Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-348687-25 en 02-277023-24 (TUL)
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [de PI] ,
raadsman mr. J.J. van ‘t Hoff, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 december 2025
feit 1: samen met een ander opzettelijk een oliebollenkraam in [plaats] in brand heeft gestoken, waardoor gevaar voor goederen en andere personen is ontstaan;
feit 2: heeft geprobeerd [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit partiële vrijspraak van feit 1. Uit het dossier blijkt niet dat de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander opleverde, zodat verdachte van dat strafverzwarende bestanddeel moet worden vrijgesproken. Voor het overige voert de verdediging ten aanzien van feit 1 geen bewijsverweer.
De verdediging bepleit vrijspraak van feit 2. Er kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde] .
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op 22 december 2025 zijn politieambtenaren aanwezig in de [locatie] in [plaats] . Zij nemen daar het volgende hebben waar:
Omstreeks 02.15 uur parkeert een Volkswagen Golf in de [straat 1] . Verdachte stapt als bestuurder uit deze auto en [medeverdachte] als bijrijder. Zij lopen naar de kofferbak van deze auto, openen deze en sluiten deze kort daarna weer. Vervolgens lopen zij in de richting van de [straat 2] . De medeverdachte heeft in zijn rechterhand een kleine zwarte jerrycan. Verdachte heeft in zijn rechterhand een donkere staaf en in zijn linkerhand een zwarte jerrycan. Zij lopen naar de oliebollenkraam die in het midden staat van de parkeerplaats van winkelcentrum [locatie] . Deze oliebollenkraam is afgesloten en het luik is naar beneden. Verdachte en de medeverdachte staan aan de zijkant bij de deur van de oliebollenkraam. Er is vanuit de oliebollenkraam een hard krakend en brekend geluid te horen. Direct hierna gaat de deur van de oliebollenkraam open en gaan zowel verdachte als de medeverdachte de oliebollenkraam in. Even later komen zij de oliebollenkraam weer uit en staan bij de nog openstaande deur. Verdachte steekt iets kleins in brand dat hij in zijn hand vasthoudt en gooit dit brandende deel door de open deur de oliebollenkraam in, waarna meteen een enorme steekvlam in de oliebollenkraam is te zien. Het vuur blijft branden en er komt een behoorlijke rookwolk vrij. Verdachte en de medeverdachte rennen vervolgens terug naar de Volkswagen Golf.
De in burger geklede politieambtenaar [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) komt op dat moment ook aan bij de Volkswagen Golf en roept “politie jullie zijn aangehouden”. Verdachte stapt in aan de bestuurderskant en de medeverdachte aan de bijrijderskant. [benadeelde] geeft een klap tegen het portierraam en trekt het bestuurdersportier open. Hij staat op dat moment tussen de Volkswagen Golf en een daarnaast geparkeerde Mercedes in. [benadeelde] denkt dat de ruimte tussen deze voertuigen ongeveer dertig centimeter was. [benadeelde] hoort dat verdachte de motor start en ziet dat verdachte de Volkswagen Golf in de eerste versnelling wil zetten. [benadeelde] duikt met zijn lichaam de Volkswagen Golf in en trekt de versnellingspook uit de versnelling. [benadeelde] zegt nogmaals “politie, je bent aangehouden”, waarop verdachte reageert “ik werk mee ik werk mee”. [benadeelde] zegt dan “motor uitzetten”, waarop verdachte reageert “is goed is goed ik werk mee”. [benadeelde] ziet dat verdachte met zijn hand naar het contactslot gaat en op dat moment zet verdachte de Volkswagen Golf in de eerste versnelling, hoort hij verdachte gas geven, voelt hij dat de auto in beweging komt en ziet hij dat verdachte naar links stuurt, de kant waar hij staat. De ruimte tussen de Volkswagen Golf en de Mercedes wordt hierdoor nog kleiner, waardoor [benadeelde] als enige optie ziet om de Volkswagen Golf in te springen. Het lukt [benadeelde] niet om zijn beide benen op tijd in de Volkswagen Golf te trekken, waardoor hij met zijn linkervoet bekneld raakt tussen het portier en de dorpel van de Volkswagen Golf. Het portier zit vast tegen de Mercedes, waardoor hij zijn linkervoet niet los krijgt. Hij voelt direct een zeer heftige pijn aan zijn linkervoet en -onderbeen. [benadeelde] schreeuwt naar verdachte dat hij moet stoppen. Dit doet verdachte en verdachte zet de motor uit. Een andere politieambtenaar trekt verdachte via de passagierszijde uit de Volkswagen Golf. [benadeelde] roept naar zijn collega’s dat de Volkswagen Golf naar achteren moet, omdat hij nog altijd bekneld zit. Zijn collega’s geven hier gehoor aan en [benadeelde] kan zijn linkervoet tussen het portier en de dorpel vandaan halen. Direct hierna kan hij niet op zijn linkervoet steunen en ziet hij diverse afdrukken en blauwe plekken op deze voet en boven zijn linkerenkel.
Uiteindelijk wordt verdachte aangehouden, waarbij hij op de grond komt te liggen en onder hem een aansteker wordt aangetroffen. Een andere politieambtenaar probeert de medeverdachte aan te houden, maar de medeverdachte vlucht de auto uit en rent weg. Tijdens zijn vlucht gooit hij een aansteker weg. Iets verderop wordt de medeverdachte alsnog aangehouden en wordt de aansteker aangetroffen. Na de aanhoudingen wordt gezien dat er voor de bijrijdersstoel van de Volkswagen Golf een koevoet staat en een jerrycan ligt, waaruit benzine loopt.
Uit informatie van de brandweer volgt dat op het moment dat zij ter plaatse komen, de vlammen al uit de open deur van de oliebollenkraam slaan. De brandweer treft vier gasflessen bij de oliebollenkraam aan, waarvan er één bij de brand is betrokken. De andere drie gasflessen staan buiten de oliebollenkraam achter een houten bekisting.
Feit 1
Medeplegen brandstichting
Uit de hiervoor beschreven waarnemingen van de politieambtenaren volgt een wijze van handelen bij de brandstichting waaruit een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte blijkt waarbij ieder van hen een bijdrage van voldoende gewicht levert. Zij arriveren immers samen in dezelfde Volkswagen Golf, lopen beiden naar de oliebollenkraam en dragen daarbij ieder één of meerdere voorwerpen bestemd voor de brandstichting. Vervolgens gaan zij samen de oliebollenkraam in nadat de deur is opengebroken, staan zij beiden bij de geopende deur van de oliebollenkraam op het moment dat verdachte deze in brand steekt en rennen zij gelijktijdig terug naar Volkswagen Golf, waar zij beiden instappen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting.
Gemeen gevaar voor goederen
Door de brandstichting is naar het oordeel van de rechtbank gemeen gevaar voor goederen ontstaan en dit gevaar was ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels ook voorzienbaar. Bij de brandstichting in de oliebollenkraam – zijnde een groot object – is immers benzine als brandversnellend middel gebruikt en bovendien zijn er vier gasflessen in of bij de oliebollenkraam aangetroffen. Hierdoor is de oliebollenkraam gaan branden en bestond het gevaar dat het vuur in de oliebollenkraam zich snel zou verspreiden naar auto’s, bomen en gebouwen die in de buurt stonden.
Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
Hoewel het gezien de afstand tot de omliggende woningen voorstelbaar is dat de brandstichting ook gevaar voor omwonenden opleverde, bevat het dossier daarvoor onvoldoende informatie. Daardoor is onvoldoende duidelijk of van de brandstichting daadwerkelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor omwonenden te duchten was. Dit geldt ook voor mogelijk omstanders of brandweerlieden, nu het dossier ook daarvoor onvoldoende informatie bevat. Verdachte zal daarom van dit strafverzwarend bestanddeel worden vrijgesproken.
Feit 2
De rechtbank stelt vast dat [benadeelde] zich tot tweemaal toe bij verdachte kenbaar maakt als politieambtenaar en dat verdachte hem toezegt de motor van de Volkswagen Golf uit te zetten en mee te zullen werken. Ondanks deze toezeggingen geeft verdachte toch ineens gas en stuurt hij naar links, de kant waar [benadeelde] staat. Als gevolg van deze manoeuvre komt [benadeelde] knel te zitten met zijn linkervoet tussen het bestuurdersportier en de dorpel van de Volkswagen Golf. Pas nadat [benadeelde] naar verdachte schreeuwt dat hij moet stoppen, stopt verdachte en zet hij de motor uit.
In weerwil van de instructies van [benadeelde] en zijn eigen toezeggingen is verdachte dus gas gaan geven, terwijl hij wist dat [benadeelde] in het geopende bestuurdersportier stond. Gelet op de smalle ruimte waarin [benadeelde] stond en de kracht die vrijkomt bij de plotselinge verplaatsing van een auto, heeft verdachte door zo te handelen in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, zoals bijvoorbeeld een gebroken of verbrijzelde voet, enkel of been. Voor het aannemen van deze voorwaardelijke opzet van verdachte is, gelet op de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, niet relevant dat [benadeelde] ‘slechts’ kneuzingen aan zijn linkervoet en -onderbeen heeft en geen zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [benadeelde] .
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 22 december 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht door een hoeveelheid benzine in een oliebollenkraam, waarin en waarnaast meerdere gasflessen stonden, te gieten en vervolgens die benzine vlam te doen laten vatten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de auto’s, bomen en gebouwen in de omgeving van die kraam, te duchten was;
2
op 22 december 2025 te [plaats] als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), daarmee rijdend op de voor het openbaar verkeer openstaande weg en parkeerplaats, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet, terwijl die [benadeelde] zich tussen de geopende deur en de carrosserie van die auto bevond, gas heeft gegeven en vervolgens accelererend is gaan rijden, ten gevolge waarvan de voet van die [benadeelde] klem kwam te zitten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van zijn voorarrest, in combinatie met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het in brand steken van een oliebollenkraam en daarmee ook andere goederen in de buurt van die kraam in gevaar gebracht. Dit strafbare handelen getuigt niet alleen van een gebrek aan respect voor eigendommen van anderen, maar maakt ook inbreuk op het veiligheidsgevoel in het algemeen en van de eigenaresse van de oliebollenkraam in het bijzonder. Zij heeft in haar aangifte toegelicht dat zij geen idee heeft waarom dit is gebeurd en dat zij zich niet veilig voelt.
Verdachte heeft over de brandstichting verklaard dat hij hierbij betrokken is geraakt onder druk en dreiging van de medeverdachte. De rechtbank acht dit echter ongeloofwaardig, omdat de verklaringen van verdachte op verschillende punten onderling tegenstrijdig zijn, hij pas een aantal maanden na zijn aanhouding met dit verhaal is gekomen en hij de gestelde druk en dreiging niet met verifieerbare informatie heeft onderbouwd. Anders dan de verdediging wenst, wordt in de strafmaat dus geen rekening gehouden met eventuele druk of dreiging. Het is nog altijd onduidelijk wat de reden van de brandstichting was en in welke context die plaatsvond. Dat verdachte deze onduidelijkheid laat bestaan, geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en de schuld probeert af te schuiven op de medeverdachte, rekent de rechtbank hem aan.
Nadat verdachte bij de brandstichting op heterdaad door de politie werd betrapt, heeft hij geprobeerd om politieambtenaar [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door als bestuurder met een Volkswagen Golf te proberen te vluchten en daarbij een gevaarlijke verkeersmanoeuvre uit te voeren. Door zo te handelen heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde] . Verdachte mag van geluk spreken dat [benadeelde] hier ‘slechts’ kneuzingen aan heeft overgehouden. Naast pijn en fysieke beperkingen ten gevolge van dit letsel heeft dit strafbare handelen ook mentaal indruk op [benadeelde] gemaakt. Zo geeft [benadeelde] aan dat hij de weken nadien veel heeft gepiekerd over onder meer het feit dat iemand hem bewust letsel wilde toebrengen en dat het veel erger had kunnen aflopen.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 25 september 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor brandstichting, maar wel voor een groot aantal gewelds-, vermogens-, verkeers- en drugsdelicten. Ten aanzien van feit 2 is dus sprake van recidive. Bovendien liep hij ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog in een proeftijd.
In het reclasseringsadvies van 29 mei 2026 wordt het recidiverisico bij verdachte ingeschat als hoog. De reclassering wijst op de pro Justitia rapportage van 31 oktober 2025, waarin [GZ-psycholoog] concludeert dat bij verdachte de diagnose antisociale persoonlijkheid gesteld kan worden, omdat er sprake is van een langdurig bestaand patroon van normoverschrijdend en strafbaar gedrag waarbij rechten van anderen worden geschonden; van prikkelbaarheid en agressie waarbij hij uitgaat van zijn eigen belang en van een sterke neiging om oorzaken van problemen te ontkennen, externaliseren en bagatelliseren. Ook is volgens de GZ-psycholoog bij verdachte sprake van een zeer disharmonisch intelligentieprofiel. De reclassering wijst er verder op dat de afgelopen jaren veelvuldig hulpverlening is ingezet, waaronder ambulante interventies, maar dat dit bij verdachte niet heeft geleid tot gedragsverandering, noch tot het voorkomen van recidive. Verdachte lijkt de ernst van zijn gedrag en problematiek niet in te zien. De enige resterende mogelijkheid om toe te werken naar een delictvrij bestaan, is volgens de reclassering een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarom oplegging van die maatregel.
De officier van justitie heeft niet gevorderd een ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Alleen al om die reden is de rechtbank niet bevoegd tot oplegging van deze maatregel.
Ter zitting is gesteld dat verdachte een verblijfsadres en baan in het vooruitzicht heeft. Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij zijn leven wil beteren en er wil zijn voor zijn drie kinderen.
De rechtbank ziet dit als een positief streven, maar constateert dat het beeld dat de reclassering van verdachte schetst, was terug te zien in zijn houding ter zitting. Ook ter zitting gaf verdachte geen blijk van zelfinzicht of probleembesef en legde hij de oorzaak van verschillende problemen bij anderen. Deze houding baart de rechtbank zorgen voor de toekomst.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van beide feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een langdurige gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Op basis van het uitgebreide delictverleden van verdachte, de reeds tevergeefs bij hem ingezette hulpverlening en zijn proceshouding, heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat een voorwaardelijk strafdeel, al dan niet met bijzondere voorwaarden, hem ervan zal weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Er zal daarom een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Deze straf valt lager uit dan de door de officier van justitie gevorderde straf, onder meer vanwege de partiële vrijspraak bij feit 1.
De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Deze tenuitvoerlegging zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.275,95 voor feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij stelt dat hij door het feit lichamelijk letsel heeft opgelopen met in totaal € 775,95 aan materiële schade tot gevolg, bestaande uit € 48,75 aan kosten eigen risico van zijn zorgverzekering, € 639,20 aan kosten voor huishoudelijke hulp en € 88,- aan kosten voor een CrossFit-abonnement waar hij tijdelijk geen gebruik van heeft kunnen maken. Bij dit lichamelijk letsel hoort volgens de benadeelde partij ook de vergoeding van een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade. Voor de hoogte hiervan verwijst de benadeelde partij naar de bandbreedte van schadebedragen die is opgenomen in de Rotterdamse Schaal bij licht letsel met een herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden.
De verdediging voert aan dat vanwege het ontbreken van een handtekening van de benadeelde partij onder het formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ formeel geen sprake is van een voeging. De rechtbank passeert dit verweer. De toevoeging aan de beschrijving van de vordering van een door de benadeelde ondertekende machtiging om hem te vertegenwoordigen in de voegingsprocedure/civiele procedure tegen verdachte(n) ’in verband met het/de gepleegde strafbare feit(en) op 22 december 2025’ biedt voldoende duidelijkheid dat benadeelde de bijbehorende vordering instelt.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 2 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De gevorderde vergoeding van € 48,75 aan kosten aan eigen risico van de zorgverzekering is niet betwist en zal de rechtbank toewijzen. Uit de onderbouwing van deze kosten blijkt immers dat deze het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit 2.
De verdediging heeft de door de benadeelde partij gestelde schade ter zake van huishoudelijke hulp ad € 639,20 betwist. Aangevoerd is dat door de benadeelde partij niet is onderbouwd welke taken de benadeelde partij niet kon doen en of vervangende huishoudelijke hulp daadwerkelijk is ingezet. De rechtbank acht de noodzaak tot het maken van kosten voor huishoudelijke hulp aannemelijk, nu de benadeelde partij tijdelijk minder huishoudelijke taken heeft kunnen verrichten door het letsel dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit 2 heeft opgelopen. De benadeelde partij geeft aan dat hij normaliter 40% van de huishoudelijke taken op zich nam en stelt dat hij hierin als gevolg van het letsel twee weken zwaar beperkt is geweest en daaropvolgend vier weken licht beperkt. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij deze gestelde aard en duur van de beperking niet nader heeft onderbouwd en het valt evenmin duidelijk uit de door hem overlegde medische informatie af te leiden. Op basis van die medische informatie acht de rechtbank het wel aannemelijk dat de benadeelde partij in elk geval twee weken licht tot matig beperkt is geweest, als bedoeld in ‘De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp’. Het in de richtlijn opgenomen normbedrag voor een dergelijke beperking bedroeg in 2025 voor een gezin met inwonende kinderen ouder dan vijf jaar – zoals volgens de benadeelde partij bij hem aan de orde – € 190,- per week. De rechtbank zal daarom ten aanzien van huishoudelijke hulp de vergoeding van een bedrag van € 152,- toewijzen (2 weken x 190,- x 40%). Voor het overige gedeelte van gevorderde vergoeding voor huishoudelijk hulp zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van de kosten voor een CrossFit-abonnement overweegt de rechtbank dat aangevoerd is door de verdediging dat onduidelijk is of de benadeelde partij dit abonnement niet tijdelijk had kunnen stopzetten. De benadeelde partij heeft deze betwisting niet gemotiveerd weersproken. De benadeelde partij zal daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende met medische informatie onderbouwd dat hij letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De verdediging stelt dat de vergoeding gezien het letsel gematigd zou moeten worden tot € 250,-. De medische informatie biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om uit te gaan van licht letsel met een herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden, zoals de benadeelde partij stelt. Op basis van de medische informatie merkt de rechtbank het letsel aan als kneuzingen met een herstelperiode van ongeveer twee maanden. Gelet op het in de Rotterdamse Schaal opgenomen bedrag voor dergelijk letsel acht de rechtbank daarom vergoeding van een bedrag van € 1.100,- billijk.
De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
De wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 22 december 2025, de datum waarop het feit plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 september 2024 (parketnummer 02-277023-24) ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen en de proeftijd van de voorwaardelijke gevangenisstraf met één jaar te verlengen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63, 157 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: het medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2: poging tot zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 2:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 1.300,75, waarvan € 200,75 aan materiële schade en € 1.100,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering, voor zover dit ziet op materiële schade, niet-ontvankelijk;
- wijst het overige gedeelte van de vordering, voor zover dit ziet op immateriële schade, af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 1.300,75 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 13 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 12 september 2024 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-277023-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 30 dagen gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, en
mr. C.E.M. Marsé en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 oktober 2026.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 22 december 2025 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door een hoeveelheid benzine, althans brandbare vloeistof, over en/of in een
(oliebollen)kraam (waarin/waarnaast één of meerdere gasflessen stonden) te
gieten/plaatsen en/of (vervolgens/daarbij) die benzine, althans die brandbare
vloeistof, in brand te steken, althans vlam te doen (laten) vatten, in elk geval
opzettelijk vuur in aanraking te brengen met die stof,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de auto’s, bomen en/of
gebouwen in de omgeving van die kraam,
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
voor omstanders en/of hulpverleners (brandweer),
te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 22 december 2025 te [plaats] ,
als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), daarmee (vooruit)rijdend
op/over de voor het openbaar verkeer openstaande weg en/of parkeeerplaats
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [benadeelde]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met dat opzet, terwijl die [benadeelde] zich tussen de geopende deur en de carrosserie
van die auto bevond, gas heeft gegeven en vervolgens sterk accelererend en/of
snelheid verhogend, is gaan en/of blijven rijden, ten gevolge waarvan de been/voet,
in elk geval (een deel van) het lichaam, van die [benadeelde] klem kwam te zitten
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )