechtbank spreekt eenmaal vrij omdat niet is gebleken van (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid. De rechtbank spreekt verdachte voor de andere verkrachting vrij nu er geen steunbewijs is voor het seksueel binnentreden van het lichaam.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-290845-24

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 september 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [plaats 1] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting [locatie] ,

raadsvrouw mr. A. Sahin, advocaat in Lent.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 september 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachtefeit 1: op 16 maart 2024 [slachtoffer 1] heeft verkracht; feit 2: op 17 maart 2024 [slachtoffer 1] heeft mishandeld;feit 3: op 4 februari 2024 [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft verkracht, dan wel seks

met haar heeft gehad, terwijl hij wist dat zij in een staat van bewusteloosheid,

verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde;

feit 4: op 4 februari 2024 twee deuren van [slachtoffer 2] heeft vernield en/of beschadigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde verkrachting.

Het dossier bevat namelijk onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat verdachte hem anaal heeft gepenetreerd met zijn penis en/of een deodorantbus.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.

De officier van justitie vordert vrijspraak van de onder feit 3 primair ten laste gelegde verkrachting omdat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang, aangezien [slachtoffer 2] de alcohol en drugs uit eigen beweging heeft ingenomen. Verdachte zal ongetwijfeld de broek en onderbroek van [slachtoffer 2] hebben uitgetrokken, maar dit alleen levert in deze situatie geen dwang op.

De officier van justitie acht wel het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. [slachtoffer 2] verkeerde overduidelijk in een staat van verminderd bewustzijn, dan wel lichamelijke onmacht en verdachte wist dat ook.

De officier van justitie merkt over feit 3 verder op dat uit de gevraagde bewezenverklaring blijkt dat hij zich verzet tegen het primaire verzoek van de raadsvrouw om aangeefster [slachtoffer 2] alsnog als getuige te horen, dan wel haar verklaring buiten beschouwing te laten. De aangifte van [slachtoffer 2] is namelijk niet ‘sole and decisive’, het dossier bevat ook voldoende ander bewijs.

Tot slot acht de officier van justitie ook feit 4 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feiten 1 en 2, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat. Verdachte ontkent en de verklaring van [slachtoffer 1] wordt niet ondersteund door ander bewijs. De verdediging verzoekt de rechtbank dan ook verdachte hiervan vrij te spreken.

De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 3. De verklaring van [slachtoffer 2] is onvoldoende betrouwbaar vanwege de innerlijke tegenstrijdigheden en de verschillen tussen haar verklaring, de verklaring van [getuige] en de verklaring van verdachte. Bovendien is de verdediging niet in staat gesteld, ondanks herhaalde oproepingen aan het adres van [slachtoffer 2] , om haar te ondervragen, terwijl haar verklaring het enige dan wel doorslaggevende bewijs is in deze zaak en compenserende factoren ontbreken. Indien de verklaring van [slachtoffer 2] wordt gebruikt als bewijs, levert dit een schending op van het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De verdediging heeft dan ook primair gepersisteerd bij haar verzoek [slachtoffer 2] als getuige te horen, desnoods wederom met een bevel tot medebrenging. In het geval de rechtbank dit verzoek afwijst, heeft de verdediging subsidiair verzocht de verklaring van [slachtoffer 2] uit te sluiten van het bewijs.

Ook voor feit 4 dient vrijspraak te volgen, nu uit het dossier niet blijkt dat het verdachte is geweest die de twee deuren heeft vernield.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Juridisch kader in zedenzaken

In het Nederlands strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring. Het gaat in zedenzaken echter vaak om handelingen waar maar twee mensen bij aanwezig zijn geweest: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare handelingen zou hebben gepleegd. Indien de verdachte ontkent, is er maar één getuige van de handelingen zelf. De Hoge Raad heeft beslist dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering slechts geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen daarvan mogen wel degelijk op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen of voor de dwang één getuigenverklaring genoeg mits deze op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal.

Feit 1

Op 16 maart 2024 kwam bij de politie de melding binnen dat op het internet een livestream werd uitgezonden, waarop te zien was dat een man een andere man mishandelde. Naar aanleiding van deze melding is de politie naar de woning aan [adres 1] in [plaats 2] gegaan, waar de mishandeling zou hebben plaatsgevonden. In de woning troffen verbalisanten verdachte en [slachtoffer 1] aan. Beide mannen waren hevig onder invloed en nauwelijks tot niet aanspreekbaar. Zij werden beiden voor nader onderzoek overgebracht naar het ziekenhuis in [plaats 2] .

Op 17 maart 2024 om 12.34 uur is [slachtoffer 1] ontslagen uit het ziekenhuis in [plaats 2] .

Twee dagen later, op 18 maart 2024, kregen verbalisanten het verzoek om naar het ziekenhuis in [plaats 3] te gaan, waar [slachtoffer 1] was binnengelopen. Er was op dat moment geen informatief gesprek zeden met hem te voeren. Wel verklaarde hij dat hij was mishandeld en mogelijk verkracht, maar hij wilde niet verder fysiek onderzocht worden. Hij had letsel in zijn gezicht en bloedspetters op zijn schoenen.

Op 24 april 2024 vond alsnog een informatief gesprek met [slachtoffer 1] plaats. Hij verklaarde toen dat hij tussen 13 maart 2024 en 17 maart 2024 meermalen was verkracht door verdachte. Verdachte zou hem daarbij zowel met zijn penis als met een deodorantbus anaal hebben gepenetreerd. Ook zou verdachte hem meermalen hebben geslagen en zijn voet in zijn mond hebben gestopt. Hij had hiertegen niets kunnen doen, omdat hij gedrogeerd was.

Op 13 mei 2024 deed [slachtoffer 1] formeel aangifte, waarbij hij herhaalde dat hij door verdachte was gedrogeerd, mishandeld en verkracht.

Op 24 september 2025 werd [slachtoffer 1] nogmaals gehoord, waarbij hij dit wederom verklaarde.

De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] die hij heeft afgelegd tijdens het informatief gesprek zeden, zijn aangifte en het latere studioverhoor. Hij heeft consistent en gedetailleerd verklaard over wat hem is overkomen op 16 maart 2024. Bovendien wordt zijn verklaring op verschillende onderdelen ondersteund door de beelden van de livestream. Op die beelden is te zien dat hij door verdachte wordt geslagen en dat verdachte zijn voet in zijn mond stopt. Tot slot is er bij hem ook in zijn gezicht daadwerkelijk letsel geconstateerd. Dit betekent echter niet dat daarmee ook de door [slachtoffer 1] beschreven seksuele handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Hoewel de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar acht, kan zij niet vaststellen dat verdachte [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk anaal heeft gepenetreerd met zijn penis en/of een deodorantbus. Verdachte ontkent dat dit is gebeurd en het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten die de verklaringen van [slachtoffer 1] op dit onderdeel ondersteunen. Er is geen technisch bewijs (zoals bijv. DNA of een onderzoek aan het lichaam van aangever) en er zijn hier ook geen beelden van. Ook de chatberichten bieden onvoldoende steun hiervoor, nu die ook anderszins kunnen worden uitgelegd. Zo worden de woorden ‘ik heb hem verkracht broer’ steeds gebruikt in relatie tot de handeling waarbij verdachte zijn voet in de mond van [slachtoffer 1] heeft gestopt. De rechtbank zal verdachte dan ook van de ten laste gelegde verkrachting vrijspreken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Feit 2

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] omstreeks

17 maart 2024 heeft mishandeld. [slachtoffer 1] heeft verklaard, zowel in zijn aangifte als in zijn latere studioverhoor, dat hij, na zijn ontslag uit het ziekenhuis in [plaats 2] op 17 maart 2024, naar de woning van verdachte is teruggegaan om zijn spullen op te halen. Verdachte heeft hem toen geslagen en gedwongen naar zijn eigen woning in [plaats 4] te rijden. Verdachte heeft hem daarna zowel in de auto als in die woning geslagen. Vervolgens heeft verdachte hem gedwongen om naar [plaats 1] te rijden.

De verklaring van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de medische verklaring van het ziekenhuis in [plaats 3] , waar hij op 18 maart 2024 is onderzocht. Uit deze medische verklaring blijkt dat hij meerdere wonden in zijn mond, pijn op de borstkas en bovenbuik, een bloeduitstorting rond zijn oog, meerdere bloeduitstortingen op zijn armen en benen en een gebroken neus had.

Ook wordt zijn verklaring ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten op 18 maart 2024 in het ziekenhuis, die blauwe dan wel rode plekken onder en boven zijn rechteroog, bij zijn linkeroog eenzelfde donkerrode plek en blauwe plekken op zijn lippen hebben gezien. Ook hebben zij gezien dat er bloedspetters op zijn schoenen zaten.

Tot slot wordt zijn verklaring verder ondersteund door de verklaring van zijn moeder, die hem eerst (op 17 maart 2024) met minder letsel en later (op 18 maart 2024) met aanzienlijk meer letsels in zijn gezicht heeft gezien, te weten een rood/blauw oog, zijn neus stond anders dan normaal, hij had opgezwollen lippen en een opgezwollen gezicht. Ook had hij in zijn mond letsel.

[slachtoffer 1] heeft verder destijds tegen zijn moeder verteld dat de persoon die hem had mishandeld woonachtig was op de adressen [adres 1] in [plaats 2] en [adres 2] in [plaats 1] . Dit zijn adressen die aan verdachte kunnen worden gekoppeld.

Feit 3

De beoordeling van het getuigenverzoek

De verdediging heeft op 23 april 2025 verzocht om [slachtoffer 2] als getuige te horen. De rechter-commissaris heeft dit verzoek op 14 mei 2025 toegewezen. De rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] tot vier keer toe, waarvan één keer met een bevel tot medebrenging, opgeroepen voor het getuigenverhoor. [slachtoffer 2] heeft twee keer toegezegd dat ze zou komen, maar is uiteindelijk niet verschenen. Zij heeft op andere oproepingen niet gereageerd. Op 4 september 2026 is er nog een bevel medebrenging afgegeven voor de terechtzitting van 10 september 2026, maar

[slachtoffer 2] bleek onvindbaar te zijn.

Er is geprobeerd om via de raadsman van [slachtoffer 2] , de vader van haar minderjarige dochter en Jeugdzorg nadere contactgegevens van [slachtoffer 2] te verkrijgen, maar dat is niet gelukt. Ook de politie heeft meerdere pogingen ondernomen om de verblijfplaats van [slachtoffer 2] te achterhalen, maar ook die pogingen zijn op niets uitgelopen.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het onaannemelijk dat [slachtoffer 2] binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het onderzoek te heropenen om [slachtoffer 2] alsnog te horen.

Het gebruik van de verklaringen van [slachtoffer 2]

Dit betekent dat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om [slachtoffer 2] als getuige te kunnen ondervragen over haar belastende verklaringen voor verdachte. De rechtbank staat dan ook voor de vraag of deze beperking in het ondervragingsrecht van de verdediging een ontoelaatbare beperking van de verdedigingsrechten oplevert, waardoor er geen sprake meer zou zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM indien de rechtbank haar verklaringen voor het bewijs zou gebruiken.

In gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechtbank beoordelen of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Om dit te kunnen toetsen zijn de volgende factoren van belang:

( i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend,

(ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van de feiten, en

(iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.

Deze beoordelingsfactoren moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Daarbij geldt: hoe groter het gewicht van de verklaring van de getuige die niet kon worden gehoord, des te belangrijker de reden voor het niet kunnen horen en het bestaan van compenserende factoren worden.

De rechtbank overweegt over de hierboven genoemde factoren als volgt:

( i) Het is voor de rechter-commissaris niet mogelijk gebleken om de woon- of verblijfplaats van [slachtoffer 2] te achterhalen. Zij staat niet langer in Nederland ingeschreven. Er is geprobeerd om via de raadsman van [slachtoffer 2] , de vader van haar minderjarige dochter en Jeugdzorg nadere contactgegevens van haar te verkrijgen, maar dat is niet gelukt. De politie heeft tevens, in de voor haar beschikbare systemen, gezocht naar de (mogelijke) verblijfplaats van [slachtoffer 2] . Ook dit heeft geen resultaat opgeleverd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er een goede reden is voor het niet kunnen bevragen van [slachtoffer 2] door de verdediging.

(ii) De rechtbank moet beoordelen of in het geval van een bewezenverklaring deze in beslissende mate steunt op de verklaringen van [slachtoffer 2] (‘sole or decisive’) of dat haar verklaringen voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank stelt vast dat een bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaringen van [slachtoffer 2] . Haar verklaringen worden immers in belangrijke mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals het filmpje op haar telefoon, de verklaring van haar ex-partner [persoon] en de spraakberichten die verdachte met de telefoon van [slachtoffer 2] naar die ex-partner heeft verzonden. De verklaringen van [slachtoffer 2] zijn dan ook niet aan te merken als ‘sole or decisive’.

(iii) De verdediging had de uitgewerkte verbatim verhoren van [slachtoffer 2] kunnen opvragen en/of de ex-partner van [slachtoffer 2] [persoon] kunnen horen bij de rechter-commissaris.

Al bovenstaande factoren in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat de procedure daarmee in haar geheel voldoet aan het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] in beginsel kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat zij op 4 februari 2024 in de woning van verdachte was. Zij had uit eigen beweging daar samen met verdachte alcohol gedronken, cocaïne, MDMA en GHB gebruikt. Na verloop van tijd begon zij zich duizelig te voelen en was zij op het bed van verdachte gaan liggen. Toen zij wakker werd, zag ze dat verdachte naakt voor haar stond en met haar telefoon met haar ex-partner aan het videobellen was. Zij hoorde hem tegen haar ex-partner schreeuwen. Zij zag dat zij zelf ook naakt was. Later trof zij op haar telefoon een filmpje aan, waarop te zien was dat verdachte haar aanraakte bij haar vagina.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Zij heeft op drie momenten een verklaring afgelegd: als eerste op 4 februari 2024 – vrijwel direct na het incident – tegen de verbalisanten die naar aanleiding van een melding van een buurman bij de woning van [slachtoffer 2] ter plaatse kwamen, de tweede keer op 5 februari 2024 tijdens het informatieve gesprek en de laatste keer op

9 februari 2024 toen zij officieel aangifte deed. [slachtoffer 2] heeft op al deze momenten, op enkele kleine punten na, consistent en gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd op

4 februari 2024.

Steunbewijs

Haar verklaringen worden bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals

het filmpje dat verdachte met haar telefoon heeft gemaakt. Op dat filmpje is te zien dat [slachtoffer 2] stil op bed ligt, dat verdachte over haar buik wrijft, dat hij in haar linkerborst knijpt, dat hij met zijn duim over haar vagina wrijft, dat hij hierbij met zijn duim aan de binnenzijde van de schaamlippen wrijft en dat hij zichzelf aftrekt. Op het filmpje is ook te horen dat verdachte zegt: ‘Kijk dan kankerhoer, waar blijf je kankerhoerenkind. Kijk jouw hoerenmoeder van jouw dochter kan niks zeggen bro, kijk. Ik ga haar effe lekker neuken ja, ik bel jou zo broeder ja. Want je hebt te lang geduurd ja. Kijk die natte kut van haar, wajoo kijk ze kan gewoon geen kanker zeggen. Ze laat zelfs kutscheetjes broer. Kankerhoer. Ik ga lekker neuken, ze wil effe geneukt worden wacht’.

Ook worden haar verklaringen ondersteund door de verklaring van [persoon] , haar ex-partner. [persoon] heeft verklaard dat hij werd gevideobeld met de telefoon van [slachtoffer 2] . Toen hij opnam, zag hij een voor hem onbekende man [slachtoffer 2] verkrachten. Hij zag dat [slachtoffer 2] naakt was, niets deed en niet kon praten. Deze man had hem ook spraakberichten gestuurd, waarin hij dreigementen uitte. [persoon] heeft toen de politie gebeld.

Verder worden haar verklaringen ondersteund door de spraakberichten die verdachte met haar telefoon naar haar ex-partner heeft verzonden. In die spraakberichten zegt verdachte: ‘he supermen ik heb haar stinkkutje geneukt bro, maar ik, ik bewonder gewoon, wat voor een boerenzoon jij bent man, kijk maar wat ik doe ik neuk jouw kind zijn moeder kankerhard bro, ze kan niet eens iets zeggen, ze piept niet eens bro, het is gewoon heet bro’.

De primair ten laste gelegde verkrachting

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft verkracht, zoals onder feit 3 primair ten laste is gelegd, nu er geen sprake was van dwang. [slachtoffer 2] heeft immers verklaard dat zij de alcohol en drugs uit eigen beweging had ingenomen en dat zij daartoe op geen enkele manier was gedwongen. Het uittrekken van de broek en onderbroek, het omhoog trekken van de bh van [slachtoffer 2] en het videobellen met de ex-partner van [slachtoffer 2] leveren in deze situatie eveneens geen (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid op, nu [slachtoffer 2] daarvan op dat moment geen weet had. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 3 primair ten laste gelegde verkrachting.

Het subsidiair ten laste gelegde seksueel binnendringen bewusteloze, onmachtige, of persoon met gebrekkige ontwikkeling

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte seksuele handelingen met [slachtoffer 2] heeft verricht, terwijl hij wist dat zij een grote hoeveelheid alcohol en drugs had gebruikt en daardoor in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Verdachte heeft niet alleen met zijn duim de binnenzijde van de schaamlippen betast, hij heeft ook in haar borst geknepen, haar buik en vagina betast en zichzelf tussen de benen van [slachtoffer 2] afgetrokken.

Het door verdachte op de zitting geschetste alternatieve scenario – dat [slachtoffer 2] ruzie had met haar ex-partner die tevens haar drugsdealer was, dat zij aan hem had gevraagd om een filmpje te maken en naar haar ex-partner te sturen, dat zij dan zou doen alsof zij niet meer aanspreekbaar was in de hoop dat haar ex-partner dan naar zijn woning zou komen om haar te helpen en van drugs te voorzien, dat hij helemaal geen seks met haar wilde en dat hij haar telkens opnieuw heeft moeten filmen – is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het hiervoor benoemde steunbewijs volstrekt onaannemelijk. Verdachte zegt dat hij geen seks met [slachtoffer 2] wilde, maar op het filmpje is wel duidelijk te zien dat hij zichzelf aftrekt. Bovendien valt niet in te zien waarom een drugsdealer naar een specifieke woning zou gaan na het ontvangen van een dergelijk filmpje.

De verdediging heeft op zitting nog gewezen op de verklaring van [getuige] , de zwager van verdachte. Deze verklaring ondersteunt de lezing van verdachte echter niet. [getuige] heeft immers alleen gezien dat [slachtoffer 2] en verdachte hun kleding weer aantrokken. Hij heeft daaraan voorafgaand niets gehoord of gezien.

De rechtbank zal verdachte wel partieel vrijspreken van de uitvoeringshandeling het duwen of brengen van zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] ’, nu het dossier hiervoor geen bewijs bevat. Dit is ook niet op het filmpje te zien.

Feit 4

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar die avond naar huis heeft gebracht, omdat zij zich nog steeds zo wazig voelde. Onderweg in de auto begon hij echter opnieuw tegen haar te schreeuwen. Hij eiste dat zij in haar woning seksuele handelingen met hem zou verrichten. Hij had haar vervolgens naar haar woning meegetrokken en daar haar voordeur ingetrapt. Ook had hij met een lachgastank, die in de gang van de woning stond, de glazen deur van de woonkamer ingegooid.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] . Zij heeft tegen de verbalisanten die zeer kort na de melding van een buurman – inhoudende dat hij een hoop lawaai had gehoord en ramen had horen klingelen – ter plaatse zijn gekomen, bij het informatieve gesprek en tijdens haar aangifte in de kern consistent hetzelfde verhaal verteld. Haar verklaring wordt bovendien ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de bevindingen van de verbalisanten die kort na de melding ter plaatse kwamen en zagen dat de voordeur en de glazendeur van de woonkamer waren vernield en dat er een lachgastank op de grond lag, en de verklaring van verdachte zelf dat hij [slachtoffer 2] die bewuste avond inderdaad naar huis heeft gebracht.

Gelet op deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en in het bijzonder de zeer korte tijdsspanne tussen het thuisbrengen van [slachtoffer 2] door verdachte, de melding bij de politie van het lawaai en de waarnemingen van de vernielingen door de verbalisanten, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die de twee deuren heeft vernield en/of beschadigd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2

omstreeks 17 maart 2024 in Nederland [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen in het gezicht en op het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan;

3

subsidiair

op 4 februari 2024 te [plaats 2] met [slachtoffer 2] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten

- het brengen van zijn duim tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] en

- het knijpen in de borst van die [slachtoffer 2] en

- het betasten van de buik en vagina van die [slachtoffer 2] en

- het zich aftrekken tussen de benen van die [slachtoffer 2] ;

4

op 4 februari 2024 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk twee deuren, die aan een ander

toebehoorden, heeft vernield en/of beschadigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van het voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege. Daarnaast vordert hij een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] , met bepaling dat per overtreding van deze maatregel één week hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. Verder geeft hij de rechtbank in overweging aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij een bewezenverklaring geen tbs met verpleging van overheidswege op te leggen. Indien die maatregel toch wordt overwogen, verzoekt zij de behandeling van de zaak aan te houden om te onderzoeken of een tbs met voorwaarden ook tot de mogelijkheden behoort.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich allereerst op 4 februari 2024 schuldig gemaakt aan een ernstig zedenfeit en vernieling. Hij heeft zijn duim tussen de schaamlippen van [slachtoffer 2] gebracht, haar in haar borst geknepen en haar buik en vagina betast, terwijl hij wist dat zij een grote hoeveelheid alcohol had gedronken en drugs had gebruikt en daardoor niet meer in staat was iets te doen of haar wil te bepalen. Terwijl hij bij [slachtoffer 2] deze seksuele handeling aan het uitvoeren was, heeft hij met haar telefoon een filmpje gemaakt, haar ex-partner gevideobeld en zeer vernederend over haar gesproken. Verdachte heeft haar later die avond naar huis gebracht. Hij heeft daar vervolgens haar voordeur ingetrapt en met een lachgastank, die in de gang van de woning stond, de glazen deur van haar woonkamer ingegooid.

Daarnaast heeft verdachte zich omstreeks 17 maart 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling door [slachtoffer 1] meermalen tegen zijn gezicht en lichaam te slaan, nadat hij zijn spullen bij verdachte wilde ophalen.

Verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke feiten nog jarenlang last kunnen hebben van de psychische gevolgen daarvan. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft enkel zijn eigen (seksuele) behoeften vooropgesteld. Voor aangever [slachtoffer 1] geldt dat hij sowieso al een kwetsbare geestelijke gezondheid had en verdachte dit ook wist. Op hem heeft de grove mishandeling een onuitwisbare indruk achtergelaten. Voor aangeefster [slachtoffer 2] heeft verdachte een zeer beangstigende situatie gecreëerd door met haar (terwijl zij helemaal tot niets in staat was) seksuele handelingen te plegen en daarbij contact te zoeken met haar ex en delen van de handelingen niet alleen te filmen, maar deze ook aan haar ex te sturen. Daarna heeft hij ook nog vernielingen in haar huurwoning aangericht. Bovendien heeft verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen jegens voornoemde slachtoffers. De rechtbank neemt dit verdachte uitermate kwalijk.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat artikel 63 Sr van toepassing is.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapporten die [psychiater] en [psycholoog] op 3 april 2026 over verdachte hebben opgemaakt.

Uit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, een stoornis in het gebruik van een opioïde en een stoornis in het gebruik van een sedativum. De persoonlijkheidsstoornis en de stoornis in het gebruik van een sedativum waren waarschijnlijk ook ten tijde van de feiten aanwezig. Het is onduidelijk of deze stoornissen ook de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van de feiten beïnvloedden, omdat verdachte de feiten ontkent en een gedegen delictanalyse ontbreekt. De psychiater kan daarom geen uitspraken doen over het toerekenen van de feiten aan verdachte. De kans op herhaling van zowel gewelddadig als seksueel overschrijdend gedrag in het algemeen wordt als hoog ingeschat. Verdachte heeft weinig probleembesef en is niet intrinsiek gemotiveerd om aan de risicofactoren te werken om het recidiverisico te verlagen.

Ook uit het rapport van de psycholoog blijkt dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, een stoornis in het gebruik van een opioïde en een stoornis in het gebruik van een sedativum. Deze stoornissen waren ten tijde van de feiten aanwezig en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Verdachte wil zijn behoeften direct bevredigen en is impulsief. Hierdoor reageert hij snel grensoverschrijdend als hij gefrustreerd raakt of zijn zin niet krijgt. Wanneer een ander iets doet wat tegen zijn wensen ingaat, heeft hij de neiging die persoon te vernederen. De psycholoog adviseert dan ook om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op recidive van zowel seksueel als andersoortig geweld wordt als hoog ingeschat. Verdachte heeft geen probleembesef- en inzicht en bagatelliseert zijn middelengebruik. Om de kans op herhaling te kunnen verlagen is een verplichte, intensieve en langdurige behandeling noodzakelijk. De psychiater adviseert daarom aan verdachte tbs met verpleging van overheidswege op te leggen. Een (deels) voorwaardelijke straf met een klinische behandeling als voorwaarde wordt niet toereikend geacht. Dat geldt ook voor een tbs met voorwaarden. De verwachting is dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden, zoals in het verleden meermaals is gebleken. Verdachte heeft bovendien geen probleembesef- en inzicht, bagatelliseert zijn drugsgebruik, en staat niet open voor behandeling. Daarnaast gedraagt hij zich berekenend en sociaal wenselijk. Hij kan wel aangeven dat hij bereid is zich aan voorwaarden te houden, maar dat wil niet zeggen dat hij dat ook zal doen. Ook een zorgmachtiging wordt niet haalbaar geacht. Om de maatschappij te beschermen, moet er immers worden gewerkt aan het verlagen van het hoge recidiverisico op nieuw (seksueel of andersoortig) geweld. De reguliere GGZ is daar niet voor ingericht.

Ter zitting heeft [psycholoog] een en ander desgevraagd herhaald en bevestigd. Ook heeft zij nader toegelicht waarom zij wel tot een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid en een strafrechtelijk advies is gekomen. Zij beschikte namelijk over voldoende informatie vanuit het strafdossier om vast te kunnen stellen dat de persoonlijkheidsstoornis van verdachte diens vermogen om bepaalde keuzes te maken ten tijde van de ten laste gelegde feiten negatief heeft beïnvloed.

De rechtbank volgt de overwegingen en de conclusies van de psycholoog en neemt deze over. De rechtbank acht verdachte dan ook verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van de feiten.

Tbs met verpleging van overheidswege

Gelet op de inhoud van het rapport van de psycholoog, artikel 243 Sr en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel noodzakelijk is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond;

- dat feit 3 (subsidiair) een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

- dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die maatregel eist.

Gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, acht de rechtbank een tbs met verpleging van overheidswege noodzakelijk om de kans op herhaling tot een voor de maatschappij aanvaardbaar niveau terug te brengen. De rechtbank is zich ervan bewust dat een tbs met verpleging van overheidswege een zwaar middel is. Het is echter de meest passende maatregel, omdat de rechtbank, met de psycholoog, van oordeel is dat er geen reëel alternatief is. Een behandeling in het kader van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is namelijk niet aan de orde gezien de meerdere mislukte reclasseringstoezichten in het verleden. Bovendien is de enige ‘sanctie’ die dan kan worden toegepast wanneer verdachte niet mee zou werken aan de behandeling, dat het voorwaardelijk strafdeel alsnog ten uitvoer wordt gelegd. De maatschappij wordt dan (wederom) geconfronteerd met een onbehandelde verdachte. Ook een tbs met voorwaarden is geen passende afdoeningsmodaliteit gezien het beperkte ziektebesef en -inzicht bij verdachte en het feit dat door een tbs met voorwaarden de veiligheid van de maatschappij onvoldoende kan worden gewaarborgd, omdat deze maatregel niet in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) wordt uitgevoerd. Gezien de ernst van de pathologie en het hoge recidiverisico bij verdachte dient hij juist eerst langdurig intramuraal in een hoog beveiligde setting te worden behandeld en dienen vrijheden (verlof) stapsgewijs te worden opgebouwd.

De rechtbank overweegt tot slot dat de tbs met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat naast een tbs met verpleging van overheidswege ook een gevangenisstraf aan verdachte moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van die gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, het feit dat verdachte eerder voor geweldsfeiten is veroordeeld, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend en de impact die de feiten op de slachtoffers hebben gehad. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank zal dan ook conform deze eis aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van drie jaar met aftrek van het voorarrest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr

Nu de duur van de op te leggen tbs-maatregel ongemaximeerd is, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.

Vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr

De rechtbank ziet, gelet op de gevangenisstraf en de tbs met verpleging van overheidswege die zullen worden opgelegd, geen noodzaak om daarnaast ook nog een contactverbod als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen ten opzichte van [slachtoffer 1] , zoals namens hem is verzocht, nu het beoogde doel ook via de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en de daarop volgende tbs-maatregel kan worden bereikt.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 25.520,19 voor feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag bestaat uit € 5.520,19 aan materiële schade en

€ 20.000,- aan immateriële schade.

Nu verdachte van de verkrachting (feit 1) wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij niet worden ontvangen in het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op dat feit. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat wel bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van de benadeelde partij (feit 2). Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schade

Weggenomen contant geld

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.000,- voor contant geld dat door verdachte zou zijn weggenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vaststaan, nu deze schade onvoldoende is onderbouwd. Mede gezien het feit dat vanuit het strafdossier verschillende hoogtes van bedragen naar voren komen. Ook wordt deze schade betwist. Zij is van oordeel dat verdere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partij voor dit deel van de materiële schade niet-ontvankelijk in zijn vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Kosten aanvragen nieuw paspoort en reiskosten

Daarnaast vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 232,- voor kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om een nieuw Iraans paspoort aan te vragen en € 74,25 voor reiskosten van en naar de Iraanse ambassade.

De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband met de mishandeling voor deze kosten ontbreekt. Zij zal daarom deze kosten afwijzen.

Weggenomen telefoons en opladers

Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 673,94 voor telefoons en opladers die door verdachte zouden zijn weggenomen.

De rechtbank is van oordeel dat het causaal verband met de mishandeling voor deze kosten ontbreekt. Zij zal daarom deze kosten afwijzen.

Eigen risico Tot slot vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 1.540,- in verband met het eigen risico over de jaren 2024, 2025 en 2026 en het toekomstig eigen risico in 2027.

Uit de onderbouwing van deze kosten die de benadeelde partij heeft ingebracht, volgt niet in welke mate deze kosten voortkomen uit of verband houden met de door verdachte gepleegde mishandeling, zoals opgenomen onder het bewezenverklaarde feit 2. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden vastgesteld dat de gestelde materiële schade, of een deel daarvan, is veroorzaakt door dat bewezenverklaarde feit. Daartoe is een nader debat en wellicht bewijsvoering nodig, wat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. De vordering kan voor dit deel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling lichamelijk letsel heeft opgelopen, zodat hij op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zonder meer recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het toe te kennen bedrag acht geslagen op de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend. Alles afwegend acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 750,- billijk. Deze schade staat ook in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal daarbij tevens de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf

17 maart 2024.

De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 7.500,- voor feit 3, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van verdachte nadeel van immateriële aard heeft ondervonden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van het toe te kennen bedrag acht geslagen op de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend. Alles afwegend acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 6.000,- billijk. Deze schade staat ook in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal daarbij tevens de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf

4 februari 2024.

De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 57, 63, 243, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2: mishandeling;

feit 3 subsidiair: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd

bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede

bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan eenander toebehoort, vernielen en/of beschadigen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partijen

T.a.v. feit 2

[slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij voor zover de vordering ziet op de materiële schade, bestaande uit het weggenomen contant geld en het eigen risico, en de overige immateriële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- wijst de overige gevorderde materiële schade, bestaande uit de kosten voor de vervanging van het paspoort, de reiskosten van en naar de Iraanse Ambassade en de kosten voor de telefoons en opladers, af.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , € 750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 7 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

T.a.v. feit 3

[slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 6.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] € 6.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 55 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. J.F.C. Janssen en

mr. H. Faouzi, rechters, in tegenwoordigheid van S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 september 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks de periode van 16 maart 2024 te [plaats 2] (in een woning aan de

[adres 1] ))

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid, te weten

- het laten drinken van ghb en/of een andere drug door [slachtoffer 1] en/of

- het uittrekken van de broek van [slachtoffer 1] en/of

- het meermalen slaan en/of schoppen tegen de zij en/of de rug en/of het gezicht, in

elk geval het lichaam van [slachtoffer 1] en/of

- het stoppen van zijn voet en/of vervolgens bewegen van zijn voet in de mond van

[slachtoffer 1] en/of

- het schelden en/of bespugen tegen en/of van [slachtoffer 1]

- het filmen van het mishandelen en/of verkrachten en/of vernederen en/of

schelden en/of bespugen van [slachtoffer 1]

heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1]

te weten:

- het duwen/brengen van zijn penis en/of een deodorantbus in de anus van [slachtoffer 1]

;

( art 242 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 17 maart 2024 te [plaats 4] , in elk geval in Nederland

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen in het gezicht en/of op het lichaam

van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 4 februari 2024te [plaats 2] (in een woning aan de [adres 1]

))

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere

feitelijkheid, te weten

- het laten drinken van ghb en/of laten innemen/tot zich nemen van andere drugs

en/of laten drinken van alcoholische dranken door [slachtoffer 2] en/of

- het uittrekken van de broek en/of onderbroek en/of omhoog trekken van de bh

van [slachtoffer 2] en/of

- het beeldbellen met de ex vriend van [slachtoffer 2] , terwijl hij, verdachte die ex

vriend laat zien dat hij, verdachte [slachtoffer 2] seksueel aan het misbruiken is

en/of die ex vriend daarbij onder andere toevoegd: "Kijk jouw dochter kan niks

zeggen bro, kijk ik ga haar effe lekker neuken ja ja, kijk die natte kut van haar, kijk ze

kan gewoon geen kanker zeggen. Ze laat zelfd kutscheetjes broer. Kankerhoer, ik ga

lekker neuken" en/of "he supermen, ik heb haar stinkkutje geneukt bro. Kijk maar

wat ik doe ik neuk jouw kind zijn moeder kankerhard bro, ze kan niet eens iets

zeggen, ze piept niet eens bro, het is gewoon heet bro"

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2]

te weten:

- het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] en/of

-het duwen/brengen van zijn duim tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2]

en/of

-het knijpen in de borst van die [slachtoffer 2] en/of

-het betasten van de buik en/of vagina van die [slachtoffer 2] en/of

- zich aftrekken tussen de benen van die [slachtoffer 2] .

( art 242 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 februari 2024 te [plaats 2] ,

met [slachtoffer 2] van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van

bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,

dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening

en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was

zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand

te bieden,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2]

te weten

- het duwen/brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] en/of

-het duwen/brengen van zijn duim tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2]

en/of

-het knijpen in de borst van die [slachtoffer 2] en/of

-het betasten van de buik en/of vagina van die [slachtoffer 2] en/of

- zich aftrekken tussen de benen van die [slachtoffer 2] .

( art 243 Wetboek van Strafrecht )

4

hij op of omstreeks 4 februari 2024 te [plaats 2]

opzettelijk en wederrechtelijk twee, althans een deur(en), in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander

toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand