RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-299469-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 oktober 2026
in de strafzaak tegen verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
raadsman mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is behandeld op de zitting van 27 augustus 2026, waarbij officier van justitie mr. K.M. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op 21 september 2026.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen bewerken van cocaïne, dan wel de medeplichtigheid hieraan (feit 1), het samen met anderen bewerken, verkopen en vervoeren, dan wel het bezit van 58 kilogram cocaïne (feit 2) en 269 kilogram cocaïne (feit 3) en de deelname aan een criminele organisatie gericht op de bewerking van cocaïne (feit 4).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De procesafspraken
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst, welke is ondertekend door verdachte en zijn raadsman op 27 augustus 2026. Voorafgaand aan de zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
De procesafspraken houden, in de kern, het volgende in:
De gehele overeenkomst met de procesafspraken is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 27 augustus 2026, alwaar de procesafspraken zijn besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak zal plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen van artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft besproken, dat de afspraken vrijwillig zijn gemaakt en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt - in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten - en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is overeengekomen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
5. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten zoals zij met de verdediging is overeengekomen en heeft dan ook verzocht de procesafspraken te volgen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er een bewezenverklaring dient te volgen voor alle ten laste gelegde feiten.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de bewijsmiddelen in het dossier. Gelet op de procesafspraken volstaat de rechtbank met een verkort vonnis.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op tijdstippen in de periode van 11 mei 2020 tot en met 26 mei 2020 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en vervoerd en verstrekt totaal ongeveer 121 kilogram (121 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
2in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 17 augustus 2020 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, totaal ongeveer 58 kilogram (58 blokken) cocaïne, zijnde een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
3op tijdstippen in de periode van 3 augustus 2020 tot en met 5 september 2020 te Luyksgestel, in de gemeente Bergeijk, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, totaal ongeveer 269 kilogram (269 blokken) cocaïne, een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
4in de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 februari 2021 in Nederland en/of in België heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer en voor zover bekend): hij, verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
6. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform de procesafspraken gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 50.000,-.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich in georganiseerd verband bezig heeft gehouden met onder meer het bewerken, verwerken, vervoeren, afleveren en verstrekken van cocaïne. De organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte was gespecialiseerd in het versnijden van pure cocaïne. Daartoe beschikte de organisatie over meerdere versnijdingslocaties. Meestal werd de pure cocaïne door opdrachtgevers verstrekt en na versnijding door de criminele organisatie weer terugbezorgd aan die opdrachtgevers. Verdachte heeft, als onderdeel van de organisatie, niet alleen zijn woning (“ [locatie] ”) ter beschikking gesteld als locatie voor het versnijden van cocaïne, ook is hij zelf actief geweest bij het productieproces op verschillende locaties.
Het is algemeen bekend dat dergelijke harddrugs middelen zijn die voor gebruikers sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. De grootschalige handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt bovendien veel overlast en zorgt ook voor diverse andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldsmisdrijven. Om al deze gevolgen heeft verdachte zich niet bekommerd. Hij heeft kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag.
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 14 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en met de door de Landelijke Commissie voor Straftoemeting opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten).
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 18 april 2023, toen verdachte werd aangehouden. Indien geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Tot aan dit vonnis is een periode van drie-en-een-haf jaar verstreken.
Er is in deze zaak echter sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk een groot en langlopend onderliggend onderzoek met een veelvoud aan verdachten, een omvangrijk dossier en een internationale component. Daarnaast hebben de onderhandelingen over het maken van procesafspraken bijna twee jaar geduurd. Deze vertraging rekent de rechtbank aan de verdachte(n) toe. De rechtbank is daarom van oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden.
Hoewel de feiten aanzienlijke tijd geleden zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een zwaardere straf dan opgenomen in de procesafspraken aangewezen is.
De rechtbank is echter van oordeel dat de procesafspraken in deze zaak nopen tot een andere afweging. Dit resulteert in een lagere straf. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit gerechtvaardigd is, omdat verdachte heeft meegewerkt aan de procedure die heeft geleid tot een efficiëntere rechtspleging. Er is sprake van een groot en langlopend onderliggend onderzoek, met een veelvoud aan verdachten en tevens een lange periode waarin onderhandeld is over het maken van procesafspraken. Er zijn door de verdediging geen onderzoekswensen ingediend en de behandeling van de strafzaak heeft tijdens het onderzoek ter zitting minder tijd in beslag genomen dan gebruikelijk is, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een eventueel hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op in het afdoen van deze zaak en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
Indien er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, had de officier van justitie een gevangenisstraf van zes jaren geëist. Door de verdediging en de officier van justitie is een straf overeengekomen die niet dusdanig van aard is, dat de afwijking nationaal of internationaal uitzonderlijk is. De matiging wordt door de rechtbank als passend beschouwd.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straf onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten en tot de rol die verdachte daarin heeft gehad. De rechtbank zal dan ook opleggen een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 50.000,-. Indien de geldboete niet wordt betaald, staan hier 240 dagen vervangende hechtenis tegenover.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8. Voorlopige hechtenis
Verdachte loopt in een geschorst bevel voorlopige hechtenis. Verdachte heeft ter zitting de wens uitgesproken om meteen uitvoering te geven aan de procesafspraken en zijn straf verder uit te zitten. Gelet hierop en nu dit in het belang is van de hiervoor genoemde voortvarende executie van opgelegde straffen, zal de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 47, 57 en van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf
als bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, en 10a, eerste lid, Opiumwet;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 50.000,-;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, een vervangende hechtenis zal worden toegepast van 240 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft de schorsing van de voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter,
en mrs. G.M.J. Kok en P.A.M. Wijffels, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. van Biert, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 oktober 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 26 mei 2020 te Breda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 121 kilogram (121 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 26 mei 2020 te Breda, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk hebben/heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig gehad (ongeveer) 121 kilogram (121 blokken) cocaïne, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2020 tot en met 26 mei 2020 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een (deel van) een/zijn woning (aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen;
2hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 01 augustus 2020 tot en met 17 augustus 2020 te Zevenbergen, gemeente Moerdijk, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 58 kilogram (58 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3hij op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 03 augustus 2020 tot en met 05 september 2020, in elk geval op of omstreeks 03 augustus 2020 te Luyksgestel, in de gemeente Bergeijk, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad totaal (ongeveer) 269 kilogram (269 blokken) cocaïne, althans (ongeveer) 150 kilogram (150 blokken) cocaïne, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) (een) middel(en) vermeld op lijst I bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2020 tot en met 01 februari 2021 te Breda en/of te Zevenbergen en/of te Luyksgestel, althans in Nederland en/of in België en/of in Marokko heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder meer en/of voor zover bekend): hij, verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] , die tot oogmerk had(den) het plegen van een of meerdere misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet.