Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-025845-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven op het [adres 1] ,
raadsman mr. D.A. Souisa, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. F.M. van Peski en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld van een portemonnee en/of diamanten en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, gelet op de betrouwbare verklaring van aangever die wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor de twee ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft geen mogelijkheid gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen ten aanzien van aangever, wat zou moeten leiden tot uitsluiting van zijn verklaring voor het bewijs. Dat heeft tot gevolg dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de verklaring van aangever over de diamanten onbetrouwbaar is vanwege innerlijke tegenstrijdigheden en dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat sprake is van een diefstal van diamanten. De verdediging heeft daarom verzocht om verdachte van dat onderdeel vrij te spreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Bewijsuitsluiting verklaring aangever?
In het kader van het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft de verdediging in beginsel het recht om belastende getuigen te ondervragen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de rechtbank beoordelen of het proces als geheel eerlijk is verlopen, indien de rechtbank gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief - niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
De verdediging heeft een verzoek gedaan tot het horen van aangever. De rechter-commissaris heeft dit verzoek toegewezen, maar het verhoor heeft niet plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat de verdediging hierdoor niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen. De rechtbank dient aldus te beoordelen of het proces als geheel eerlijk is verlopen aan de hand van de hiervoor genoemde punten.
De reden (i) dat aangever niet kon worden gehoord is dat hij niet traceerbaar is. Uit het SKDB is gebleken dat hij op 24 augustus 2023 uit Nederland is vertrokken en er zijn geen aanknopingspunten waar hij verblijft. De rechter-commissaris heeft bij de officier van justitie en de raadslieden van zowel verdachte als medeverdachten nagevraagd of zij informatie hadden over de mogelijke verblijfplaats van aangever. Dit is zonder resultaat gebleven. De rechter-commissaris heeft het onderzoek daarom op 11 oktober 2024 gesloten. Er was dus een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van aangever. De verklaring van aangever zal bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten van zwaarwegend belang zijn (ii). De verklaring wordt echter in belangrijke mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals camerabeelden, bevindingen naar aanleiding van onderzoek aan telefoons en de verklaring van [medeverdachte 1] . Dit wordt hierna nader uiteengezet. De rechtbank ziet daarnaast factoren die compensatie bieden voor het ontbreken van het ondervragingsrecht (iii). Aangever is naast zijn aangifte vijf keer uitgebreid door de politie verhoord. Ook verdachte en medeverdachten zijn meermalen door de politie verhoord, waarbij zij de kans hebben gehad om hun verhaal te vertellen. Daarnaast heeft verdachte de gelegenheid gehad om ter zitting te verschijnen en te verklaren, maar daarvan geen gebruik gemaakt. Hierna zal de rechtbank bovendien nog expliciet ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever.
De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het bovenstaande in samenhang bezien, ondanks het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht, in het geheel sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De verklaringen van aangever kunnen dus in beginsel worden gebruikt voor het bewijs.
Betrouwbaarheid verklaringen aangever
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangever voldoende betrouwbaar zijn om te gebruiken voor het bewijs. Aangever heeft kort na het incident aangifte gedaan. Hij is vervolgens meerdere keren verhoord door de politie, waarbij soms sprake was van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de verklaringen. Aangever heeft weliswaar over sommige details wisselend verklaard, maar zijn verklaringen zijn op essentiële punten consequent en consistent. Ook worden de verklaringen van aangever op diverse punten ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier.
De rechtbank zal bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden de verklaringen van aangever als uitgangspunt nemen.
Bespreking van de feiten
Uit de camerabeelden blijkt dat op 22 december 2021 aangever zich met [medeverdachte 1] in diens appartement aan [adres 2] bevond. Zij gingen daar samen naar binnen om 14:27 uur. Aangever heeft daarover verklaard dat hij een afspraak had gemaakt met [medeverdachte 1] om zijn diamanten te gaan verkopen. Om 16:43 uur liepen twee mannen de hoofdingang van de flat binnen. Een van hen opende de hoofdingang middels een ‘druppel’ die als een sleutel fungeert en te zien is dat een van hen vervolgens handelingen verrichtte bij de voordeur van het appartement van [medeverdachte 1] en deze deur dan open gaat, waaruit blijkt dat de voordeur met een sleutel is geopend zoals ook aangever verklaart. Dit duidt erop dat dit van tevoren is afgesproken tussen [medeverdachte 1] en de twee mannen.
De rechtbank gaat er op grond van de aangifte van uit dat de twee mannen aangever in het appartement sloegen en stompten op zijn hoofd en in zijn gezicht en hem bij zijn keel pakten en diamanten/stenen en een portemonnee van hem hebben gestolen en [medeverdachte 1] daarbij de benen van aangever vasthield. Dat er geweld is gebruikt richting aangever blijkt ook uit de geneeskundige verklaring en het letsel dat de verbalisanten hebben gezien bij aangever toen zij hem buiten bij het appartement van [medeverdachte 1] aantroffen op 22 december 2021. Daarbij zagen de verbalisanten aangever ook hoesten en naar zijn keel grijpen. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat aangever is mishandeld.
Op grond van de camerabeelden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] en de twee mannen vervolgens gezamenlijk het appartement hebben verlaten. De rechtbank gaat ervan uit dat de voordeur van het appartement daarbij op slot is gedraaid en aangever is ingesloten in het appartement. Aangever heeft verklaard dat de voordeur op slot was en hij via het balkon naar buiten is gegaan en uit het proces-verbaal van de verbalisanten die ter plaatse zijn gekomen blijkt dat de balkondeur wagenwijd open stond. Daarbij blijkt uit de camerabeelden dat [medeverdachte 1] bij vertrek uit de woning een van de twee mannen aan zijn mouw trok om hem er met een handgebaar op te wijzen dat de deur op slot moest worden gedaan en zij daarna gezamenlijk weglopen. Hieruit maakt de rechtbank op dat het de bedoeling was van [medeverdachte 1] en de twee mannen dat het appartement afgesloten was en aangever het appartement niet zou kunnen verlaten.
De rechtbank acht bewezen dat de twee mannen die het appartement van [medeverdachte 1] binnenkwamen verdachte en [medeverdachte 2] zijn. Aangever heeft dit verklaard en heeft hen ook herkend op de camerabeelden. Verdachte en [medeverdachte 2] passen wat betreft postuur en zichtbare kenmerken in het signalement van de mannen op de camerabeelden. Daarbij komt dat de kleding van een van de mannen op de camerabeelden overeenkomt met kleding die [medeverdachte 2] draagt op foto’s in zijn telefoon. Ook straalde de telefoon van verdachte op het moment van het incident aan nabij het appartement van [medeverdachte 1] . Uit de telefoongegevens van verdachte en de medeverdachten blijkt daarnaast dat zij op 22 december 2021 telefonisch contact met elkaar hebben gehad. Dat verdachte en de medeverdachten diamanten/stenen hebben gestolen van aangever, blijkt ook uit het feit dat er op de telefoon van verdachte en [medeverdachte 2] foto’s zijn aangetroffen van diamanten/stenen die overeenkomen met de diamanten/stenen op de foto die aangever aan de politie heeft verstrekt.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte op belangrijke punten aantoonbaar onjuist. Zo verklaart verdachte dat hij medeverdachten niet kent, maar blijkt uit de gegevens van de telefoons van verdachte en medeverdachten dat zij veelvuldig contact met elkaar hebben gehad. Ook verklaart verdachte dat hij niets weet van diamanten of soortgelijke stenen, terwijl op zijn telefoon foto’s zijn aangetroffen van stenen die vergelijkbaar zijn met de foto van de stenen die volgens aangever zijn weggenomen.
Aangever zegt beroofd te zijn van diamanten. Hij heeft ondanks verzoeken hiertoe van de politie geen certificaten laten zien dat het inderdaad om diamanten ging. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het diamanten of hierop gelijkende voorwerpen betroffen.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van beide feiten uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de ten laste gelegde feiten en waarbij sprake was van inwisselbare rollen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Beide feiten zijn tezamen en in vereniging met medeverdachten gepleegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1
op 22 december 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wedderrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een portemonnee en meerdere diamanten of hierop gelijkende voorwerpen toebehorende aan [aangever] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en welk geweld bestond uit het vastpakken van de keel en slaan en stompen op het hoofd en gezicht van [aangever] ;
Feit 2
op 22 december 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet [aangever] gedurende een periode ingesloten in het appartement aan [adres 2] , door het appartement af te sluiten met een sleutel.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie jaar. Zij baseert zich hiervoor op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die gelden voor een woningoverval, daarbij rekening houdend met het toegepaste geweld en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Het standpunt van de verdediging
Indien de bepleite vrijspraak niet wordt gevolgd, verzoekt de verdediging rekening te houden met het feit dat niet is komen vast te staan dat de gestolen voorwerpen diamanten zijn. Het gaat niet om een diefstal van waardevolle goederen. Daarnaast verzoekt de verdediging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 22 december 2021 samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Verdachte en medeverdachten hebben met zijn drieën aangever onder valse voorwendselen naar de woning van [medeverdachte 1] laten komen en hem daar mishandelden bestolen. Verdachte en medeverdachten hebben hiermee op een listige manier misbruik gemaakt van het vertrouwen van aangever en op een buitengewoon laffe en gewelddadige manier gehandeld. Verdachte en de medeverdachten hebben aangever vervolgens opgesloten in het appartementen en hem daar met letsel achtergelaten. Zij hebben hiermee geen blijk gegeven van enig respect voor de lichamelijke en psychische integriteit van aangever en zijn eigendommen. De situatie moet voor aangever zeer intimiderend en beangstigend zijn geweest. Dit blijkt ook uit zijn verklaringen, waarin hij aangeeft naar aanleiding van het incident naar een psycholoog te gaan vanwege angstklachten. Daarnaast moest hij naar een fysiotherapeut voor zijn lichamelijke klachten. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag en heeft op onderdelen zelfs aantoonbaar leugenachtig verklaard.
De rechtbank ziet op het strafblad van verdachte dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
In het kader van de persoonlijke omstandigheden constateert de rechtbank dat verdachte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een reclasseringsrapport op te laten stellen. Uit het dossier komt wel naar voren dat verdachte een eigen bedrijf heeft.
Daarnaast dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met het tijdsverloop in deze zaak. De rechtbank stelt namelijk vast dat het recht op een berechting binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in deze zaak is geschonden. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen hem een strafvervolging in te stellen. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat verdachte vanaf 25 oktober 2022, de datum van het eerste verhoor als verdachte, redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat er strafvervolging tegen hem zou worden ingesteld in deze zaak. De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. Dat maakt dat de redelijke termijn met 15 maanden is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding het matigen van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS die gelden voor een woningoverval niet passend, nu de beroving van aangever niet in zijn eigen woning heeft plaatsgevonden en daardoor niet het veiligheidsgevoel wat van een eigen woning uitgaat is geschonden. Daar komt bij dat er hier ook sprake is van medeplegen en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van drie jaar aan de orde. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 63, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter,
en mr. R.H.M. Pooyé en mr. P.K.J. van der Wal, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 13 februari 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1
hij op of omstreeks 22 december 2021 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wedderrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of één en/of meerdere diamanten en/of een hierop gelijkend voorwerp, in elke geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,
welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever]
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond uit het grijpen en/of vastpakken van de keel en/of slaan en/of stompen op het hoofd en/of gezicht, dan wel het lichaam van [aangever] ;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 22 december 2021 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
opzettelijk [aangever]
wedderrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij/zij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet
[aangever] , gedurende een periode, ingesloten in het appartement aan de [adres 2] door het appartement af te sluiten met een sleutel.
( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )