Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-309064-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 september 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadslieden mr. B.J. Tieman en mr. D. Wijsman, advocaten te Utrecht.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 september 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel zijn verschenen zijn gemachtigde raadslieden. De officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het seksueel binnendringen bij een persoon tussen de 12 en 16 jaar. Meer subsidiair is dit ten laste gelegd als het plegen van ontucht.
3. De voorvragen
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie vanwege schending van het gelijkheidsbeginsel, het lange tijdsverloop tussen de DNA-match en de eerste confrontatie daarmee met verdachte en het gebrekkige onderzoek. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte wel wordt vervolgd, terwijl [naam 1] , die volgens [slachtoffer] eveneens seksuele handelingen bij haar heeft verricht, niet wordt vervolgd en evenmin nader is onderzocht. Door het lange tijdsverloop zijn volgens de verdediging bovendien onderzoeksmogelijkheden verloren gegaan. Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat het onderzoek gebrekkig is geweest, onder meer doordat verschillende getuigen niet zijn gehoord en geen onderzoek in de woning is verricht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hij ontvankelijk is in de vervolging, omdat van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Ook heeft het tijdsverloop geen nadeel opgeleverd voor verdachte en is het onderzoek niet gebrekkig.
Het oordeel van de rechtbank
De verdediging heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie bepleit op drie, feitelijk samenhangende gronden: schending van het gelijkheidsbeginsel, verlies van onderzoeksmogelijkheden door het tijdsverloop na de DNA-match en het volgens de verdediging onvolledige en eenzijdige onderzoek.
De vervolgingsbeslissing behoort op grond van artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tot de discretionaire bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. De rechter toetst die beslissing slechts terughoudend. Niet-ontvankelijkheid is alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde.
Het tijdsverloop en het gestelde onvolledige onderzoek kunnen tot niet-ontvankelijkheid leiden als verdachte daardoor zodanig in zijn verdedigingsmogelijkheden is beperkt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces. Het enkele tijdsverloop of de enkele omstandigheid dat niet alle mogelijke onderzoekshandelingen zijn verricht, is daarvoor onvoldoende.
Gelijkheidsbeginsel
Naar het oordeel van de rechtbank is van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake. Uit het dossier volgt dat verdachte samen met een man die [naam 1] wordt genoemd in de woning aanwezig was. Uit het dossier komen aanwijzingen naar voren dat met [naam 1] [persoon 1] bedoeld wordt. [slachtoffer] heeft ook verklaard over seksuele handelingen die [naam 1] bij haar zou hebben verricht. De bewijspositie ten aanzien van verdachte en [naam 1] verschilt echter. In de slip van [slachtoffer] is immers een DNA-spoor in sperma aangetroffen dat matcht met het DNA van verdachte. Een dergelijke DNA-match is er voor van [naam 1] niet. Gelet op dit verschil in bewijspositie is geen sprake van dusdanig gelijksoortige gevallen dat het wel vervolgen van verdachte en het niet vervolgen van [naam 1] in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
Tijdsverloop
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de zaak door de politie en het Openbaar Ministerie niet adequaat en voortvarend is behandeld. Het feit dateert van 21 maart 2011. In april 2013 heeft referentieonderzoek tot een DNA-match met verdachte geleid. Uit de toelichting van de officier van justitie ter terechtzitting is gebleken dat verdachte vervolgens enige tijd in het buitenland heeft verbleven en pas in november 2025 is aangehouden en verhoord. De rechtbank stelt vast dat daarmee sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop en dat hierdoor onderzoeksmogelijkheden zijn beperkt. Zo kan de oma van [persoon 1] niet meer worden gehoord en kan het destijds achterwege gebleven onderzoek in de woning niet alsnog worden verricht.
De verdenking tegen verdachte berust in belangrijke mate op de verklaring van [slachtoffer] en het in haar slip aangetroffen DNA-spoor. De verdediging heeft de betrouwbaarheid en bewijswaarde daarvan kunnen betwisten. Bovendien stelt de verdediging dat [persoon 1] de in het dossier genoemde [naam 1] is en daarmee rechtstreeks bij de gebeurtenissen betrokken was. De mogelijkheid om hem als getuige over de gebeurtenissen te horen bestaat nog, maar de verdediging heeft daartoe geen verzoek gedaan. Tegen deze achtergrond is niet gebleken dat het tijdsverloop de verdediging de mogelijkheid heeft ontnomen om de tegen verdachte bestaande verdenking effectief te bestrijden.
Van ander nadeel als gevolg van het tijdsverloop is evenmin gebleken. Verdachte is pas in november 2025 op de hoogte geraakt van de verdenking tegen hem en heeft gedurende de daaraan voorafgaande periode dan ook niet in onzekerheid verkeerd over een eventuele vervolging.
Gebrekkig onderzoek
De rechtbank stelt vast dat verschillende door de verdediging genoemde onderzoekshandelingen destijds niet zijn verricht. Daar staat tegenover dat verschillende getuigen zijn gehoord en er forensisch onderzoek is verricht. Dat nader onderzoek naar [naam 1] , de woning en andere getuigen achterwege is gebleven, betekent niet dat de beschikbare bewijsmiddelen niet meer zorgvuldig kunnen worden beoordeeld of dat verdachte zich daartegen niet effectief kan verdedigen. Het verrichte onderzoek is daarom niet zodanig onvolledig dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moet leiden.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor overwogen heeft, is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde gronden, noch afzonderlijk noch in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van verdachte. De verweren worden verworpen en de rechtbank acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte
De overige voorvragen
De rechtbank stelt verder vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de veertienjarige [slachtoffer] heeft verkracht. De officier van justitie gaat uit van alle in de tenlastelegging genoemde handelingen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak. De verdediging betwist de bewijswaarde van het aangetroffen DNA-materiaal en de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader
De rechter moet allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Vaststelling feiten
Op 21 maart 2011 heeft de politie een melding gekregen van een verkrachting van een minderjarige. Zij zijn ter plaatse gegaan en hebben gesproken met [persoon 2] , de begeleidster van [slachtoffer] . Ook hebben de verbalisanten die avond een informatief gesprek zeden gevoerd met [slachtoffer] . Zij was destijds veertien jaar oud. Door de verbalisanten is een zedenkit afgenomen bij [slachtoffer] en is haar ondergoed bemonsterd. Uit het rapport van het NFI van 24 juni 2011 blijkt dat aan de binnenzijde van de slip een spoor zit dat spermacellen bevat. Op 5 april 2013 heeft dit spoor tot een DNA-match geleid met verdachte. Door [persoon 3] , begeleidster van [slachtoffer] , is op 14 april 2011 aangifte gedaan van verkrachting van [slachtoffer] .
[slachtoffer] is twee keer gehoord. Zij verklaart dat zij op 20 maart 2011 samen met drie anderen is weggelopen bij de instelling waar zij verbleef. In de bus onderweg naar Breda zijn zij met verdachte en een vriend in contact gekomen. Verdachte en zijn vriend boden het groepje meisjes een slaapplek aan. [slachtoffer] en een ander meisje genaamd [naam 2] hebben van het aanbod gebruik gemaakt. [slachtoffer] is op enig moment in slaap gevallen en werd ’s nachts wakker. Zij merkte toen dat zij was ontkleed en dat verdachte met zijn penis in haar vagina zat. [slachtoffer] heeft zich toen verzet door verdachte te slaan en hem in zijn buik te trappen. [slachtoffer] is naar de wc gevlucht, heeft zich aangekleed en is naar buiten gegaan. Daar heeft zij haar moeder gebeld en gevraagd of haar moeder haar wilde komen ophalen. In de auto onderweg naar huis heeft [slachtoffer] aan haar moeder verteld dat zij verkracht was.
Betrouwbaarheid verklaring
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op twee momenten een verklaring heeft afgelegd, namelijk tijdens het informatief zedengesprek op 21 maart 2011 - enkele uren na het voorval - en tijdens het studioverhoor op 28 april 2011. Aangeefster heeft verklaard over twee momenten waarop seksuele handelingen zouden zijn verricht bestaande uit het binnendringen van de vagina en anus. Over het binnendringen van de vagina en de omstandigheden waaronder dat is gebeurd heeft [slachtoffer] gedetailleerd en consistent verklaard. De rechtbank acht haar verklaringen in zoverre betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voor een groot deel het geval. Aan de binnenkant van de onderbroek van [slachtoffer] is DNA-materiaal aangetroffen dat spermacellen bevat. Het DNA-profiel daarvan matcht met het DNA-profiel van verdachte, waarbij de kans op een match met het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon kleiner is dan één op één miljard. Daarnaast was [naam 2] die nacht samen met [slachtoffer] in de woning aanwezig. Zij heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte bovenop [slachtoffer] lag en probeerde zijn penis in haar vagina te brengen. Zij zag dat [slachtoffer] zich hiertegen verzette. Ook heeft [slachtoffer] direct tegen haar moeder en begeleidster, aangeefster [persoon 3] , verteld wat er was gebeurd. [persoon 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] emotioneel was toen zij het haar vertelde. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] over het vaginaal binnendringen door verdachte hiermee voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Ten aanzien van het binnendringen van de anus ligt dit anders. Tijdens het informatieve gesprek heeft [slachtoffer] verklaard dat de vriend van verdachte haar anaal heeft gepenetreerd. [slachtoffer] heeft pas tijdens het latere studioverhoor verklaard dat verdachte dit heeft gedaan. Voor dit onderdeel van haar verklaring bevat het dossier geen steunbewijs. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] anaal heeft gepenetreerd en zal verdachte daarom partieel vrijspreken van deze seksuele handeling.
Dwang
Hoewel geen sprake was van fysieke dwang door geweld, blijkt uit het voorgaande dat aangeefster niet de mogelijkheid had de handelingen van verdachte te voorkomen of haar wil daarover te uiten. Verdachte was een volwassen man, terwijl [slachtoffer] veertien jaar oud was en voor een slaapplaats van hem afhankelijk was. Zij lag te slapen toen verdachte met zijn handelingen begon en werd wakker toen verdachte met zijn penis in haar vagina zat. Dergelijk handelen kan worden aangemerkt als onverhoeds handelen waardoor sprake is van het dwingen die handelingen te dulden (vgl. ECLI:NL:HR:2026:1235). Naar het oordeel van de rechtbank is de dwang als bedoeld in artikel 242, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht door zijn penis in haar vagina te duwen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 21 maart 2011 te Oosterhout, door anderefeitelijkheden[slachtoffer]heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer][slachtoffer] ,hebbende verdachte,- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer][slachtoffer] geduwd en bestaande die andere feitelijkheden hierin dat verdachte- gebruik heeft gemaakt van een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] , gezienhet leeftijdsverschil en de afhankelijke situatie waarin die [slachtoffer] zichbevond (onderdak/slaapplaats nodig hebben), en- terwijl die [slachtoffer] in bed lag plots haar (onder)broek naar benedenheeft gedaan, en- achter en/of op die [slachtoffer] is gaan liggen, en- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer][slachtoffer] , en- onverhoeds zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd,
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een minderjarige. [slachtoffer] was ten tijde van het feit pas veertien jaar oud. Verkrachting is een zeer ernstig feit en verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] . Te meer gelet op de omstandigheden waaronder de verkrachting plaatsvond. [slachtoffer] was een jong en kwetsbaar meisje dat was weggelopen bij een instelling. Verdachte heeft misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid. Verdachte heeft onverhoeds gehandeld door bij [slachtoffer] binnen te dringen terwijl zij aan het slapen was. Verdachte wist dat [slachtoffer] geen seks met hem wilde hebben. Dat heeft zij gedurende de avond op meerdere momenten aan verdachte aangegeven. Verdachte heeft het bevredigen van zijn eigen lusten vooropgesteld. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Slachtoffers van een verkrachting kunnen immers nog zeer lange tijd last hebben van de psychische gevolgen daarvan. Dat dit bij [slachtoffer] ook het geval is blijkt uit haar slachtofferverklaring, waarin zij de impact en de gevolgen heeft verwoord.
De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Bij het verhoor bij de politie heeft verdachte geen vragen willen beantwoorden en ter zitting is hij niet verschenen.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 4 augustus 2026 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van een aanzienlijke duur een passende strafrechtelijke reactie is. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het
Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zoals deze golden voor de nieuwe zedenwetgeving die is ingegaan in 2024. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een verkrachting met een beperkte mate van dwang. Voor verkrachting met beperkte mate van dwang hanteerden de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt. Alles afwegend ziet de rechtbank geen redenen om van het uitgangspunt af te wijken en acht zij een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 7.500,00 voor immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank geheel toewijsbaar
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Daarnaast is de vordering door de verdediging niet betwist.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 21 maart 2011.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Verkrachting
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 7.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2011 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 7.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 21 maart 2011 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 62 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. F.L. Donders en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult en R.E.A. van Laarhoven, griffiers,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 september 2026.
Mr. Koek is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 maart2011 tot en met 21 maart 2011 te Oosterhout, door geweld of (een) anderefeitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)[slachtoffer]heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit ofmede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer][slachtoffer] ,hebbende verdachte,- zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de anus van die [slachtoffer]geduwd/gebracht, en/of- zijn, verdachtes, penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer][slachtoffer] geduwd/gebrachten bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging metgeweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte- gebruik heeft gemaakt van een feitelijk overwicht op die [slachtoffer] , gezienhet leeftijdsverschil en/of de afhankelijke situatie waarin die [slachtoffer] zichbevond (onderdak/slaapplaats nodig hebben), en/of- terwijl die [slachtoffer] in bed lag plots haar (onder)broek naar benedenheeft gedaan, en/of- achter en/of op die [slachtoffer] is gaan liggen, en/of- voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer][slachtoffer] , en/of- onverhoeds zijn, verdachtes, vingers en/of penis in de anus van die [slachtoffer][slachtoffer] heeft geduwd/gebracht, en/of zijn penis in de vagina, althans tussen deschaamlippen, van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht, en/of(aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2011 tot en met 21 maart 2011 teOosterhout, met [slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maarnog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtigehandeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit hetseksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbendeverdachte- zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de anus van die [slachtoffer]geduwd/gebracht- zijn, verdachtes, penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer][slachtoffer] geduwd/gebracht;( art 245 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2011 tot en met 21 maart 2011 teOosterhout, met [slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeftgepleegd, bestaande uit, het meermalen, althans eenmaal,- betasten van de borsten van die [slachtoffer] , en/of- zoenen van die [slachtoffer] , en/of- betasten van de anus en/of vagina, althans schaamstreek, van die [slachtoffer][slachtoffer] , en/of- duwen van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [slachtoffer] ;( art 247 Wetboek van Strafrecht )