Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-226998-22
Beslissing op grond van artikel 6:6:10, eerste lid aanhef en onder e van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de meervoudige kamer van 10 september 2026
in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
uit andere hoofde gedetineerd in de PI [locatie] ,
hierna: betrokkene,
raadsvrouw mr. M.A. Dijk, advocaat te Amsterdam.
1. Inleiding
Bij vonnis van deze rechtbank van 17 maart 2023 is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van betrokkene gelast met voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Deze tbs is gelast ter zake van diefstal met geweld in vereniging. De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.
De termijn van de tbs is aangevangen op 3 april 2023.
Bij beslissing van deze rechtbank van 31 maart 2025 is de tbs laatstelijk verlengd voor een termijn van twee jaren.
2. Procesverloop
De rechtbank heeft op 26 augustus 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot het alsnog bevelen van de verpleging van overheidswege van betrokkene.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 10 september 2026 behandeld. De officier van justitie mr. S. van de Wilt-Withfield is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.A. Dijk, advocaat te Amsterdam.Voorts is als deskundige gehoord de heer [reclasseringsmedewerker] , reclasseringsmedewerker.
3. Reclasseringsadvies
De reclassering adviseert in het rapport van 13 augustus 2026 de huidige tbs om te zetten naar een tbs met verpleging van overheidswege. Betrokkene is gerecidiveerd in de vorm van een geweldsdelict, ondanks grote inspanningen van betrokkene, de reclassering en het forensisch behandel- en begeleidingsteam. De reclassering ziet binnen het huidige kader van tbs geen mogelijkheden meer tot gedragsverandering en risicobeperking. Enkel binnen het beveiligde en dwingende kader van de tbs met verpleging kunnen de noodzakelijke behandeling, het toezicht én met name de risicobeheersing, voldoende worden gewaarborgd.
Ter zitting heeft de deskundige hieraan toegevoegd dat de overstap naar het [woonvoorziening 2] voor betrokkene in negatieve zin veel teweeg heeft gebracht en dat betrokkene daarna een kortdurende klinische opname nodig had om tot rust te komen en weer abstinent van middelen te worden. Na deze opname werd [woonvoorziening 1] als best passende plek voor betrokkene geacht en was er vanuit de reclassering intensief contact met zowel betrokkene, als met de medewerkers van [woonvoorziening 1] om vertrouwen vanuit de medewerkers met betrokkene en vanuit betrokkene richting de medewerkers op te bouwen en escalaties te voorkomen. Deze aanpak leek effect te sorteren aangezien betrokkene, na een korte terugval in cocaïnegebruik, voor het eerst gedurende zijn tbs-behandeling bereid was tot het gebruik van antidepressiva en het ondergaan van traumabehandeling. Betrokkene staat bij de reclassering bekend als een persoon die doorzet, ook als er in het kader van voorwaarden veel van hem wordt gevergd.
Juist de omstandigheid dat binnen een periode van relatieve rust en positieve ontwikkeling zo onverwacht een geweldsincident heeft plaatsgevonden, acht de reclassering zeer zorgelijk. Geen van de betrokkenen heeft een dergelijk geweldsincident zien aankomen. Ondanks de inzet van alle mogelijke waarborgen is het voorkomen van het plegen van strafbare feiten door betrokkene niet gelukt. Ter zitting is bevestigd dat betrokkene bij een nieuwe kans binnen een tbs met voorwaarden opnieuw een klinisch traject dient te volgen, maar de reclassering betwijfelt of betrokkene hiervoor nog een keer de motivatie kan (blijven) opbrengen. De reclassering benadrukt verder dat het belangrijk is dat betrokkene de traumabehandeling blijft volgen. De reclassering durft geen verantwoording meer te nemen voor het voortzetten van het huidige tbs-traject en blijft bij het advies tot omzetting naar een tbs met verpleging.
4. Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt alsnog de verpleging van overheidswege te bevelen. Uit het vonnis in 2023 volgt dat er al twijfels bestonden of een tbs met voorwaarden voor betrokkene haalbaar zou zijn. Inmiddels is gebleken dat het tbs-traject niet soepel is verlopen, dat voorwaarden zijn overtreden en dat betrokkene is gerecidiveerd door het plegen van een geweldsdelict op 23 juli 2026. Naast het feit dat de reclassering met het oog op de veiligheid geen mogelijkheden meer ziet de tbs binnen het huidige kader voort te zetten, is de benodigde behandeling niet passend binnen een kader van tbs met voorwaarden. Bij een tbs met voorwaarden is het namelijk de bedoeling dat een tbs-patiënt zo kort mogelijk intramuraal wordt behandeld en niet steeds klinisch moet worden opgenomen. Enkel een kader van tbs met verpleging is onder deze omstandigheden passend en geboden. Er is geen noodzaak tot aanhouding van de behandeling van de zaak voor nader onderzoek.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair afwijzing van de vordering. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat bij de beoordeling niet uitsluitend naar het recente incident moet worden gekeken, maar naar het gehele verloop van de maatregel. Ondanks de scepsis bij de aanvang van het tbs-traject heeft betrokkene iedereen de eerste twee jaar positief verrast. Er waren al twijfels over de grote stap naar het [woonvoorziening 2] en toen het misging heeft betrokkene dit erkend en zich meewerkend opgesteld. De problematiek van betrokkene heeft mogelijk een rol gespeeld bij de terugval in middelengebruik tijdens de periode bij zowel het [woonvoorziening 2] als later in [woonvoorziening 1] , maar betrokkene heeft zich na deze terugvallen goed weten te herpakken en is nog steeds bereid de behandeling weer op te pakken en met goed gevolg af te ronden. Een enkele fout betekent niet dat het gehele traject van betrokkene is mislukt en er niks zou zijn bereikt. Bij de omzetting naar tbs met verpleging van overheidswege moet betrokkene jaren wachten op behandeling, terwijl er nu nog behandelkansen zijn. De omstandigheden zijn daarbij niet zodanig dat de veiligheid van de maatschappij een directe verpleging van betrokkene vereist.
Subsidiair wordt verzocht om de behandeling van de vordering aan te houden om een nader rapport op te laten stellen door een gedragsdeskundige. Op deze manier kan inzicht worden verkregen in de mogelijke oorzaak van het geweldsincident en mogelijke aanpassingen van de huidige voorwaarden.
5. Beoordeling
Toetsingskader
Op grond van artikel 6:6:10 eerste lid, aanhef en onder e Sv is de rechter, indien de ter beschikking gestelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, gedurende de looptijd van de terbeschikkingstelling, bevoegd te beslissen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.
Uit de reclasseringsrapportage en het proces-verbaal van de nieuwe strafzaak blijkt dat betrokkene zich niet aan alle voorwaarden heeft gehouden. Hierdoor bestaat in beginsel een wettelijke grondslag om de tbs met voorwaarden in een tbs met verpleging van overheidswege om te zetten. Dat betekent echter niet dat een bevel tot verpleging van overheidswege dan ook automatisch moet volgen. De rechtbank moet hierbij namelijk ook afwegen, onder andere in het licht van de proportionaliteit, of omzetting noodzakelijk is.
Daarbij kunnen diverse factoren in aanmerking worden genomen, zoals de aard en ernst van de overtreding van de voorwaarden, het recidiverisico, de problematiek van betrokkene, het (eerdere) verloop van het tbs-traject, de leeftijd van betrokkene en de nog beschikbare mogelijkheden binnen het bestaande kader. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Verloop tbs-traject
Uit het vonnis van 17 maart 2023 maakt de rechtbank op dat de reclassering indertijd voorzichtig positief was over de oplegging van tbs met voorwaarden. Ondanks het hoge risico op delictgedrag was de reclassering bereid om betrokkene een kans te bieden als hij zich onvoorwaardelijk zou committeren aan de geadviseerde voorwaarden. Betrokkene heeft zich toen op de zitting bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden en uiteindelijk heeft de rechtbank betrokkene de geboden kans gegeven en is zij tot oplegging van tbs met voorwaarden overgegaan. De tbs is op 3 april 2023 aangevangen.
Het tbs-traject van betrokkene kende vervolgens niet alleen een positieve start, maar gedurende het eerste anderhalf jaar ook een positief verloop, zo blijkt uit de diverse voortgangsverslagen. In de eerste verlengingsbeslissing van 31 maart 2025 merkte de rechtbank daarover op dat, ondanks de eerdere twijfels bij de oplegging, betrokkene zich bewonderenswaardig goed had ontwikkeld en heel goed aan alle voorwaarden had meegewerkt. Betrokkene had aan allerlei therapieën deelgenomen, was al twee jaar abstinent en zat tevens aan zijn behandelplafond. De tijd werd rijp geacht om betrokkene over te plaatsen naar een forensische begeleid wonen setting.
Deze stap volgde dan ook in april 2025 met de overplaatsing van betrokkene naar de afdeling forensisch beschermd wonen bij het [woonvoorziening 2] in [plaats 1] . Hier volgde een dynamische periode, waarbij betrokkene erg moest wennen aan deze nieuwe woonomgeving en bijbehorende vrijheden. Ook bleken binnen deze instelling drugs makkelijk voorhanden te zijn, wat in combinatie met problematische omstandigheden rondom de ex-partner van betrokkene, leidde tot een terugval in middelengebruik. De reclassering heeft desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat een dergelijke omgeving als het [woonvoorziening 2] voor betrokkene niet passend is geweest, dat hier bij gebrek aan plekken toch voor is gekozen en dat dit achteraf een verkeerde keuze is gebleken. Hoewel het drugsgebruik van betrokkene feitelijk gezien zijn keuze is geweest, dient hierbij te worden opgemerkt dat de plaatsing in het [woonvoorziening 2] een beslissing is geweest die buiten de invloedssfeer van betrokkene lag.
Bovengenoemde terugval van betrokkene heeft ertoe geleid dat per 14 oktober 2025 de klinische opname van 7 weken uit de opgelegde voorwaarden is ingezet. Betrokkene stond volledig achter deze opname, heeft zich herpakt en is na deze detox binnen Forensisch Psychiatrische Afdeling (hierna: FPA) [FPA] op 3 februari 2026 naar de beschermde [woonvoorziening 1] te [plaats 2] gegaan.
De reclassering heeft in juni 2026 overwegend positief gerapporteerd over het verblijf van betrokkene bij [woonvoorziening 1] . De nieuwe woonomgeving met nog onbekende begeleiders in combinatie met het onderzoek naar zijn rijgeschiktheid vergden weliswaar veel van betrokkene, maar desondanks lukte het betrokkene om abstinent te blijven van middelen. Betrokkene werd iedere week gecontroleerd op middelengebruik en vrijheden werden grotendeels begeleid ingezet. Het snel overvraagd raken van betrokkene bleef een van de aandachtspunten, maar het risico op delictgedrag werd in de context van dat moment in plaats van hoog, zoals bij de aanvang van de tbs, als laag tot gemiddeld ingeschat. De tbs met voorwaarden begon dan ook als maatregel effect te sorteren en had een ontwikkelingsverloop dat naar het oordeel van de rechtbank, kijkend naar de laatste verlengingsbeslissing die loopt tot maart 2027, passend wordt geacht.
Geheel tegen ieders verwachting in vond er in juli 2026 een geweldsincident plaats.
Naast de daaropvolgende veroordeling door de politierechter tot een gevangenisstraf van vier maanden, vormde dit geweldsincident de katalysator voor de huidige vordering en het advies tot omzetting naar tbs met verpleging van overheidswege in augustus 2026. Met deze veroordeling is immers én het overtreden van de voorwaarden van de tbs én het veroorzaken van een risico voor de veiligheid van anderen een feit.
Omzetting naar tbs met dwangverpleging noodzakelijk?
De rechtbank constateert allereerst het volgende. Tijdens zijn eerste kortdurende klinische opname in oktober 2025 heeft betrokkene laten zien dat hij zich in een klinische setting goed kan inzetten om een gedragsverandering - en dus een verlaging van het recidiverisico - te realiseren. Deze kortdurende klinische opleiding bleek afdoende om zich te herpakken en betrokkene toonde toen, en ter zitting opnieuw, inzicht te hebben in zijn valkuilen en problematiek. Daarnaast is hij nog altijd gemotiveerd voor behandeling. Dit blijkt uit onder meer het feit dat betrokkene recent gestart is met het innemen van medicatie en het volgen van traumatherapie. Iets dat hij heel lang heeft afgehouden. Betrokkene heeft ter zitting desgevraagd verteld dat hij graag een tweede behandelpoging in het kader van de tbs met voorwaarden zou willen en heeft zich bereid verklaard zich aan alle voorwaarden te zullen houden, ook wanneer dit een nieuwe klinische opname zou betreffen. De door de reclassering genoemde aarzeling of betrokkene opnieuw de intrinsieke motivatie zou kunnen vinden voor een behandeling, is hiermee weggenomen.
De rechtbank overweegt verder dat wanneer de tbs met voorwaarden naar een tbs met verpleging van overheidswege zal worden omgezet, een behandeling van betrokkene voorlopig niet zal starten. De wachttijden voor een behandelplek in de tbs leidt in sommige gevallen tot de onwenselijke situatie dat deze oplopen tot meer dan anderhalf jaar. In die periode zal betrokkene als ‘passant’ in een penitentiaire inrichting moeten verblijven waar niet of nauwelijks behandeling plaatsvindt. Dit betekent in het geval van betrokkene dat zijn behandeling in het huidige tbs-kader abrupt zal worden beëindigd waardoor naar verwachting alle gemaakte behandelprogressie in de afgelopen jaren teniet wordt gedaan. In dit scenario zal deze jonge betrokkene aldus na lang wachten zijn behandeling helemaal opnieuw moeten beginnen, wat niet alleen zijn behandelmotivatie en behandelbaarheid negatief zal beïnvloeden, maar ook de mogelijkheden om het recidiverisico door middel van behandeling te verminderen. De door de reclassering genoemde en hierboven beschreven aarzeling over intrinsieke motivatie zal dan ook eerder aan de orde zijn in het geval van een omzetting. Daartegenover staat de mogelijkheid van een doorstart middels een nieuwe klinische opname binnen het huidige kader van de tbs met voorwaarden, die eerder ook tot positieve resultaten heeft geleid. Een mogelijkheid waarbij de broodnodige behandeling meteen doorgang kan vinden en waartoe betrokkene zich bereid heeft verklaard.
De rechtbank acht het, alles afwegende en gezien bovenstaande beschreven specifieke omstandigheden, op dit moment nog onvoldoende aannemelijk dat het recent ingeschatte verhoogde recidiverisico niet door minder ingrijpende maatregelen dan enkel door een omzetting naar een tbs met verpleging kan worden beteugeld. Bij deze beoordeling heeft de rechtbank zowel het einde van de termijn van de huidige verlenging (maart 2027), als de mogelijke totale duur van de tbs met voorwaarden (tot 2032) en het positieve behandelbeloop tot aan het delict in juli 2026 betrokken. Betrokkene is nog jong, is gemotiveerd en uit de inlichtingen van de reclassering volgt dat er nog mogelijkheden tot (klinische) behandeling zijn. Betrokkene heeft binnen de tbs met voorwaarden nog ruimschoots de tijd om de behandeling in volle omvang te hervatten (eerst vanuit een nieuwe klinische opname en met voorzetting van de medicatie en traumatherapie) en daarmee het recidiverisico verder te beperken. Bij deze positieve uitkomst zijn naar het oordeel van de rechtbank zowel betrokkene als de maatschappij het meest gebaat.
De rechtbank realiseert zich dat zij betrokkene hiermee in feite opnieuw een kans geeft en het spreekt dan ook voor zich dat dit uitzonderlijk is. Het is nu aan betrokkene om deze kans met beide handen aan te grijpen en zich volledig in te zetten voor het alsnog laten slagen van de tbs met voorwaarden. De rechtbank zal de vordering tot het alsnog bevelen van de verpleging van overheidswege van betrokkene afwijzen.
6. Beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering van de officier van justitie.
Deze beslissing is genomen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter,
en mr. P.E. van Althuis en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 september 2026.