Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-108117-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
raadsvrouw mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 september 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen op 11 april 2026 een woninginbraak heeft gepleegd aan [adres 2] .
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich hierbij op de bewijsmiddelen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraak. De verbalisanten zien bij de staandehouding van de Opel Corsa vier personen in de auto. Even later zien de verbalisanten vier personen uit de auto wegrennen, waarvan er twee richting België rennen en de andere twee richting de [straat] . [getuige] heeft verklaard dat hij drie personen heeft zien weglopen en ontkent een vierde persoon te hebben gezien. Dit kan betekenen dat er geen vierde persoon was, maar het kan ook betekenen dat deze getuige de vierde persoon niet heeft gezien. Bovendien heeft [getuige] verklaard dat er twee personen een donkere huidskleur hadden en één persoon was lichtgetint. Gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] , die bekent dat hij betrokken is en een lichte huidskleur heeft, en de ID staat van verdachte waaruit blijkt dat ook hij lichtgetint is, is dit niet met elkaar te verenigen. Daarnaast volgt uit het TMFI-rapport niet alleen dat er DNA is aangetroffen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar dat er ook een DNA-hoofdprofiel is aangetroffen van een andere persoon. Het dossier bevat aanwijzingen dat een ander dan verdachte betrokken is bij de inbraak.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat op 11 april 2026 is ingebroken in de woning op het [adres 2] . Aangever verklaart dat hij drie personen heeft zien wegrennen uit de tuin. [getuige] ziet rond hetzelfde tijdstip drie mannen lopen en in een Opel Corsa met het [kenteken] stappen.
Bij de staandehouding van de betreffende Opel Corsa zien de verbalisanten dat er vier personen in de auto zitten. Wanneer de Opel Corsa na een vluchtpoging weer tot stilstand komt, zien de verbalisanten vier personen uit de auto wegrennen. Verdachte wordt in een sloot net over de grens op Belgisch grondgebied aangetroffen Verdachte heeft verklaard één van de inzittenden van de Opel Corsa te zijn geweest, maar ontkent enige betrokkenheid bij de inbraak. Volgens verdachte was hij die avond bij een vriendin in [plaats 1] (België) en is hij enkel opgehaald door een jongen die toevallig in de buurt was. Toen de inzittenden wegrenden voor de politie, besloot hij ook weg te rennen.
[medeverdachte 1] heeft bekend de woninginbraak samen met twee anderen te hebben gepleegd. Hoewel de aanwezigheid van verdachte in de Opel Corsa en het wegrennen voor de politie aanwijzingen bieden voor de betrokkenheid van verdachte bij de woninginbraak, bevat het dossier voor het overige geen bewijs dat hij één van de drie personen is geweest die in of bij de woning van aangever waren. Uit het forensische onderzoek volgt niet dat er DNA van verdachte is aangetroffen, niet in of bij de woning van aangever en evenmin op voorwerpen in de Opel Corsa. Wel volgt uit het onderzoek dat een DNA-profiel is aangetroffen aan de binnenkant van twee handschoenen, dat met een hoge bewijskracht afkomstig is van een ander persoon, niet zijnde verdachte of een van de medeverdachten. Uit het dossier volgt niet dat nader onderzoek is verricht naar die persoon. Verder bevat het dossier geen historische telefoongegevens van verdachte die hem in (de buurt van) de woning van aangever plaatsen of anderszins bewijs voor een bijdrage van voldoende gewicht om verdachte als medepleger te kunnen aanmerken.
Gelet op de bovenstaande overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.
5. De vordering van de benadeelde partij
Benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 400,- voor het ten laste gelegde feit.
Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, en mr. H. Skalonjic en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 2 oktober 2026.
Mr. Mullers is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 11 april 2026 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenin een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de[adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten oftegen de wil van de rechthebbende bevond(en),één of meerdere sierraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan deheer [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijnmededader(s) toebehoorde(n)heeft weggenomenmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van hetmisdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onderzijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbrekingen/of inklimming;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht, art311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek vanStrafrecht, art 311 lid 2 Wetboek van Strafrecht )