ECLI:NL:RBZWB:2026:9385

ECLI:NL:RBZWB:2026:9385

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer 02-163081-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Beslissing dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank zal juist het volledig benutten van de klinische behandeling van de ISD-maatregel het risico op een terugval naar dergelijke omstandigheden – en daarmee het recidiverisico – verkleinen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-163081-25

Beslissing tussentijdse beoordeling ISD-maatregel d.d. 14 september 2026

Aan veroordeelde

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

verblijvende in FPA [locatie] ,

is de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD) opgelegd.

1. De stukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:

- het vonnis van deze rechtbank van 17 september 2025 waaruit blijkt dat aan veroordeelde de ISD-maatregel is opgelegd voor de duur van 2 jaar;

- het verzoek van de verdediging van 26 mei 2026 tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel;

- een evaluatierapportage ISD-maatregel van [ISD casemanager] , namens de directeur van de penitentiaire inrichting (hierna: P.I.) in [plaats] , over de stand van uitvoering van het plan van opvang van de veroordeelde en inhoudende het advies tot voortzetting van de ISD-maatregel;

- een rapportage van 6 augustus 2026 over het verloop van de behandeling bij FPA [locatie] .

2. De procesgang

Tijdens het onderzoek ter zitting van de rechtbank van 14 september 2026 is de officier van justitie, mr. M. Nijboer, gehoord. Tevens is veroordeelde gehoord, bijgestaan door raadsman mr. F.G.J. Staals, advocaat te Weesp. Voorts is als deskundige mevrouw [ISD casemanager] gehoord.

In de evaluatierapportage ISD-maatregel van de P.I. te [plaats] wordt geadviseerd tot voortzetting van de ISD-maatregel. Veroordeelde is op 25 juni 2026 geplaatst op de forensische psychiatrische afdeling (hierna: FPA) bij [locatie] om zijn klinische behandeling te starten. Gezien het feit dat hij pas geplaatst is in de kliniek en er voorzichtig gezien wordt dat veroordeelde lijkt aan te haken bij de behandeling, zou het goed zijn om deze behandeling af te ronden. Vanuit de kliniek zal er tijdens de behandeling nog aanvullend onderzoek worden gedaan. De intentie is om veroordeelde tijdens de klinische fase aan te melden bij een passende begeleide woonsetting waar hij zowel tijdens als na de ISD-maatregel kan verblijven.

De deskundige heeft ter zitting haar advies bevestigd en daaraan nog het volgende toegevoegd. Het verzoekschrift van veroordeelde dateert van mei 2026, veroordeelde is echter op 25 juni 2026 gestart met zijn klinische behandeling bij FPA [locatie] . Naast het doorlopen van een opnameprogramma is veroordeelde daar reeds gestart met groepstherapie. Er zal in samenspraak een woonprofiel voor veroordeelde opgesteld worden en is er gekeken naar passende individuele behandeling. De concrete startdatum van deze individuele behandeling is in verband met de wachtlijsten nog niet bekend, maar het doorlopen van de geïndiceerde therapieën wordt noodzakelijk geacht. Het recidiverisico wordt bij het niet voortzetten van de behandeling en het verlenen van de juiste nazorg als onverminderd hoog ingeschat.

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en daarmee voortzetting van de ISD-maatregel. Ter bescherming van de maatschappij is er aan veroordeelde een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar opgelegd. De maatregel ligt niet stil. Veroordeelde is inmiddels gestart met zijn klinische behandeling wat nog de nodige tijd zal vergen. Bij een tussentijdse opheffing van de ISD-maatregel zijn er op grond van de adviezen van de deskundigen grote zorgen over het recidiverisico bij veroordeelde. Het doel van de ISD-maatregel om het recidiverisico zoveel mogelijk te beperken zal bij een tussentijdse opheffing niet worden bereikt. Voortzetting van de ISD-maatregel is dan ook vereist.

4. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van veroordeelde heeft ter zitting aangevoerd dat de verdediging ondanks de tussentijdse klinische opname het verzoek tot opheffing van de ISD-maatregel handhaaft. Veroordeelde begrijpt dat er geduld wordt gevraagd, maar het traject gaat zodanig langzaam dat dit ten koste gaat van zijn behandelmotivatie. Onder deze omstandigheden, die niet aan veroordeelde te wijten zijn, heeft verdere behandeling geen enkele zin en kan er net zo goed een opheffing van de ISD-maatregel volgen.

5. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt allereerst vast dat het verzoekschrift na zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel en dus tijdig is ingediend. Veroordeelde is daarmee ontvankelijk in zijn verzoek.

De rechtbank moet beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van veroordeelde. Op grond van artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering moet in dat kader worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, overlast of verloedering van het publieke domein, waarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van veroordeelde ligt.

Aan veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 17 september 2025 een ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar. Veroordeelde is op 23 oktober 2025 geplaatst op de ISD-afdeling van de P.I. [plaats] . Uit het voortgangsverslag over deze intramurale fase maakt de rechtbank op dat veroordeelde deze periode goed heeft doorstaan. Veroordeelde heeft goed meegewerkt aan een IQ meting en heeft ook de verslavingsgroep positief doorlopen. Doordat veroordeelde zelf goed kon aangeven wat hij bij een klinische behandeling verwachtte nodig te hebben, is hij per 24 maart 2026 op de wachtlijst voor een klinische behandeling bij FPA [locatie] geplaatst.

Deze klinische behandeling is aangevangen op 25 juni 2026. Ook over deze stap wordt in de rapportage van 6 augustus 2026 over het verloop van de behandeling bij FPA [locatie] positief gerapporteerd. Veroordeelde laat over het algemeen een rustige, vriendelijke en correcte houding zien richting begeleiding en medepatiënten. Daarnaast is er met externe sturing sprake van voorzichtige ontwikkeling in eigen probleembesef en veranderbereidheid. Veroordeelde kan steeds beter aangeven waar hij tegenaan loopt, zoekt op momenten ondersteuning en laat in concrete situaties zien dat hij alternatief gedrag kan inzetten.

Verdere inzet op motiverende gespreksvoering, herhaling, concrete en visuele ondersteuning en het oefenen met herkenbare praktijksituaties wordt noodzakelijk geacht. Belangrijke aandachtspunten zijn hierbij het middelengebruik, medicatieafbouw, impulscontrole, delictgedrag, omgaan met frustratie en ervaren onrecht, beïnvloedbaarheid en het vergroten van zelfstandigheid van veroordeelde.

De rechtbank begrijpt de wens van veroordeelde om de klinische fase zo snel als mogelijk te doorlopen en zijn leven verder zelfstandig vorm te geven. Veroordeelde heeft zich binnen het ISD-traject bewonderingswaardig goed ontwikkeld en heeft het aan zijn eigen inzet te danken dat de fase binnen de P.I. zo snel is afgerond.

Daar staat tegenover dat uit de rapportages en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de behandeling van veroordeelde nog niet als afgerond kan worden beschouwd. Bij beëindiging van de ISD-maatregel op dit moment wordt de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten als hoog ingeschat. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat bij voortijdige beëindiging van de ISD-maatregel het risico op onveiligheid, overlast en verloedering van het publieke domein aanwezig is. De rechtbank acht het van belang dat veroordeelde na afronding van de ISD-maatregel niet terugvalt in het leven dat hij voor de oplegging van deze maatregel leidde. Veroordeelde leefde toen naar eigen zeggen in uitzichtloze omstandigheden op straat waarbij hij drugs nodig had om te overleven. Naar het oordeel van de rechtbank zal juist het volledig benutten van de klinische behandeling van de ISD-maatregel het risico op een terugval naar dergelijke omstandigheden – en daarmee het recidiverisico – verkleinen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voortzetting van de ISD-maatregel noodzakelijk is en ziet op dit moment geen omstandigheden die het voortijdig beëindigen van de ISD-maatregel rechtvaardigen.

De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de ISD-maatregel dan ook afwijzen.

6. De beslissing

De rechtbank

- beslist dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is vereist.

Deze beslissing is gegeven door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter,

en mr. R. Combee, mr. F.L. Donders, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.H. Cornelissen,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.C.S. van Bree
  • mr. F.L. Donders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand