RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-253770-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 oktober 2026
in de ontnemingszaak tegen:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats],
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
verblijvende te [plaats],
raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.
1. De procedure
De officier van justitie heeft de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. De ontnemingsvordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 september 2026, waarbij officier van justitie mr. K.M. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Betrokkene is op 5 oktober 2026 door de meervoudige kamer van deze rechtbank veroordeeld voor het samen met anderen treffen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het bewerken, verwerken, afleveren en verstrekken van cocaïne, het samen met anderen bewerken, verwerken, verstrekken, vervoeren en uitvoeren van grote hoeveelheden cocaïne, de deelname aan een criminele organisatie gericht op de bewerking van cocaïne en het samen met anderen gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 5.023.250,-. Aan betrokkene is een gevangenisstraf van tien jaren opgelegd met aftrek van het voorarrest. De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring naar het vonnis in de strafzaak van betrokkene.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman naar voren is gebracht.
2. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op € 1.320.000,- en tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de aanvankelijk gemaakte procesafspraken te volgen en het wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen op € 880.000,-. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de zaak aan te houden tot nadat er vonnis is gewezen in de hoofdzaak. Ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek heeft de raadsman tevens betoogd dat hij het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) pas op de ochtend van de zitting van 21 september 2026 heeft ontvangen. Ook heeft de verdediging opgemerkt dat het Openbaar Ministerie in de schriftelijke ontnemingsvordering het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat op € 0,-. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat het rapport niet verantwoordt waarom de hoogste bedragen zijn gekozen voor de berekening en dat het daadwerkelijk vastgestelde en aangetroffen vermogen in geen verhouding staat tot het gestelde voordeel.
4. Het oordeel van de rechtbank
Procesafspraken en aanhoudingsverzoek
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 27 augustus 2026 tijdens de behandeling van de hoofdzaak kenbaar gemaakt dat de procesafspraken geen doorgang konden vinden, aangezien betrokkene zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. Betrokkene verblijft sinds april 2023 in [plaats] en heeft - in strijd met de gemaakte procesafspraken - nagelaten zich per 1 september 2025 in Nederland te melden en nagelaten de inhoudelijke behandeling van zijn zaak bij te wonen. Gelet op dit standpunt van de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat de procesafspraken niet meer aan de orde zijn en zal het verzoek van de raadsman daarom niet volgen.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de zaak aan te houden totdat er vonnis is gewezen in de hoofdzaak. Artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht dwingt niet tot een gescheiden behandeling ter terechtzitting van de strafzaak en de ontnemingszaak. In de gevallen waarin het onderzoek naar het wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer tijd vergt dan het onderzoek naar de begane feiten, kan de behandeling ter terechtzitting tegelijkertijd plaatsvinden en kunnen de uitspraken onmiddellijk opeenvolgend worden gedaan. Daarvan is sprake in deze zaak. In de zaken van verdachte zijn het onderzoek ter zitting in de hoofdzaak en de ontnemingszaak gelijktijdig gesloten en zullen de uitspraak in de hoofdzaak en de ontnemingszaak opeenvolgend worden gedaan. Het verzoek om aanhouding wordt daarom afgewezen.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat hij het rapport pas op 21 september 2026 heeft ontvangen en zich daardoor niet goed heeft kunnen voorbereiden op de behandeling van de ontnemingszaak. De officier van justitie heeft beaamd dat de raadsman de avond voor de zitting per email om het rapport heeft verzocht en dat zij het op de ochtend van de zitting aan de raadsman heeft gemaild. De officier van justitie kan niet verklaren waarom het rapport niet eerder voor de raadsman in het digitale dossier zichtbaar was.
De rechtbank stelt vast dat het rapport dateert van 9 september 2024. De raadsman heeft op 20 maart 2025 zijn handtekening gezet onder de overeenkomst inzake de procesafspraken, waarin in bijlage B een toelichting wordt gegeven op de ontnemingsvordering en de hoogte daarvan. In de procesafspraken was ook een bedrag aan te ontnemen wederrechtelijk voordeel bepaald dat was ontleend aan het in de ontnemingsrapportage vermelde bedrag. Verder is op de terechtzitting van 27 augustus 2026 gesproken over de ontnemingsvordering en de te late oproep voor de zitting daarvoor. Dat is de reden dat de behandeling van de ontnemingsvordering is geschorst tot de zitting van 21 september 2026. Het lag dan ook op de weg van de raadsman om in een eerder stadium naar het rapport te vragen als hij daar niet over beschikte. Bovendien is de raadsman ter terechtzitting voldoende in staat gebleken de verdediging te voeren. De rechtbank gaat daarom voorbij aan deze opmerking van de raadsman.
De raadsman heeft verder aangehaald dat de officier van justitie in de schriftelijke ontnemingsvordering het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat op € 0,-. De rechtbank merkt daarover het volgende op. De officier van justitie hoeft zich in de ontnemingsvordering niet uit te laten over de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar wel tijdens het onderzoek ter terechtzitting in de ontnemingsprocedure, bij voorkeur tijdens het requisitoir (MVT, Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 97). Bovendien verbiedt de wet niet dat het geschatte bedrag wordt verhoogd. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich in requisitoir gemotiveerd en onderbouwd uitgelaten over de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Zij heeft dit bedrag overeenkomstig het rapport geschat op € 1.320.000,- en vervolgens een vordering ingediend van dat bedrag.
De grondslag van de ontneming
Het Openbaar Ministerie heeft ter zitting het gevorderde ontnemingsbedrag vastgesteld met toepassing van artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 36e, tweede lid, Sr kan worden toegepast indien de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat het om het vaststellen van de aannemelijkheid van het voordeel dat betrokkene heeft genoten.
De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan en overweegt daartoe als volgt.
Betrokkene is bij vonnis van deze rechtbank van 5 oktober 2026 voor onder meer het bewerken, verwerken, verstrekken, vervoeren en uitvoeren van cocaïne, de deelname aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf. Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat betrokkene het bewezenverklaarde heeft begaan.
De bewijsmiddelen
De rechtbank sluit voor het bewijs van de aannemelijkheid en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel integraal aan bij de bewijsvoering en al hetgeen daaromtrent is overwogen door de rechtbank in het hiervoor genoemde vonnis in de strafzaak van betrokkene. In aanvulling hierop wordt voor het bewijs gebezigd de rapportage van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport).
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van het verkregen wederrechtelijk voordeel gaat de rechtbank, net zoals de officier van justitie, uit van de berekening van de politie in het ontnemingsrapport.
Deze berekening is gebaseerd op (financiële) chatberichten tussen betrokkene (met zijn SKY-ID [account 1]) en de gebruiker van SKY-ID [account 2] (hierna: SKY-ID [account 2]). Hieruit leidt de rechtbank af dat SKY-ID [account 2] het geld van betrokkene beheert en aan betrokkene doorgeeft wat hij op zijn rekening heeft staan. In een chat van 27 januari 2021 vraagt betrokkene aan SKY-ID [account 2] om een update, waarna er vervolgens over en weer wordt gesproken over diverse geldbedragen die zijn opgehaald, gepakt of bij SKYID [account 2] zouden liggen. Op enig moment stuurt SKY-ID [account 2] een schermafbeelding van een bedrag en vermeldt daarbij dat dit is wat betrokkene totaal op zijn rekening heeft staan. Betrokkene stuurt vervolgens zelf zijn berekeningen door en stuurt: “Tot ik weg ging had ik liggen bij jou 63k/399k/500k/358k is bij elkaar 1.32 m toch of niet broer”. Oftewel, betrokkene geeft aan dat hij, bij elkaar opgeteld, de volgende geldbedragen heeft liggen bij SKY-ID [account 2]:
€ 63.000,-
€ 399.000,-
€ 500.000,-
€ 358.000,-
--------------- +
Totaal: € 1.320.000,-
In voornoemd vonnis heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat betrokkene de gebruiker was van SKY-ID [account 1]. Dit is overigens ook niet door de verdediging betwist. Daarnaast is betrokkene, doordat hij al ruim drie jaar in [plaats] verblijft, niet door de politie gehoord kunnen worden en heeft hij, noch de verdediging, een verklaring gegeven met een uitleg over deze financiële chatberichten.
Op basis van de chatberichten van betrokkene stelt de rechtbank vast dat hij op enig moment € 1.320.000,- voorhanden heeft gehad op zijn rekening bij SKY-ID [account 2]. Over dit geld had hij ook beschikkingsmacht. Dit blijkt niet alleen uit de chat van 27 januari 2021, maar ook uit eerdere chats waarin betrokkene SKY-ID [account 2] bijvoorbeeld op 17 augustus 2020 vraagt om geld naar Marbella te sturen en op 2 oktober 2020 om 90k in Tanger af te gooien. Dat van het uitstaande bedrag van € 1.320.000,- op een later moment betalingen zouden zijn verricht door [medeverdachte] tijdens de detentie van betrokkene en dat er tijdens doorzoekingen geen traceerbaar vermogen is aangetroffen, doet daar niet aan af. Het is immers niet relevant waaraan wederrechtelijk verkregen voordeel vervolgens wordt besteed. Gelet op de bewijsmiddelen, acht de rechtbank het aannemelijk dat betrokkene minimaal dit bedrag met - kortweg - het versnijden van cocaïne heeft verdiend.
Gelet op het voorgaande schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene heeft genoten op € 1.320.000,-.
Vaststelling ontnemingsbedrag
De rechtbank zal het terug te betalen bedrag vaststellen op € 1.320.000,- en zal betrokkene veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de staat.
5. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
6. De beslissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.320.000,-.
- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.320.000,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling, die bij niet betaling van het ontnemingsbedrag kan worden gevorderd, op 1.095 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter,
en mrs. C.E.M. Marsé en P.A.M. Wijffels, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 oktober 2026.