RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-273639-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 oktober 2026
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2026, waarbij officier van justitie mr. K.M. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt Het onderzoek is gesloten op 21 september 2026.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen uitvoeren van 32 kilogram cocaïne (feit 1), respectievelijk 30 kilogram cocaïne (feit 2), het samen met anderen invoeren van 36 kilogram cocaïne (feit 3), het op verschillende momenten samen met anderen in het bezit hebben van cocaïne (feit 4), de deelname aan een criminele organisatie gericht op de bewerking van cocaïne (feit 5) en het samen met anderen gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 3.827.250,- (feit 6).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 tot en met 3. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet wist wat hij vervoerde en dat niet kan worden vastgesteld dat het ten laste gelegde daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat de periode moet worden ingekort naar vier tot zeven maanden, gelet op de verklaring van verdachte. Ten aanzien van de feiten 4 en 6 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten 1 (uitvoer 32 kg), 2 (uitvoer 30 kg), 3 (invoer 36 kg) en 4 (aanwezig hebben cocaïne)
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte is de gebruiker van het SKY-ECC account [nummer] . Met dit account heeft verdachte chatberichten en afbeeldingen van een administratie verstuurd. Uit de administratie van verdachte in combinatie met de chatgesprekken blijkt dat hij in ieder geval van 13 mei 2020 tot en met 20 december 2020 actief was binnen de criminele organisatie en cocaïne en geld vervoerde. Verdachte deed dit met name in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1] . Hij legde verantwoording aan hem af en stuurde [medeverdachte 1] desgevraagd afbeeldingen van zijn boekhouding, op grond waarvan hij kreeg uitbetaald. Op enig moment liet [medeverdachte 1] verdachte weten dat hij nog 46k (de rechtbank begrijpt € 46.000,-) voor hem had liggen. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte in overeenstemming met de door hem bijgehouden boekhouding, in de tenlastegelegde periode diverse ritten maakte waarbij hij cocaïne dan wel grote contante geldbedragen vervoerde en dat hij daar ook daadwerkelijk voor betaald kreeg.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij heeft gereden met vierkante, zwart verpakte blokken en met grote geldbedragen en dat hij wist dat dat niet mocht. Verder blijkt uit de boekhouding en de chatberichten dat verdachte zeer goed betaald werd voor het uitvoeren van deze ritjes. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat verdachte wist dat hij harddrugs en geld vervoerde. Hij heeft ter zitting erkend dat hij wist dat wat hij deed niet mocht. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor legale koeriersritjes niet zulke riante bedragen worden betaald. Ook was verdachte er precies van op de hoogte hoeveel hij vervoerde. Hij hield nauwkeurig bij hoeveel ‘stuks’, oftewel blokken van een kilo cocaïne, en hoeveel ‘k’, oftewel € 1.000,-, hij vervoerde en op welke data hij dat deed. Dat hij onder deze omstandigheden geen wetenschap had dat hij cocaïne vervoerde acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk.
De rechtbank acht de feiten 1 tot en met 4 dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 5 (deelname criminele organisatie)
Om te kunnen spreken van een criminele organisatie is blijkens jurisprudentie een aantal aspecten van belang. Vereist is dat sprake is van een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen, met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Het oogmerk van de criminele organisatie dient te zijn gericht op het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen. Een betrokkene moet weten - in de zin van voorwaardelijke opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Een betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, dat in de periode 1 maart 2020 tot en met 1 februari 2021 sprake is geweest van een gestructureerde en intensieve samenwerking gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet. In voornoemde periode hebben verschillende personen (in wisselende samenstellingen) samengewerkt in een gestructureerd en duurzaam verband dat als oogmerk had het bewerken en vervoeren van grote hoeveelheden cocaïne en (in het verlengde daarvan) het vervoeren van grote contante geldbedragen.
Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder de feiten 1 tot en met 4 is vastgesteld, blijkt dat verdachte zich in ieder geval in de periode van 13 mei 2020 tot en met 20 december 2020 bezighield met het vervoeren van grote hoeveelheden cocaïne en contant geld. Meestal binnen Nederland, maar soms ook naar België of van België terug naar Nederland. Verdachte deed dit met name in opdracht van [medeverdachte 1] en hield daar een nauwkeurige boekhouding van bij. Uit deze boekhouding blijkt dat verdachte doorgaans meerdere dagen per week cocaïne of geld vervoerde. Verdachte had in dit verband nauw contact met zowel [medeverdachte 1] als medeverdachte [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 3] werden ook aangestuurd door [medeverdachte 1] en voerden diverse werkzaamheden uit die direct of indirect te maken hadden met het bewerken van cocaïne. De rechtbank stelt vast dat er sprake was van stelselmatige activiteiten, waarbij alle verdachten, in wisselende samenstellingen, actief waren betrokken met het doel cocaïne te bewerken en te vervoeren voor de handel.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het samenwerkingsverband als een organisatie kan worden aangemerkt met een gestructureerd en duurzaam karakter.
Alle verdachten hebben in de ten laste gelegde periode deelgenomen aan deze organisatie. De bijdrage die verdachte leverde is naar het oordeel van voldoende intensiteit en duur geweest om hem als deelnemer van de organisatie aan te merken. Het bewijs van het opzet van verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie als op het oogmerk van de organisatie, volgt reeds uit de bewijsmiddelen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring de periode moet worden beperkt, aangezien verdachte heeft verklaard dat hij gedurende vier tot zeven maanden ritten heeft uitgevoerd. Uit de boekhouding van verdachte volgt dat hij in ieder geval actief is geweest van 13 mei 2020 tot en met 20 december 2020. De rechtbank zal de bewezenverklaarde periode daartoe beperken
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
Feit 6 (gewoontewitwassen)
Voor een veroordeling voor witwassen dient te worden bewezen dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2018:2352) volgt dat het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan worden bewezen als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Daarvoor moet allereerst worden vastgesteld of de feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.
Uit de door verdachte bijgehouden boekhouding en uit de chatberichten blijkt dat hij in de periode van 13 mei 2020 tot en met 10 november 2020 meerdere (grote) contante geldbedragen voorhanden heeft gehad van in totaal € 3.827.250,-. Verdachte heeft veel contant geld opgehaald en weggebracht. Dit is een volstrekt ongebruikelijke handelwijze in het normale betalingsverkeer, alleen al omdat het gevaarlijk is om met zulke grote bedragen over straat te gaan. Bovendien wisselt verdachte deze geldtransporten af met cocaïnetransporten. Hierop gelet kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Op basis van het onderzoek naar de legale inkomsten van verdachte is vastgesteld dat de geldbedragen die hij voorhanden had niet uit legale inkomsten afkomstig kunnen zijn. Verdachte heeft geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van deze gelden. Gelet op het ontbreken van een dergelijke verklaring is de rechtbank van oordeel dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd. De rechtbank komt, alles in samenhang bezien, daarom tot de conclusie dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring overblijft. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bedrag van € 3.827.250,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 19 juli 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 32 kilogram (32 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
2op 17 oktober 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 30 kilogram (30 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
3op tijdstippen in de periode van 10 oktober 2020 tot en met 27 oktober 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht in totaal ongeveer 36 kilogram (36 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
4op tijdstippen in de periode van 20 juli 2020 tot en met 07 oktober 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal ongeveer 71 kilogram (71 stuks) cocaïne, te weten- 15 kilogram (stuks) op 20 juli 2020 en - 8 kilogram (stuks) op 02 september 2020 en - 16 kilogram (stuks) op 04 september 2020 en - 20 kilogram (stuks) op 08 september 2020 en - 3 kilogram (stuks) op 26 september 2020 en - 9 kilogram (stuks) in de periode van 06 oktober 2020 tot en met 07 oktober 2020zijnde middelen vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
5in de periode van 13 mei 2020 tot en met 20 december 2020 in Nederland en/of in België heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer en voor zover bekend): hij, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet;
6.op tijdstippen in de periode van 13 mei 2020 tot en met 10 november 2020 in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 3.827.250,- euro heeft voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en zes maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een taakstraf of eventueel een voorwaardelijk strafdeel.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich in georganiseerd verband bezig heeft gehouden met onder meer het bewerken, verwerken, vervoeren en afleveren van cocaïne en met witwassen. De organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte was gespecialiseerd in het versnijden van pure cocaïne. Daartoe beschikte de organisatie over meerdere versnijdingslocaties. Meestal werd de pure cocaïne door opdrachtgevers verstrekt en na versnijding door de criminele organisatie weer terugbezorgd aan die opdrachtgevers. Verdachte vervulde in deze organisatie de rol van koerier; hij heeft pure cocaïne opgehaald en versneden cocaïne weer afgeleverd aan de opdrachtgevers. Daarnaast heeft hij grote contante geldbedragen opgehaald en afgegeven in opdracht van de leider(s) van de organisatie. Verdachte werd hier riant voor betaald.
Het is algemeen bekend dat harddrugs middelen zijn die voor gebruikers sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. De grootschalige handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt veel overlast en zorgt voor andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige ondermijnende geweldsdelicten. Dit veroorzaakt binnen de Nederlandse maatschappij voor een groot gevoel van onveiligheid. Dat het criminele handelen van verdachte voor hem ook zeer lucratief is geweest blijkt onder meer uit de door hem gepleegde witwasactiviteiten. Witwassen resulteert doorgaans in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Om al deze gevolgen heeft verdachte zich niet bekommerd en hij heeft kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag.
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 14 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.
Reclassering Nederland heeft op 11 augustus 2026 een rapport opgemaakt over verdachte. Hieruit volgt onder meer dat verdachte in 2014 is gediagnosticeerd met LVB-problematiek. De reclassering sluit niet uit dat de beïnvloedbaarheid van verdachte, die waarschijnlijk verband houdt met zijn licht verstandelijke beperking, een rol speelde in het geheel. Dit ziet de reclassering als risicoverhogende factor. Verdachte heeft daarnaast onvoldoende financiële vaardigheden, wat in het verleden al tot financiële problemen leidde. Verdachte lijkt te verkeren in een negatief sociaal netwerk waarbij hij makkelijk geld kan ‘lenen’ bij derden. Tevens heeft hij langere tijd geen zinvolle dagbesteding. Hoewel niet duidelijk is in hoeverre zijn financiële situatie, dagbesteding en sociaal netwerk een rol speelden bij de verdenking, worden deze factoren wel als risicoverhogend gezien. Verdachte is sinds kort woonachtig in [plaats] . Hoewel er sprake lijkt te zijn van een pro-criminele houding ten tijde van de verdenking, lijkt die in ernst te zijn afgenomen. Verdachte heeft zich gedurende het bijna drie jaar durende schorsingstoezicht overwegend aan de voorwaarden gehouden en meegewerkt aan de gestelde doelen. Hoewel vooruitgang is geboekt op praktische leefgebieden, waaronder het aflossen van zijn schulden, bleef het contact gekenmerkt door beperkte openheid en een aanhoudend wantrouwen richting hulpverlening. Hierdoor waren de mogelijkheden om risicogedrag tijdig te signaleren en gedragsverandering te bewerkstelligen beperkt. Gelet op het uitblijven van verdere veranderbaarheid binnen een forensisch kader, acht de reclassering het voortzetten van forensische interventies niet zinvol.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de rol van verdachte. Verdachte heeft in een periode van zeven maanden als koerier vaak meerdere dagen per week meegewerkt aan het (al dan niet van of naar het buitenland) vervoeren van grote hoeveelheden cocaïne en contante geldbedragen. Aldus vervulde hij een cruciale rol binnen de organisatie. De leider(s) van deze organisatie moeten een groot vertrouwen in verdachte hebben gehad om hem de kostbare vracht toe te vertrouwen. Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren en zes maanden in beginsel op zijn plaats.
De rechtbank dient echter rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 18 april 2023, omdat verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie-en-een-half jaar verstreken.
Er is in deze zaak sprake van een groot en langlopend onderliggend onderzoek met een veelvoud aan verdachten, een omvangrijk dossier en een internationale component. Daarnaast hebben de onderhandelingen over het maken van procesafspraken met de medeverdachten bijna twee jaar geduurd. Deze vertraging is echter niet aan verdachte te wijten. De redelijke termijn in deze zaak is twee jaar. Dat betekent dat deze termijn met anderhalf jaar is geschonden. De rechtbank zal de straf daarom met zes maanden matigen en aan verdachte een gevangenisstraf van zes jaar opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
7. Het beslag
De in beslag genomen geldbedragen zullen worden verbeurd verklaard. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn door middel van de strafbare feiten verkregen.
Ten aanzien van de vorderingen op de bankrekeningen en de in beslag genomen telefoon zal een last worden gegeven tot teruggave aan verdachte.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de
Opiumwet gegeven verbod;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de
Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de
Opiumwet gegeven verbod;
feit 5: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf
als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en 10a, eerste lid, Opiumwet;
feit 6: medeplegen van gewoontewitwassen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd:
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter,
en mrs. C.E.M. Marsé en P.A.M. Wijffels, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 oktober 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij op of omstreeks 19 juli 2020 te Breda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 32 kilogram (32 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2hij op of omstreeks 17 oktober 2020 te Breda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 30 kilogram (30 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 10 oktober 2020 tot en met 27 oktober 2020 te Breda, althans ergens in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 36 kilogram (36 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 07 oktober 2020 te Breda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 71 kilogram (71 stuks) cocaïne (pv nr. 193 en pv nr. 177), te weten- 15 kilogram (stuks) op of omstreeks 20 juli 2020 en/of- 8 kilogram (stuks) op of omstreeks 02 september 2020 en/of- 16 kilogram (stuks) op of omstreeks 04 september 2020 en/of- 20 kilogram (stuks) op of omstreeks 08 september 2020 en/of- 3 kilogram (stuks) op of omstreeks 26 september 2020 en/of- 9 kilogram (stuks) in op omstreeks de periode van 06 oktober 2020 tot en met 07 oktober 2020in elk geval (telkens) een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2020 tot en met 01 februari 2021 te Breda en/of te Zevenbergen en/of te Luyksgestel, althans in Nederland en/of in België en/of in Marokko heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer en/of voor zover bekend): hij, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , die tot oogmerk had(den) het plegen van een of meerdere misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet;
6.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 mei 2020 tot en met 10 november 2020 te Breda en/of Galder en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Eindhoven, althans in Nederland en/of Antwerpen te België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen voorwerpen, te weten (een) (of meer) geldbedrag(en) van (in totaal) 3.827.250,- euro, althans enig geldbedrag (pv nr. 825), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten (een) (of meer) geldbedrag(en) van (in totaal) 3.827.250,- euro, althans enig geldbedrag (pv nr. 825) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;
subsidiair:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 mei 2020 tot en met 10 november 2020 te Breda en/of Galder en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Eindhoven, althans in Nederland en/of Antwerpen te België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen voorwerpen, te weten (een) (of meer) geldbedrag(en) van (in totaal) 3.827.250,- euro, althans enig geldbedrag (pv nr. 825), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) onmiddellijk afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf.