RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-253770-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 oktober 2026
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
verblijvende te [plaats] ,
raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2026, waarbij officier van justitie mr. K.M. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op 21 september 2026.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen treffen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het bewerken, verkopen en vervoeren van cocaïne (feit 1), het samen met anderen bewerken, verkopen en vervoeren, dan wel het bezit van respectievelijk 1.677 kilogram cocaïne (feit 2), 121 kilogram cocaïne (feit 3), 334 kilogram cocaïne (feit 4) en 269 kilogram cocaïne (feit 5), het samen met anderen uitvoeren van 30 kilogram cocaïne (feit 6), de deelname aan een criminele organisatie gericht op de bewerking van cocaïne (feit 7) en het samen met anderen gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 5.023.250,- (feit 8).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 6 en 8. Ten aanzien van feit 6 is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat hetgeen werd uitgevoerd daadwerkelijk cocaïne was. Ten aanzien van feit 8 is aangevoerd dat verdachte geen zeggenschap had over het geld.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 1 tot en met 6 (voorbereidingshandelingen, bewerken en uitvoeren van cocaïne)
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte is de gebruiker van het Encrochat account [account 1] en de SKY-ECC accounts [account 2] en [account 3] . Uit de chatgesprekken en de administratie van [medeverdachte 1] (met SKY-ECC account [account 4] ) blijkt dat verdachte zich van maart 2020 tot en met februari 2021 bezighield met werkzaamheden die direct of indirect met het bewerken en met name het versnijden van cocaïne te maken hadden. Verdachte gaf onder meer opdrachten en instructies aan medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en betaalde hen uit, hij regelde koks voor de cocaïneversnijdingsplaatsen (‘keukens’) en hij onderhield externe contacten met de leveranciers van de cocaïne, de opdrachtgevers. Uit de chatberichten kan worden opgemaakt op welke momenten de cocaïne werd bewerkt en vervoerd en dat verdachte daar een aansturende rol in had. De rechtbank stelt tevens vast dat verdachte precies wist waar hij het over had aangezien in de chats geregeld werd gesproken over aantal ‘stuks’, oftewel blokken van een kilo cocaïne, dan wel aantal ‘k’, oftewel € 1.000,-. Verder werden er foto’s gedeeld van witte blokken, al dan niet voorzien van stempels, en wit poeder en stapels (gesealde) pakketten contant geld.
De verdediging heeft aangevoerd dat niet is vast te stellen dat er daadwerkelijk cocaïne is uitgevoerd op 17 oktober 2020 omdat dit ook ‘mix’ kan zijn geweest. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat uit de boekhouding van [medeverdachte 1] volgt dat op 27 oktober 2020 30 stuks zijn vervoerd en niet op 17 oktober 2020. Deze verweren worden verworpen. Wanneer er sprake is van ‘mix’ dan is dat in de boekhouding ook verwoord als ‘mix’, wanneer er over - al dan niet gemixte - blokken/kilo’s cocaïne wordt gesproken wordt de afkorting ‘st.’ gebruikt. Er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat dat op 17 oktober 2020 anders zou zijn geweest. Uit zowel de chatberichten van [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] als met verdachte blijkt dat op 17 oktober 2020 ’30 stuks’ naar Antwerpen zijn gebracht. De rechtbank ziet de datum 27 oktober 2020 in de handgeschreven boekhouding gelet op de overige bewijsmiddelen als een verschrijving.
De rechtbank acht feiten 1 tot en met 6 daarom wettig en overtuigend bewezen.
Feit 7 (deelname criminele organisatie)
Om te kunnen spreken van een criminele organisatie is blijkens jurisprudentie een aantal aspecten van belang. Vereist is dat sprake is van een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Het oogmerk van de criminele organisatie dient te zijn gericht op het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen. Een betrokkene moet weten - in de zin van voorwaardelijke opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Een betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, dat in de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 februari 2021 sprake is geweest van een gestructureerde en intensieve samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet. In voornoemde periode hebben verschillende personen (in wisselende samenstellingen) samengewerkt in een gestructureerd en duurzaam verband dat als oogmerk had het bewerken en vervoeren van grote hoeveelheden cocaïne en (in het verlengde daarvan) het vervoeren van grote contante geldbedragen.
Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder de feiten 1 tot en met 6 is vastgesteld, blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode contact onderhield met klanten en in opdracht van hen blokken cocaïne bewerkte. Hij had beschikking over verschillende locaties waar cocaïne werd versneden, in volume werd vermeerderd, in blokken van 1 kilo werd geperst en van een stempel werd voorzien. Daarnaast onderhield hij contact met onder meer medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Zij werden door verdachte aangestuurd in de keukens en voerden in opdracht van hem werkzaamheden uit die direct of indirect met (het versnijden van) cocaïne te maken hadden. De rechtbank stelt vast dat er sprake was van stelselmatige activiteiten, waarbij alle verdachten, in wisselende samenstellingen, actief waren betrokken met het doel cocaïne te bewerken en te vervoeren voor de handel.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter.
Alle verdachten hebben in de ten laste gelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die verdachte leverde is naar het oordeel van voldoende intensiteit en duur geweest om hem als deelnemer van de organisatie aan te merken. Sterker nog, uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de leiding had over de organisatie. Het bewijs van het opzet van verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
Feit 8 (gewoontewitwassen)
Voor een veroordeling voor witwassen dient te worden bewezen dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2018:2352) volgt dat het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan worden bewezen als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Daarvoor moet allereerst worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de periode van 13 mei 2020 tot en met 27 januari 2021 meerdere grote contante geldbedragen voorhanden heeft gehad van in totaal € 5.023.250,-. Verdachte gaf rechtstreeks opdrachten aan anderen om grote bedragen contant geld op te halen dan wel weg te brengen. [medeverdachte 1] hield hiervan een boekhouding bij die hij naar verdachte stuurde, op basis waarvan verdachte hem uitbetaalde. Dit is een volstrekt ongebruikelijke handelwijze in het normale betalingsverkeer, alleen al omdat het gevaarlijk is om met zulke grote bedragen over straat te gaan. Bovendien werden deze geldtransporten afgewisseld met cocaïnetransporten. Hierop gelet kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Het voorhanden hebben van de geldbedragen veronderstelt feitelijke zeggenschap ten aanzien hiervan, maar niet is vereist dat deze geldbedragen zich in de fysieke nabijheid van verdachte bevonden. Uit de chats komt duidelijk naar voren dat verdachte de leider is van de criminele organisatie en dat hij de opdrachten gaf om het geld te vervoeren. De rechtbank stelt vast dat verdachte de (beschikkings)macht had over deze geldbedragen en daarmee dat hij de geldbedragen voorhanden heeft gehad. Dat verdachte de geldbedragen niet zelf fysiek in handen heeft gehad, doet daar dus niet aan af.
Op basis van het onderzoek naar de legale inkomsten van verdachte is vastgesteld dat de geldbedragen die hij voorhanden had niet uit legale inkomsten afkomstig kunnen zijn. Verdachte heeft geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd voor de herkomst van deze gelden. Gelet op het ontbreken van een dergelijke verklaring is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd. De rechtbank komt, alles in samenhang bezien, daarom tot de conclusie dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bedrag van € 5.023.250,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf. Gebleken is voorts dat gedurende de tenlastegelegde periode - een periode van ruim 8 maanden - met grote regelmaat geld werd vervoerd, zo is onder meer af te leiden uit de boekhouding van [medeverdachte 1] . Dit maakt dat de rechtbank tevens aanneemt dat verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn mededaders zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op tijdstippen in de periode van 2 maart 2020 tot en met 21 maart 2020, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren en verstrekken en bewerken en verwerken van ongeveer 1000 kilogram (1000 blokken) cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, - anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of- zich en/of anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van de hierboven bedoelde feiten, heeft verdachte en/of een van zijn mededaderso een mobiele PGP-telefoon met het beveiligingsprogramma EncroChat en/of Sky ECC voorhanden gehad en/of gebruikt, en/of
o via EncroChat als gebruiker van EncroChat ID [account 1] en/of via Sky als gebruiker van Sky ID’s [account 2] en/of [account 3] middels chatberichten contact met mededaders en contactpersonen (al dan niet in het buitenland) onderhouden en/of informatie uitgewisseld over o.a. de logistiek en/of het productieproces (verwerken en/of bewerken) en/of het transport van een of meerdere hoeveelheden cocaïne, en/of
o via voornoemde chats overleg gehad over het bestellen en/of brengen naar en/of afhalen van diverse (grote) hoeveelheden chemicaliën voor de verwerking en/of bewerking van cocaïne, en/of
o hoeveelheden chemicaliën en/of versnijdingsmiddel heeft geregeld/aangeschaft/ voorhanden gehad, en/of
o via voornoemde chats gesprekken gevoerd over mallen en/of persen ten behoeve van het productieproces (verwerken en/of bewerken) van de blokken cocaïne en/of de taken delegeert aan één of meer mededader(s) en/of
o persframes en/of persmallen voorhanden gehad en/of
o vervoer (koerier) geregeld, en/of
o “koks” geregeld voor het bewerken/verwerken/verpakken van cocaïne, en/of
o een of meer foto’s van blokken cocaïne verzonden en/of ontvangen, en/of
o (telefonische) contacten gehad en/of afspraken gemaakt met een of meer (mogelijke) leverancier(s), afnemer(s) en/of tussenperso(o)n(en), met betrekking tot de hoeveelheid, kwaliteit, levering, verpakking, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
2
op tijdstippen in de periode van 19 april 2020 tot en met 7 mei 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en verstrekt en vervoerd, totaal ongeveer 1677 kilogram (1677 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
3op tijdstippen in de periode van 11 mei 2020 tot en met 26 mei 2020 te Breda , tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en vervoerd en verstrekt totaal ongeveer 121 kilogram (121 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
4op tijdstippen in de periode van 28 juli 2020 tot en met 1 december 2020 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, totaal ongeveer 334 kilogram (334 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
5op tijdstippen in de periode van 3 augustus 2020 tot en met 5 september 2020 te Luyksgestel, in de gemeente Bergeijk, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, totaal ongeveer 269 kilogram (269 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
6op 17 oktober 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 30 kilogram (30 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
7in de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 februari 2021 in Nederland en/of in België heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer en voor zover bekend): hij, verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet;
8op tijdstippen in de periode van 13 mei 2020 tot en met 27 januari 2021 in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 5.023.250,- euro heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en van voorwerpen, te weten geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak verzocht van de feiten 6 en 8 en heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de afstand waarop de aan verdachte toegeschreven rol is uitgeoefend en met de hoeveelheden die daadwerkelijk uit de bewijsmiddelen volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich in georganiseerd verband bezig heeft gehouden met onder meer het bewerken, verwerken, vervoeren en afleveren van cocaïne. De organisatie was gespecialiseerd in het versnijden van pure cocaïne. Daartoe beschikte de organisatie over meerdere versnijdingslocaties. Meestal werd de pure cocaïne door opdrachtgevers verstrekt en na versnijding door de criminele organisatie weer terugbezorgd aan die opdrachtgevers. Verdachte was de leider van deze criminele organisatie. Hij gaf opdrachten en instructies aan de medeverdachten, betaalde hen uit, regelde de koks voor de cocaïneversnijdingsplaatsen en onderhield externe contacten. Het is algemeen bekend dat harddrugs middelen zijn die voor gebruikers sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. De grootschalige handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt veel overlast en zorgt voor andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige ondermijnende geweldsdelicten. Dit veroorzaakt binnen de Nederlandse maatschappij voor een groot gevoel van onveiligheid. Verdachte stuurde de criminele organisatie aan en heeft dan ook een wezenlijke bijdrage geleverd aan deze feiten. Dat het criminele handelen van verdachte voor hem ook zeer lucratief is geweest blijkt onder meer uit de door hem gepleegde witwasactiviteiten. Gedurende een periode van ruim 8 maanden heeft verdachte ruim 5 miljoen euro witgewassen, zodat van gewoontewitwassen sprake is. Witwassen resulteert doorgaans in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Om al deze gevolgen heeft verdachte zich niet bekommerd en hij heeft kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag. Dit alles is de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld.
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 6 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de leidinggevende en aansturende rol van verdachte bij de bewezen verklaarde feiten. Verdachte had een belangrijke en bepalende rol binnen de criminele organisatie. In een eerder stadium hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben geen doorgang kunnen vinden, omdat verdachte zich niet aan de overeengekomen voorwaarden heeft gehouden. Verdachte heeft zich namelijk niet (uiterlijk) per 1 september 2025 in Nederland gemeld en was evenmin aanwezig op de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie daarom een aanzienlijk hogere strafeis geformuleerd dan was overeengekomen in de procesafspraken. Gelet op de aard en de ernst van de feiten, in samenhang bezien met alle overige omstandigheden van het geval, vindt de rechtbank de strafeis passend en geboden. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar opleggen.
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 4 april 2023, na de aanhouding van verdachte. Indien geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaren. Tot aan dit vonnis is een periode van drie-en-een-haf jaar verstreken.
Er is in deze zaak echter sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk een groot en langlopend onderliggend onderzoek met een veelvoud aan verdachten, een omvangrijk dossier en een internationale component. Daarnaast hebben de onderhandelingen over het maken van procesafspraken bijna twee jaar geduurd. Deze vertraging rekent de rechtbank aan de verdachte toe. De rechtbank is daarom van oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het
vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 5: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 6: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de
Opiumwet gegeven verbod;
feit 7: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf
als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en 10a, eerste lid, Opiumwet;
feit 8: medeplegen van gewoontewitwassen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter,
en mrs. C.E.M. Marsé en P.A.M. Wijffels, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 oktober 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 02 maart 2020 tot en met 21 maart 2020, te Breda en/of Roosendaal, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of bewerken en/of verwerken en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 1000 kilogram (1000 blokken) cocaïne, in elk geval een of meerdere (forse) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of zijnde een ander middel zoals genoemd in lijst I van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)- één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en), heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens)o een mobiele PGP-telefoon met het beveiligingsprogramma EncroChat en/of Sky ECC voorhanden gehad en/of gebruikt, en/ofo via EncroChat als gebruiker van EncroChat ID [account 1] en/of via Sky als gebruiker van Sky ID’s [account 2] en/of [account 3] middels chatberichten contact met één of meer mededader(s) en/of contactperso(o)n(en) (al dan niet in het buitenland) onderhouden en/of informatie uitgewisseld over o.a. de logistiek en/of het productieproces (verwerken en/of bewerken) en/of het transport van een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, en/ofo via voornoemde chat(s) overleg gehad over het bestellen en/of brengen naar en/of afhalen van diverse (grote) hoeveelheden chemicaliën voor de verwerking en/of bewerking van cocaïne, en/ofo hoeveelheden chemicaliën en/of versnijdingsmiddel heeft geregeld/aangeschaft/ voorhanden gehad, en/ofo via voornoemde chat(s) gesprekken gevoerd over (een) mal(len) en/of (een) pers(en) ten behoeve van het productieproces (verwerken en/of bewerken) van de blokken cocaïne waarbij verdachte verantwoording aflegt aan Sky ID [account 5] en/of de taken delegeert aan één of meer mededader(s) en/ofo persframe(s) en/of persmal(len) voorhanden gehado vervoer (koerier) geregeld, en/ofo (een) “kok(s)” geregeld voor het bewerken/verwerken/verpakken van cocaïne, en/ofo een of meer foto’s van blokken cocaïne verzonden en/of ontvangen, en/ofo (telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of afspra(a)k(en) gemaakt met een of meer (mogelijke) producent(en), leverancier(s), financier(s), afnemer(s) en/of tussenperso(o)n(en), met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer van eerdergenoemde hoeveelheid cocaïne;
2hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 april 2020 tot en met 7 mei 2020 te Breda , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 1677 kilogram (1677 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 26 mei 2020 te Breda , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 121 kilogram (121 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 28 juli 2020 tot en met 1 december 2020 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 334 kilogram (334 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 03 augustus 2020 tot en met 05 september 2020, in elk geval op of omstreeks 03 augustus 2020 te Luyksgestel, in de gemeente Bergeijk, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 269 kilogram (269 blokken) cocaïne, althans (ongeveer) 150 kilogram (150 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
6hij op of omstreeks 17 oktober 2020 te Breda , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 30 kilogram (30 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelheid(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
7hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2020 tot en met 1 februari 2021 te Breda en/of te Zevenbergen en/of te Luyksgestel, althans in Nederland en/of in België en/of in Marokko heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer en/of voor zover bekend): hij, verdachte en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] , die tot oogmerk had(den) het plegen van een of meerdere misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet;
8hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 mei 2020 tot en met 27 januari 2021 te Breda en/of Amsterdam en/of Galder en/of Utrecht en/of Eindhoven, althans in Nederland en/of Antwerpen te België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen voorwerpen, te weten (een) (of meerdere) geldbedrag(en) van (in totaal) 5.023.250,- euro, althans enig geldbedrag (pv nr. 827), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten (een) (of meerdere) geldbedrag(en) van (in totaal) 5.023.250,- euro, althans enig geldbedrag (pv nr. 827) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;
subsidiair:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 mei 2020 tot en met 27 januari 2021 te Breda en/of Amsterdam en/of Galder en/of Utrecht en/of Eindhoven, althans in Nederland en/of Antwerpen te België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen voorwerpen, te weten (een) (of meer) geldbedrag(en) van (in totaal) 5.023.250,- euro, althans enig geldbedrag (pv nr. 827), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf.