Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-075270-26
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1972 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 26 juli 2025 tot en met 28 december 2025 [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft gestalkt.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, alleen in een kortere periode dan ten laste gelegd, te weten van 10 augustus 2025 tot en met 28 december 2025.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte voert geen bewijsverweer.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft over het ten laste gelegde feit een bekennende verklaring afgelegd en daarvoor geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- het proces-verbaal van aangifte van 17 oktober 2025 (pagina 6 tot en 12 van het politieprocesdossier met registratienummer PL2000-2025277983 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 125);
- van verdachte afkomstige e-mailberichten, Facebookberichten en bankoverschrijvingen (pagina 13 tot en met 30, 32 tot met 35, 37 tot en met 40, 42 tot en met 45, 48, 50 tot en met 57, 59, 60 en 62 tot en met 78 van voornoemd politieprocesdossier);
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 30 december 2025 (pagina 84 tot en met 86 van voornoemd politieprocesdossier);
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] 13 maart 2026 (proces-verbaalnummer PL2000-2025277983-3);
- de verklaring van verdachte tijdens de zitting van 18 september 2026.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden in een kortere periode dan ten laste gelegd. Het eerste e-mailbericht van verdachte aan [slachtoffer] in het dossier dateert van 10 augustus 2025 en het laatste van 15 december 2025. De rechtbank zal daarom deze periode bewezen verklaren.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 10 augustus 2025 tot en met 15 december 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door- die [slachtoffer] meerdere keren te mailen, en- meerdere berichten over die [slachtoffer] te plaatsen, en- via overboekingen bedragen naar de rekening van die [slachtoffer] over te maken, en- contact te zoeken met contacten van die [slachtoffer] ,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen en/of te dulden.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De tenlastelegging bevatte kennelijke taal-/schrijffouten, die in de bewezenverklaring zijn hersteld. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer] en een gebiedsverbod voor de straat waarin [slachtoffer] woont. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 100 uren.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte kan zich vinden in de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf. De gevorderde taakstraf is wat hem betreft echter te hoog, omdat hij wekelijks vaak al zo’n 50 tot 52 uren werkt.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vier maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner [slachtoffer] . [slachtoffer] beëindigde de relatie met verdachte, nadat zij 23 jaar samen waren geweest en wilde geen enkel contact meer met hem. Vervolgens ging verdachte [slachtoffer] veelvuldig e-mailen, zocht hij contact met haar via de omschrijvingen bij bankoverschrijvingen van € 0,01 en plaatste hij berichten over haar op zijn openbare Facebookprofiel, waarbij hij familie van [slachtoffer] verzocht om haar contact met hem op te laten nemen. Het merendeel van de berichten van verdachte zag op de verdeling van spullen en de (financiële) afhandeling van de relatie. Een aantal berichten van verdachte bevatte meer emotionele en kwetsende uitlatingen richting [slachtoffer] .
De rechtbank acht het invoelbaar dat verdachte na beëindiging van zo’n lange relatie emotioneel was en graag met [slachtoffer] in overleg wilde treden over de verdeling van spullen. Het aanhoudend contact blijven zoeken met [slachtoffer] was echter niet de juiste manier om dit te bereiken. Het was verdachte immers duidelijk dat [slachtoffer] geen contact meer met hem wilde. Niet alleen had zij hem dat duidelijk gemaakt toen zij de relatie verbrak, maar ook had zij hem op WhatsApp geblokkeerd en antwoordde zij niet of nauwelijks op zijn e-mailberichten. Ook had zij melding gedaan bij de politie van het gedrag van verdachte, waarop de politie op 3 september 2025 en 4 december 2025 stopgesprekken met hem heeft gevoerd. Desondanks bleef hij contact zoeken met [slachtoffer] .
Door zo te handelen heeft verdachte – ongeacht zijn intentie – een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] en bij haar gevoelens van angst en onrust veroorzaakt, zo blijkt onder meer uit haar aangifte. Verdachte heeft naar eigen zeggen destijds niet stilgestaan bij deze gevolgen voor [slachtoffer] . Inmiddels ziet hij de kwalijkheid van zijn handelen wel in, toont hij zich schuldbewust en betuigt hij spijt.
De persoon van verdachte
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor belaging. In het reclasseringsadvies van 4 september 2026 wordt het recidiverisico bij verdachte ingeschat als laag tot gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering verdachte een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer] op te leggen, waarbij de controle van dat verbod bij de politie wordt neergelegd.
Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat een dergelijk contactverbod wat hem betreft niet nodig is, maar dat hij de oplegging daarvan wel zou snappen en zich aan dat contactverbod zou houden. Hetzelfde geldt volgens verdachte voor de oplegging van een eventueel gebiedsverbod, zoals gevorderd door de officier van justitie.
Verdachte heeft een voltijdbaan en beschikt inmiddels over een eigen huurwoning.
De op te leggen straf
Zoals hiervoor al is opgemerkt, kan de rechtbank zich voorstellen dat verdachte na een relatie van 23 jaar praktische zaken wilde afhandelen. Een groot deel van de berichten aan [slachtoffer] is zakelijk en niet emotioneel of kwetsend. Hiermee keurt de rechtbank het gedrag van verdachte zeker niet goed – zeker nu maar liefst tweemaal een stopgesprek plaatsvond – maar deze omstandigheid wordt wel meegenomen bij het bepalen van de straf. In dat kader overweegt de rechtbank ook dat verdachte [slachtoffer] nooit heeft opgezocht, bij haar aan de deur heeft gestaan of haar telefonisch heeft lastiggevallen. Het aantal e-mailberichten is gelet op de periode beperkt. Hierdoor is sprake van belaging met een – in vergelijking met andere belagingszaken – minimale intensiteit. Ook houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte, het zelfinzicht dat hij intussen toont en het feit dat hij na december 2025 kennelijk geen contact meer heeft gezocht met [slachtoffer] . Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf niet nodig en komt zij tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar. Aan dit voorwaardelijk strafdeel koppelt de rechtbank als bijzondere voorwaarden een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer] en een gebiedsverbod voor de [straat] , zijnde de straat waarin [slachtoffer] woont. Met deze verboden wordt beoogd te voorkomen dat verdachte onverhoopt toch weer contact zoekt met [slachtoffer] . De handhaving van deze verboden wordt bij de politie neergelegd.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
belaging;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* contactverbod
dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1967. De politie ziet toe op de handhaving van dit contactverbod;
* gebiedsverbod
dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de [straat] . De politie ziet toe op de handhaving van dit gebiedsverbod;
- de van rechtswege geldende voorwaarde daarbij is:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 oktober 2026.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 26 juli 2025 tot en met 28 december 2025 teTilburg en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreukheeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,door- die [slachtoffer] één of meerdere keren te mailen en/of via WhatsApp te berichten, en/of- één of meerdere berichten over die [slachtoffer] te plaatsen, en/of- via overboekingen bedragen naar de rekening van die [slachtoffer] over te maken, en/of- contact te zoeken met één of meerdere contacten van die [slachtoffer] ,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/ofvrees aan te jagen;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )