Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-348710-25 en 02-061262-25 (TUL)
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1998 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 december 2025 samen met een ander opzettelijk een oliebollenkraam in [plaats] in brand heeft gestoken, waardoor gevaar voor goederen en andere personen is ontstaan.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak van het ten laste gelegde feit, omdat de rol en bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht is om hem als pleger of medepleger van de brandstichting aan te merken.
Subsidiair bepleit de verdediging partiële vrijspraak. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, zodat verdachte van dat strafverzwarende bestanddeel moet worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op 22 december 2025 zijn politieambtenaren aanwezig in de wijk [locatie] in [plaats] . Zij nemen daar het volgende waar:
Omstreeks 02.15 uur parkeert een Volkswagen Golf in de [straat 1] . Verdachte stapt als bijrijder uit deze auto en [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) als bestuurder. Zij lopen naar de kofferbak van deze auto, openen deze en sluiten deze kort daarna weer. Vervolgens lopen zij in de richting van de [straat 2] . Verdachte heeft in zijn rechterhand een kleine zwarte jerrycan. De medeverdachte heeft in zijn rechterhand een donkere staaf en in zijn linkerhand een zwarte jerrycan. Zij lopen naar de oliebollenkraam die in het midden staat van de parkeerplaats van winkelcentrum [locatie] . Deze oliebollenkraam is afgesloten en het luik is naar beneden. Verdachte en de medeverdachte staan aan de zijkant bij de deur van de oliebollenkraam. Er is vanuit de oliebollenkraam een hard krakend en brekend geluid te horen. Direct hierna gaat de deur van de oliebollenkraam open en gaan zowel verdachte, als de medeverdachte de oliebollenkraam in. Even later komen zij de oliebollenkraam weer uit en staan bij de nog openstaande deur. De medeverdachte steekt iets kleins in brand dat hij in zijn hand vasthoudt en gooit dit brandende deel door de open deur de oliebollenkraam in, waarna meteen een enorme steekvlam in de oliebollenkraam is te zien. Het vuur blijft branden en er komt een behoorlijke rookwolk vrij. Verdachte en de medeverdachte rennen vervolgens terug naar de Volkswagen Golf, waar verdachte instapt als bijrijder en de medeverdachte als bestuurder. Een politieambtenaar probeert verdachte aan te houden, maar verdachte vlucht de auto uit en rent weg. Tijdens zijn vlucht gooit hij een aansteker weg. Iets verderop wordt hij alsnog aangehouden en wordt de aansteker aangetroffen. Ook de medeverdachte wordt aangehouden. De medeverdachte komt daarbij op de grond te liggen en onder hem wordt ook een aansteker aangetroffen. Na de aanhoudingen wordt gezien dat er voor de bijrijdersstoel van de Volkswagen Golf een koevoet staat en een jerrycan ligt, waaruit benzine loopt.
Uit informatie van de brandweer volgt dat op het moment dat zij ter plaatse komen, de vlammen al uit de open deur van de oliebollenkraam slaan. De brandweer treft vier gasflessen bij de oliebollenkraam aan, waarvan er één bij de brand is betrokken. De andere drie gasflessen staan buiten de oliebollenkraam achter een houten bekisting.
Medeplegen brandstichting
Uit de hiervoor beschreven waarnemingen van de politieambtenaren volgt een wijze van handelen bij de brandstichting die duidt op een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, waarbij ieder van hen een bijdrage van voldoende gewicht levert. Zij arriveren immers samen in dezelfde Volkswagen Golf, lopen beiden naar de oliebollenkraam en dragen daarbij ieder één of meerdere voorwerpen bestemd voor de brandstichting. Vervolgens gaan zij samen de oliebollenkraam in nadat de deur is opengebroken, staan zij beiden bij de geopende deur van de oliebollenkraam op het moment dat de medeverdachte deze in brand steekt en rennen zij gelijktijdig terug naar Volkswagen Golf, waar zij beiden instappen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de brandstichting.
Gemeen gevaar voor goederen
Door de brandstichting is naar het oordeel van de rechtbank gemeen gevaar voor goederen ontstaan en dit gevaar was ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels ook voorzienbaar. Bij de brandstichting in de oliebollenkraam – zijnde een groot object – is immers benzine als brandversnellend middel gebruikt en bovendien zijn er vier gasflessen in of bij de oliebollenkraam aangetroffen. Hierdoor is de oliebollenkraam gaan branden en bestond het gevaar dat het vuur in de oliebollenkraam zich snel zou verspreiden naar auto’s, bomen en gebouwen die in de buurt stonden.
Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander
Hoewel het gezien de afstand tot de omliggende woningen voorstelbaar is dat de brandstichting ook gevaar voor omwonenden opleverde, bevat het dossier daarvoor onvoldoende informatie. Daardoor is onvoldoende duidelijk of van de brandstichting daadwerkelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor omwonenden te duchten was. Dit geldt ook voor mogelijke omstanders of brandweerlieden, nu het dossier ook daarvoor onvoldoende informatie bevat. Verdachte zal daarom van dit strafverzwarend bestanddeel worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 22 december 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht door een hoeveelheid benzine in een oliebollenkraam, waarin en waarnaast meerdere gasflessen stonden, te gieten en vervolgens die benzine vlam te doen laten vatten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de auto’s, bomen en gebouwen in de omgeving van die kraam, te duchten was.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van zijn voorarrest overstijgt, omdat hij gelet op zijn persoonlijke omstandigheden een groot belang heeft om niet terug naar de gevangenis te moeten. Als alternatief voor een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd kunnen worden.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het in brand steken van een oliebollenkraam en daarmee ook andere goederen in de buurt van die kraam in gevaar gebracht. Dit strafbare handelen getuigt niet alleen van een gebrek aan respect voor eigendommen van anderen, maar maakt ook inbreuk op het veiligheidsgevoel in het algemeen en van de eigenaresse van de oliebollenkraam in het bijzonder. Zij heeft in haar aangifte toegelicht dat zij geen idee heeft waarom dit is gebeurd en dat zij zich niet veilig voelt.
Verdachte heeft over de brandstichting alleen verklaard dat hij daar destijds niet wilde zijn. Voor het overige heeft hij een beroep op zijn zwijgrecht gedaan, naar eigen zeggen uit veiligheidsoverwegingen. Het gevolg van deze proceshouding is dat het nog altijd onduidelijk is wat de reden van de brandstichting was en in welke context die plaatsvond. Dat verdachte deze onduidelijkheid laat bestaan en geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, rekent de rechtbank hem aan. Voor zover zijn strafbare handelen en proceshouding het gevolg zou zijn van druk of dreiging afkomstig van een of meer anderen is dit voor de rechtbank niet verifieerbaar, omdat informatie hierover geheel ontbreekt. Met eventuele druk of dreiging wordt in de strafmaat dus geen rekening gehouden
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 15 september 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor brandstichting. Er is dus geen sprake van recidive. Wel is verdachte eerder veroordeeld voor verschillende vermogens- en verkeersdelicten en voor een geweldsdelict. Ten tijde van de bewezenverklaarde brandstichting liep hij bovendien nog in een proeftijd.
In het reclasseringsadvies van 16 juni 2026 wordt het recidiverisico bij verdachte ingeschat als gemiddeld tot hoog. Er is volgens de reclassering sprake van problematiek op meerdere leefgebieden en er zijn aanwijzingen voor psychische problematiek, mogelijk gerelateerd aan een belast verleden. Actuele diagnostiek is er echter niet. Het lijkt verdachte te ontbreken aan vaardigheden die nodig zijn om zijn leven zelfstandig en stabiel vorm te geven. Verder kan niet uitgesloten worden dat verdachte contacten onderhoudt met mensen uit het criminele milieu. Bij een veroordeling adviseert de reclassering verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld als dadelijke uitvoerbare bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, contactverbod met betrekking tot de medeverdachte en beheersing middelengebruik.
Deze bijzondere voorwaarden zijn gelijk aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 24 december 2025. Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij bereid is om deze voorwaarden na te blijven leven, maar dat hij de ambulante behandeling bij [kliniek] niet nodig vindt. Zijn raadsman heeft hierop aangevuld dat verdachte vanwege verschillende traumatische gebeurtenissen in zijn jeugd onder meer al 27 EMDR-behandelingen heeft gevolgd. Verdachte is bang dat een behandeling bij [kliniek] ‘oude wonden weer openrijt’, aldus zijn raadsman. Een behandeling aldaar is wel al opgestart in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. In dat kader is ook de begeleiding van [begeleiding] aan de orde, die volgens verdachte en zijn raadsman al lange tijd naar wens verloopt.
Ter zitting heeft de raadsman van verdachte verder nog toegelicht dat verdachte een erfelijke darmaandoening heeft die onvermijdelijk zal uitmonden in darmkanker. Ook één van de twee kinderen van verdachte heeft deze darmaandoening en heeft nu als gevolg van een preventieve operatie als 6-jarig meisje al een stoma. Verdachte zelf heeft toegelicht dat hij inmiddels een Wajong-uitkering ontvangt en een eigen huurwoning heeft geregeld, middels een urgentieverklaring.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft oog voor de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte en onderkent dat er voor hem veel op het spel staat. Daar staat echter tegenover dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een dusdanig ernstig strafbaar feit, dat alleen een langdurige gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie is. Vanwege de aard en ernst van dat feit zal een groot deel van deze gevangenisstraf onvoorwaardelijk worden opgelegd. Dit betekent dat verdachte terug moet naar de gevangenis, aangezien hij slechts drie dagen in voorarrest heeft doorgebracht.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van alle de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Deze straf valt lager uit dan de door de officier van justitie gevorderde straf, onder meer vanwege de partiële vrijspraak.
Met het voorwaardelijk strafdeel en de bijzondere voorwaarden wordt beoogd verdachte na zijn detentieperiode te helpen een stabiel en delictvrij bestaan op te bouwen. De rechtbank acht daarvoor alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden nuttig en noodzakelijk. Dit geldt dus ook voor de ambulante behandeling bij [kliniek] . De rechtbank gaat er namelijk van uit dat een professionele instelling oog heeft voor het (behandel)verleden van verdachte en geen behandeling inzet die verdachte meer kwaad dan goed doet.
De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Deze tenuitvoerlegging zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank laat het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte in stand. Dit betekent dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis blijven gelden in het geval verdachte in hoger beroep gaat. Het is daarom niet nodig om te bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 mei 2025 (parketnummer 02-061262-25) ten uitvoer zal worden gelegd.
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen en de proeftijd van de voorwaardelijke gevangenisstraf met één jaar te verlengen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het medeplegen van opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* meldplicht bij de reclassering
dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van Novadic-Kentron op het adres: Rompertsebaan 12, 5231 GS te 's-Hertogenbosch (073-6409696);
* ambulante behandeling
dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door ggz [kliniek] en begeleiden door [begeleiding] of soortgelijke zorgverleners, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling en begeleiding nodig vindt. De behandeling en begeleiding zijn reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling en/of begeleiding is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
* contactverbod
dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] 1983. De politie ziet toe op de handhaving van dit contactverbod;
* beheersing middelengebruik
dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 20 mei 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-061262-25 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 30 dagen gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, en mr. C.E.M. Marsé en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 oktober 2026.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 22 december 2025 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht,
door een hoeveelheid benzine, althans brandbare vloeistof, over en/of in een
(oliebollen)kraam (waarin/waarnaast één of meerdere gasflessen stonden) te
gieten/plaatsen en/of (vervolgens/daarbij) die benzine, althans die brandbare
vloeistof, in brand te steken, althans vlam te doen (laten) vatten, in elk geval
opzettelijk vuur in aanraking te brengen met die stof,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de auto’s, bomen en/of
gebouwen in de omgeving van die kraam,
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
voor omstanders en/of hulpverleners (brandweer),
te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )