Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-305819-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
raadsman: mr. L.S.Th.H. Ruijters, advocaat te Eindhoven.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [slachtoffer] .
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op basis van het dossier en de gegeven verklaring van verdachte ter zitting.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 22 september 2026;
- de aangifte van [slachtoffer] van 16 mei 2025 (met bijlage), pagina 7 en verder van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2025013980 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 10 april 2025 tot en met 5 september 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door die [slachtoffer] veelvuldig berichten te sturen via Messenger en die [slachtoffer] te volgen middels een GPS-tracker met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en niet te doen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf van 150 uur en een gevangenisstraf van 2 maanden, een en ander geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Daarnaast heeft zij oplegging verzocht van een contact- en locatieverbod in de vorm van een
38v maatregel, op straffe van 2 weken hechtenis bij iedere overtreding met een maximum van 6 maanden. Van deze 38v maatregelen is de dadelijke uitvoerbaarheid gevraagd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte tot niet meer te veroordelen dan een geheel voorwaardelijke taakstraf, met daaraan verbonden de algemene voorwaarde dat verdachte geen strafbare feiten mag plegen en een meldplicht als bijzondere voorwaarde.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Via de chatdienst Messenger had verdachte aanvankelijk vriendschappelijk contact met het slachtoffer, maar dit veranderde na verloop van een paar maanden. Verdachte had de overtuiging dat haar vriend en het slachtoffer een relatie onderhielden, waarna verdachte veelvuldig Messengerberichten stuurde naar het slachtoffer, waarvan een groot deel beledigend of bedreigend van aard was. Na een stopgesprek met de politie bleef verdachte gedurende de pleegperiode van vijf maanden heel veel berichten sturen naar het slachtoffer. De controledrang van verdachte ging zelfs zo ver dat zij een GPS-tracker plaatste onder de auto van het slachtoffer. Door dit handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Dit gedrag is voor het slachtoffer uiterst onaangenaam en beangstigend geweest. Zij heeft op zitting duidelijk verwoord wat het gedrag van verdachte met haar heeft gedaan. Zij had een voortdurend gevoel van onveiligheid, sliep amper en werd beperkt in haar sociale leven. Zij zag zich zelfs genoodzaakt een andere baan te zoeken, omdat verdachte steeds rondhing bij het kantoor waar zij en de betreffende vriend van verdachte werkzaam waren. Ook het gezin van het slachtoffer heeft veel angst en stress ervaren door toedoen van verdachte. Het slachtoffer wil met rust gelaten worden en hoopt dat verdachte de benodigde professionele hulp krijgt.
De rechtbank neemt bij de strafbepaling in aanmerking dat verdachte een first offender is en slaat ook acht op de psychologische rapportage van 26 juni 2026. De psycholoog concludeert dat verdachte een ernstig getraumatiseerde vrouw is bij wie sprake is van een obsessief-compulsieve stoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis, een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken en een posttraumatische stressstoornis. Ingeschat wordt dat de doorwerking van de obsessief-compulsieve stoornis en de borderline persoonlijkheidsstoornis in het belagingsgedrag van verdachte aanzienlijk is geweest. Dit neemt niet weg dat verdachte zich op rationeel niveau bewust moet zijn geweest van het onwenselijke karakter van haar gedrag, maar dit besef naast zich neer heeft gelegd en geen poging heeft gedaan om haar gedrag bij te sturen. De psycholoog
adviseert om het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte toe te rekenen. De kans op toekomstig belagingsgeweld wordt als hoog ingeschat en er worden geen beschermende functies geconstateerd in de persoonlijkheid van verdachte. Ook wordt opgemerkt dat verdachte nog altijd meent dat ze in haar recht stond. De rechtbank onderschrijft de conclusies van de psycholoog en neemt deze over.
De psycholoog adviseert om een ambulante psychotherapeutische behandeling op te leggen gericht op de obsessief-compulsieve stoornis, in combinatie met een psychiatrisch consult om te bezien of medicatie ter afremming van de compulsies aangewezen is. Volgens verdachte zou de relatie met haar vriend inmiddels zijn beëindigd waardoor zij geen last meer zou hebben van obsessies. Wanneer dit daadwerkelijk het geval blijkt te zijn, wordt geadviseerd te onderzoeken of de diagnose obsessief-compulsieve stoornis nog steeds van toepassing is. De geadviseerde behandeling kan worden gerealiseerd binnen het juridisch kader van een bijzondere voorwaarde. Bij overname van het advies zal verdachte voor behandeling worden aangemeld bij forensische polikliniek [locatie] . Wanneer de vereiste expertise daar niet aanwezig is, wordt aanbevolen te onderzoeken of verdachte ondergebracht kan worden bij een ervaren psychotherapeut bij een van de behandelafdelingen van de GGzE.
De reclassering kan zich vinden in het advies van de psycholoog en schat het risico op recidive eveneens in als hoog. Zij schrijft in haar aanvullend advies van 7 september 2026 dat de motivatie tot gedragsverandering bij verdachte is afgenomen. Verdachte meent in haar behandelverleden alle handvatten aangereikt te hebben gekregen en weet niet op welk vlak zij nog behandeld moet worden. De reclassering adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende opname, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod.
De rechtbank heeft op de zitting van 22 september 2026 gesproken met verdachte over haar belagingsgedrag en herkent het beeld zoals dat is geschetst door de psycholoog en de reclassering. Verdachte volhardde in haar overtuiging dat haar vriend en het slachtoffer gedurende een langere periode een relatie met elkaar hadden, ondanks dat de rechtbank haar confronteerde met het feit dat hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier te vinden zijn. Hieruit blijkt dat zij haar obsessies nog altijd onderschat en toont zij geen zelfinzicht. Ook leek zij de ernst van haar handelen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer niet in te zien. Zo verklaarde zij dat als het slachtoffer had gewild dat het gedrag van verdachte stopte, zij verdachte maar had moeten blokkeren op Messenger. Verder gaf verdachte desgevraagd te kennen dat de relatie met haar vriend niet is beëindigd, maar is bekoeld. Haar focus zou echter niet meer op die vriend liggen, maar op haar gezin. Verdachte is behandelmoe en heeft verklaard haar leven door middel van euthanasie te willen beëindigen.
Alles afwegend vindt de rechtbank een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, onvoldoende recht doen aan de ernst van haar gedragingen en het leed dat zij het slachtoffer heeft aangedaan. De rechtbank acht een taakstraf van 200 uur passend en geboden. Een deel hiervan, te weten 140 uur, wordt voorwaardelijk opgelegd vanwege de geringe belastbaarheid van verdachte en om verdachte, gelet op het hoge recidivegevaar, ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank heeft kennis genomen van de uitgebreide behandelgeschiedenis van verdachte, maar is desalniettemin van oordeel dat - gelet op de geconstateerde psychische problematiek bij verdachte en het hoge recidivegevaar - oplegging van de door de reclassering geadviseerde meldplicht en ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname noodzakelijk is.
De rechtbank zal het contact- en locatieverbod opleggen in de vorm van een 38v maatregel zoals dit door het slachtoffer is verzocht en door de officier van justitie is gevorderd.
Deze maatregelen worden dadelijk uitvoerbaar verklaard, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens het slachtoffer. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het onderzoek ter zitting mogelijk een triggerende werking op verdachte heeft in het opnieuw zoeken van contact met het slachtoffer.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.500,00 voor immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van de benadeelde partij. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat zij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 2.000,00. Deze schade staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan, te weten vanaf 5 september 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Belaging;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, waarvan 140 uur, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114-116 te Eindhoven of telefoonnummer 088-8041504;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensisch polikliniek [locatie] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk.
De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie/observatie/diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Maatregelen
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1975;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaar zich niet zal ophouden in [plaats];
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00 voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Koek, voorzitter,
en mr. P.E. Althuis en mr. K. Verschueren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.E.M. Hoezen, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
zij in of omstreeks 10 april 2025 tot en met 5 september 2025 te [plaats] , gemeente Oisterwijk, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door die [slachtoffer] veelvuldig berichten te sturen (via Messenger) en/of die [slachtoffer] te volgen (middels een GPS-tracker) met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
(art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)