ECLI:NL:RBZWB:2026:9520

ECLI:NL:RBZWB:2026:9520

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 02-265739-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van geweld. Gevangenisstraf van 36 maanden en tbs met verpleging van overheidswege.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02.265739.25

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Brazilië) op [geboortedag] 1991,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,

raadsvrouw mr. A. Huseinovic, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 8 oktober 2025 primair schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting met geweld van [aangeefster] . Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als een poging tot opzetverkrachting met geweld van aangeefster.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde (gekwalificeerde) opzetverkrachting heeft gepleegd. Hij acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar, authentiek en consistent. Haar verklaring wordt daarnaast ondersteund door de getuigenverklaring van de buurman en de resultaten van het onderzoek door het NFI. De officier van justitie acht bewezen dat verdachte in ieder geval met een vinger seksueel bij aangeefster is binnengedrongen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde (gekwalificeerde) opzetverkrachting en bepleit vrijspraak. Niet ter discussie staat dat tussen verdachte en aangeefster enig contact heeft plaatsgevonden. Er is echter geen wettig en overtuigend bewijs dat sprake is geweest van binnendringen met de penis en/of vingers door verdachte bij aangeefster. De resultaten van het DNA-onderzoek laten hooguit zien dat er contact is geweest van verdachte met de schaamstreek van aangeefster, maar niet dat er penetratie heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Juridisch kader

In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijs-minimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.

Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat de verkrachting als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangeefster en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.

De rechtbank ziet zich dus gesteld voor de vragen of de belastende verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en of deze verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Verklaringen aangeefster

Aangeefster verklaarde bij de politie tijdens het informatief gesprek zeden op 8 oktober 2025 dat zij op 7 oktober 2025 rond 23.00 uur in de stad van [plaats] is gaan borrelen. Zij vertelde dat zij veel had gedronken en dat zij rond 02.30 uur vanuit [café] naar huis is gegaan via de [straat 1] in [plaats] . Net voordat zij thuiskwam zag zij een voor haar onbekende man op haar aflopen. Dat is in, of ter hoogte van, het paadje [straat 2] geweest. Zij verklaarde dat de man haar tegen de muur deed, hij haar broek en string naar beneden heeft getrokken, zij om hulp heeft geroepen en dat zij heeft geprobeerd de man van zich af te duwen. Zij verklaarde verder dat de man met zijn hand tegen haar keel drukte. Zij verklaarde dat de man aan haar vagina heeft gezeten met een penis of een vinger maar ze niet weet of daadwerkelijke penetratie heeft plaatsgevonden, maar wel dat zij een branderig gevoel eraan heeft overgehouden. Zij weet zich niet meer te herinneren hoe het incident is gestopt.

Bij haar aangifte op 10 oktober 2025 herhaalde aangeefster dat zij dronken was, de man haar vastgreep, hij haar broek naar beneden heeft getrokken en haar heeft geprobeerd te kussen. Zij heeft geprobeerd tegen te stribbelen, haar hoofd weg te draaien en de man weg te duwen, maar uiteindelijk besefte dat zij dit niet ging redden. Zij heeft om hulp geroepen en hierna is haar 'lichtje uitgegaan'. Zij verklaarde al dat zij een branderig gevoel had, maar nu had ze ook klachten bij het plassen en kwam er bloed uit haar vagina wat het voor haar aannemelijk maakt dat de man bij haar naar binnen was geweest. Dit branderige gevoel heeft zij vaker gehad na seks.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte de persoon is geweest over wie aangeefster heeft verklaard, nu verdachte ter zitting heeft bevestigd dat hij die persoon is.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

Aangeefster heeft op twee momenten kort na het incident een verklaring afgelegd. Haar eerste verklaring was op dezelfde dag, te weten op 8 oktober 2025 tijdens het informatief gesprek zeden en vervolgens heeft zij een verklaring afgelegd in haar aangifte op 10 oktober 2025.

De aangifte sluit in de kern aan bij de eerste verklaring van aangeefster bij de politie en is op relevante onderdelen gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt vast dat aangeefster op onderdelen geen volledige herinnering heeft aan wat er precies is gebeurd. Zij heeft verklaard dat zij dronken was en dat zij niet alles meer precies weet. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit haar aangifte niet zonder meer onbetrouwbaar. De rechtbank acht voor de betrouwbaarheid van haar verklaringen van belang dat aangeefster onderscheid maakt tussen wat ze zich nog wel en niet goed kan herinneren. Ook heeft zij duidelijk verklaard over de punten waar zij twijfelt aan haar herinnering, of waarom ze achteraf denkt dat bepaalde handelingen hebben plaatsgevonden, wat haar verklaringen ook authentiek maakt. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen.

Steunbewijs

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de betrouwbaar bevonden verklaringen van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Getuigenverklaring De aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige] . Hij is getuige geweest van het incident en heeft zich uit eigen beweging op dezelfde dag en nogmaals op 13 oktober 2025, bij de politie gemeld. Hij is aanvullend op 7 november 2025 bij de politie als getuige gehoord. [getuige] heeft consistent verklaard dat hij in zijn woning was en heeft horen roepen: ‘help, help’ en ‘help, blijf van mij af, raak mij niet aan’. Hij heeft zich toen aangekleed en is naar buiten gelopen. Hij heeft gezien hoe een vrouw met haar handen en armen tegen de muur stond, letterlijk twee meter van haar voordeur. De rechtbank concludeert op basis van het dossier dat deze vrouw aangeefster was en de man die getuige heeft gezien verdachte. Getuige zag verdachte met zijn linkerarm aangeefster om haar middel vasthouden en zijn hand bij haar schaamstreek. Hij zag hoe haar broek helemaal omlaag was en dat bij verdachte de broek ook naar beneden was, net onder zijn geslachtsdeel. De getuige verklaarde dat aangeefster in paniek was door de angst in haar ogen en haar hele houding. Hij heeft toen van een afstandje geschreeuwd dat verdachte haar met rust moest laten. Toen hij dichterbij kwam zag hij de verdachte eerst een keer op zijn tenen omhoogkomen om terug te trekken, zodat hij zijn broek omhoog kon doen. Hij verklaarde verder dat verdachte in paniek raakte en hard wegrende richting de Albert Heijn aan de [straat 1] . De getuige verklaarde dat aangeefster in tranen was en hem vertelde dat verdachte haar bij haar keel had gepakt.

Bevindingen camerabeelden Op camerabeelden van 8 oktober 2025 is na 8 minuten te zien hoe aangeefster over de [straat 1] in [plaats] loopt, komende uit de richting van de [straat 3] en in de richting van het [straat 4] liep. Ter hoogte van het bedrijf [bedrijf] B.V is te zien hoe aangeefster zachtjes begon te rennen in de richting van het [straat 4] . Kort hierna, na 8 minuten en 34 seconden, is te zien hoe de verdachte in een bushokje opstond en na enkele normale stappen aangeefster achterna begon te rennen. Andere beelden tonen dat verdachte om omstreeks 02.46 uur ter hoogte van [pand] bij aangeefster aankomt. Een andere camera aan de [straat 1] ter hoogte van de [straat 4] en gericht in de richting van de [straat 3] heeft vastgelegd dat na 1 minuut en 53 seconden te zien is hoe verdachte hard wegrend over de [straat 1] en gaande in de richting van het [straat 4] , conform de verklaring van de [getuige] .

DNA-onderzoek Nadat aangeefster zich bij de politie heeft gemeld, heeft een forensisch medisch onderzoek plaatsgevonden en zijn bemonsteringen veiliggesteld. Ook bij verdachte zijn bemonsteringen afgenomen. Uit het rapport van het NFI van 6 maart 2026 blijkt dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het aangetroffen DNA-mengprofiel op de pink van de linkerhand van verdachte afkomstig is van verdachte en aangeefster, dan wanneer het DNA afkomstig is van verdachte en een willekeurige onbekende persoon. Uit het rapport van 16 april 2026 van het daaropvolgend RNA-onderzoek, blijkt dat het waarschijnlijker is wanneer de bemonstering van de pink van de linkerhand van de verdachte vaginale cellen en/of menstruele secretie bevat, dan wanneer de bemonstering alleen andere typen cellen bevat. De ordegrootte van de bewijskracht ‘waarschijnlijker’ is 10 tot 100 keer.

Tussenconclusie Zoals eerder overwogen, acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. Daar waar aangeefster twijfelt of zij zich het niet goed herinnert, wordt haar verklaring ondersteund door de getuige of door objectieve onderzoeksresultaten. De verklaringen die verdachte hier tegenover heeft gesteld, te weten dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming begonnen, acht de rechtbank ongeloofwaardig, gelet op zijn steeds wisselende verklaringen en de camerabeelden. Daarop is immers te zien dat verdachte in een bushokje zit, aangeefster ziet passeren, haar achterna rent en in de buurt van haar voordeur benadert. De rechtbank gaat dus uit van het scenario zoals door de aangeefster naar voren is gebracht en zal hierna ingaan op welke kwalificatie dat oplevert.

Opzetverkrachting Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij - al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet.

Is er sprake van seksueel binnendringen?

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij met zijn geslachtsdeel aangeefster heeft geprobeerd te penetreren, maar dat er geen penetratie met zijn penis of vinger heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat, zoals hiervoor is overwogen, echter uit van de verklaringen van aangeefster en leidt daaruit af dat er ook daadwerkelijk sprake is geweest van binnendringen in haar vagina. Aangeefster beschrijft in haar verklaring enkele dagen na het incident dat zij bij het eerdere gevoel al een branderig gevoel had, maar nu had ze ook klachten bij het plassen en kwam er bloed uit haar vagina wat het voor haar aannemelijk maakt dat de man bij haar naar binnen was geweest. Dit branderige gevoel heeft zij vaker gehad na seks. Daarnaast is het aangetroffen DNA-materiaal op de pink van verdachte met de resultaten van het vervolgens uitgevoerde RNA-onderzoek, in combinatie met de verklaring van [getuige] dat verdachte zijn hand bij de schaamstreek van aangeefster had, voldoende voor de bewezenverklaring van het seksueel binnendringen met de vinger. Of daarnaast ook sprake is geweest van het seksueel binnendringen met de penis kan de rechtbank onvoldoende vaststellen.

Ontbreken wil aangeefster en gebruik geweld verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat ze elkaar niet kenden, hij veel gedronken had en dat hij zag dat aangeefster ook dronken was. Het ontbreken van haar wil blijkt niet alleen uit de beschonken toestand van aangeefster, maar ook uit haar uitingen: zij heeft zowel fysiek als verbaal aan verdachte kenbaar gemaakt dat zij de eerdergenoemde seksuele handelingen niet wilde. Aangeefster heeft geprobeerd zich te verzetten, heeft hem van haar af proberen te duwen en heeft om hulp geschreeuwd. Verdachte verklaart zelf ter zitting dat hij aangeefster heeft zien huilen. Gelet op deze signalen is van enig positieve wilsuiting dan ook geen sprake en kan de conclusie niet anders zijn dan dat verdachte wist dat bij aangeefster de wil tot seks met hem ontbrak en de verdachte deze heeft genegeerd.

Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet vervolgens worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolg door dwang, geweld of bedreiging. Verdachte kende aangeefster niet en heeft zichzelf plots aan aangeefster opgedrongen. Verdachte heeft hierbij geweld gebruikt door onder andere aangeefster tegen de muur te zetten, haar broek en onderbroek naar beneden te trekken en zijn hand tegen haar keel te drukken. Daarmee is de opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van geweld.

Eindconclusie

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting zoals primair is ten laste gelegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 oktober 2025 te [plaats] met [aangeefster] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het (op en onder de kleding) aanraken van het lichaam van [aangeefster] en- het aanraken van het geslachtsdeel van [aangeefster] en- het met de vinger penetreren van de vagina van [aangeefster] en aanraken tussen de schaamlippen van die [aangeefster]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van geweld, immers heeft verdachte voornoemde [aangeefster]- tegen een muur gezet en (vast) gehouden en - haar broek en onderbroek naar beneden getrokken en - tegen haar keel gedrukt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafbare feit de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte zal opleggen de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met het bevel dat hij van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank in geval van een veroordeling geen tbs met dwangverpleging op te leggen. Daartoe voert de verdediging aan dat tbs met dwangverpleging een zeer ingrijpende maatregel is en dat de conclusies in het PJ-rapport onvoldoende standvastig en duidelijk zijn. Gelet hierop verzoekt de verdediging de rechtbank om aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen nu dwangverpleging niet noodzakelijk is en het deskundigenonderzoek onduidelijk is. Verdachte wil aan alle voorwaarden meewerken. Daarnaast wordt verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van het feit

De ergste nachtmerrie van iedere vrouw heeft zich verwezenlijkt in het leven van aangeefster. Terwijl zij ’s nachts op weg was naar huis, is zij door een voor haar onbekende man aangevallen en verkracht. Verdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Hij is vanuit een bushokje op de openbare weg aangeefster achterna gerend. Aangeefster was sterk onder invloed van alcohol en hij heeft misbruik gemaakt van haar kwetsbare toestand. Op slechts 2 meter van haar woning, een plek waar aangeefster zich juist veilig mocht voelen, heeft hij haar met geweld verkracht. Alles aan haar huis herinnert aangeefster nu aan wat haar die nacht is overkomen. Het handelen van de verdachte heeft bij haar geleid tot gevoelens van angst, onveiligheid en nachtmerries. Aangeefster licht in haar vordering benadeelde partij toe dat ze al lang niet meer alleen ergens naar toe is geweest, ook niet op klaarlichte dag en dat ze nog altijd bang is dat ze plotseling weer wordt vastgepakt. Verdachte heeft met zijn handelen die nacht slechts oog gehad voor zijn eigen seksuele behoeften en hij heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de fysieke en mentale integriteit van aangeefster.

Het is een feit van algemene bekendheid dat veel slachtoffers van verkrachting zeer lange tijd last hebben van de psychische gevolgen daarvan. Daarbij dragen dergelijke feiten ook bij aan het grote gevoel van onveiligheid dat veel mensen, maar met name vrouwen, ervaren wanneer zij zich ’s nachts (alleen) op straat bevinden, zoals in het geval van aangeefster.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van 31 juli 2026 van verdachte. Hij is eerder veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, variërend van geweld en bedreigingen tot diefstal. Hoewel er geen sprake is van recidive op het gebied van verkrachting, vermeldt het strafblad wel eerdere justitiële contacten in verband met zedenfeiten, waaronder een ontslag van alle rechtsvervolging en drie voorwaardelijke sepots voor schennis van de eerbaarheid.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport, opgemaakt op 29 april 2026 door deskundigen [deskundige 1] , psychiater, en [deskundige 2] , GZ-psycholoog. Ook zijn zij ter zitting als deskundigen gehoord. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 11 juni 2026. De rechtbank zal de rapporten hierna bespreken.

Pro Justitia-rapport

Verdachte heeft binnen zijn vermogens meegewerkt aan het onderzoek. Wel was hij moeilijk onderzoekbaar wegens het massaal aanwezige toestandsbeeld en zijn gebrekkige mentale vermogens. De deskundigen stellen vast dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of overige psychotische stoornis en een verstandelijke beperking waarvan de ernst niet is gespecificeerd. Vanuit het dossier zijn tevens aanwijzingen voor het bestaan van een autismespectrumstoornis, maar dit kon niet eigenstandig worden vastgesteld. Er is onvoldoende zicht gekregen op het verband tussen stoornis en delict. Verdachte is verminderd betrouwbaar en er zijn inconsistente verklaringen. Het is niet duidelijk of, en zo ja hoe, psychotisch hij was tijdens het plegen van het delict maar dat verdachte aan een ernstige verstandelijke beperking en psychotische kwetsbaarheid leed, is duidelijk. Gezien het intrusieve en massaal aanwezige karakter van de stoornissen is het zeer onwaarschijnlijk dat er geen sprake is van een verband tussen stoornis en delict, doch vanwege de beperkingen van het onderzoek/de beperkte onderzoekbaarheid van verdachte, is niet duidelijk geworden op welke wijze en in welke mate daar sprake van is geweest. Er kan geen advies gegeven worden over de mate van toerekenen, ten tijde van het tenlastegelegde.

Er is sprake van dynamische risicofactoren zoals een gebrekkige coping, emotie- en impulsregulatie en er zijn geen beschermende factoren aan te wijzen. Er zijn aanwijzingen dat er sprake is van een escalatie in ernst van seksuele delicten. Eerder was sprake van schennispleging en seksueel grensoverschrijdend gedrag, nu is er sprake van een hands-on delict. Ondanks de beperkingen van het onderhavige onderzoek is duidelijk geworden dat verdachte lijdt aan ernstige psychiatrische stoornissen. Er is geen ziektebesef, laat staan ziekte-inzicht. Op grond van statistische gegevens wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. Verdachte is niet intern gemotiveerd mee te werken aan behandeling. Ook al zou hij gemotiveerd zijn, dan is hij vanwege het toestandsbeeld en zijn verstandelijke beperking niet in staat zich te houden aan voorwaarden en om afspraken na te komen. In het verleden is gebleken dat ambulante behandeling, toezicht en begeleiding ontoereikend is om verdachte te stabiliseren en daarmee het risico in te perken. Verdachte is gebaat bij een langer durende klinische behandeling in een stringent juridisch kader, bij sterke voorkeur in een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking, waarbij te denken valt aan [zorginstelling]. Een zorgmachtiging (schakelartikel 2.3 WFZ) wordt hiertoe als ontoereikend ingeschat, gezien de beperkte duur en de noodzaak voor een behandeling gericht op risicofactoren en recidiverisico. Er resteert weinig anders dan een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, indien de aard en ernst van het tenlastegelegde - indien bewezen - hiertoe voldoende aanleiding geven.

Tijdens de zitting hebben de deskundigen het vorenstaande bevestigd. Het is evident dat sprake is van ernstige stoornissen die invloed op elkaar hebben. Er is een langdurige klinische behandeling nodig om te waarborgen dat verdachte geen middelen gebruikt en de noodzakelijke medicatie inneemt. Dat is alleen mogelijk in het geadviseerde kader.

Reclasseringsadvies

De reclassering sluit zich aan bij de conclusie van de gedragsdeskundigen dat vanuit het toestandsbeeld van verdachte sprake is van inconsequente uitspraken/informatie. De reclassering adviseert negatief over tbs met voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Er is sprake van een hoge kans op recidive, hoog risico op letselschade en ook het risico op onttrekking wordt ingeschat als zijnde hoog. Er is dan ook sprake van een hoog afbreukrisico. Verdachte is reeds uitgebreid bekend binnen de hulpverlening. In het verleden is al gebleken dat ambulante behandeling, toezicht, klinische opnames (waaronder binnen een IBS) niet hebben geleid tot stabilisatie of verandering.

Toerekenbaarheid

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de stoornis over.

De deskundigen hebben vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of overige psychotische stoornis en een verstandelijke beperking waarvan de ernst niet is gespecificeerd. Deze stoornis van de geestvermogens bestond ten tijde van het tenlastegelegde en het is zeer onwaarschijnlijk is dat er geen sprake is van een verband tussen stoornis en delict. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte (mede) onder invloed van zijn stoornis heeft gehandeld en dat zijn stoornis zijn keuzes heeft beïnvloed. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De tbs-maatregel

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van tbs met dwangverpleging. De verdachte heeft een misdrijf begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts was ten tijde van het begaan van het feit sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van tbs. Deze laatste conclusie baseert de rechtbank op de bevindingen van de deskundigen en het reclasseringsadvies. Het gevaar op herhaling wordt ingeschat als hoog en er zijn geen beschermende factoren. Eerder ingezette interventies of behandelingen hebben onvoldoende geleid tot verandering. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Hoewel verdachte aangeeft mee te willen werken aan voorwaarden, is hij gelet op zijn stoornis en verstandelijke beperking onvoldoende in staat om zich te houden aan gestelde voorwaarden.

Er is een langdurige klinische behandeling nodig, die niet past in een voorwaardelijk kader.

De rechtbank acht op grond van al het voorgaande de oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging passend en geboden, nu de beveiliging van de maatschappij dit vereist.

De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde feit een misdrijf is dat gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

Straf

De rechtbank is van oordeel dat naast de tbs-maatregel met dwangverpleging ook een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. Voor de bepaling van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gekeken naar gevangenisstraffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Er zijn nog geen oriëntatiepunten voor gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals in dit geval aan de orde is, maar wel voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Op de laatstgenoemde verkrachting met ernstig geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang hanteren de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden als uitgangspunt.

In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat het feit heeft plaatsgevonden op de openbare weg, vlak bij het huis van het kwetsbare slachtoffer en dat de verdachte geweld heeft gebruikt. Daarnaast acht de rechtbank strafverlagend dat het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat het toegepaste geweld relatief beperkt van aard was, zonder daarbij afbreuk te doen aan wat aangeefster is overkomen. Daarbij is tot slot ook meegewogen dat de op te leggen tbs-maatregel ook langdurige vrijheidsbeneming met zich meebrengt.

Daarom wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 10.690,75 voor het ten laste gelegde feit, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 690,75 aan materiële schade en € 10.000, - aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich wat betreft de materiële schade aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade heeft de verdediging primair aangevoerd dat wanneer seksueel binnendringen niet bewezen wordt, de immateriële schade niet kan worden begroot alsof sprake is van een voltooide verkrachting. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen, omdat de gestelde psychische gevolgen onvoldoende zijn onderbouwd en het gevorderde bedrag in vergelijking met vergelijkbare zaken te hoog is.

Oordeel rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Materiële schadevergoeding

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 356,18 voor het eigen risico van de zorgverzekering vanwege kosten voor onderzoeken bij ETZ en € 234,57 voor de kosten van het bloedonderzoek naar mogelijke besmetting door verdachte. De benadeelde partij vordert verder een schadevergoeding van € 100,- voor haar kleding die in beslag is genomen voor onderzoek.

Nu de verdediging deze schadeposten inhoudelijk niet heeft betwist en deze posten voldoende zijn onderbouwd, zal de rechtbank deze geheel toewijzen.

Immateriële schadevergoeding

Het is een feit van algemene bekendheid dat verkrachting op zowel korte als lange termijn psychische schade tot gevolg kan hebben bij een slachtoffer. Dat hiervan bij de benadeelde sprake is, is de rechtbank ook gebleken uit de schriftelijke onderbouwing van de schadevordering en hetgeen de raadsvrouw namens de benadeelde partij ter terechtzitting heeft toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het feit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen.

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. De rechtbank heeft bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt aansluiting bij de categorie ‘tamelijk ernstig’ met een bandbreedte tussen € 2.500, - en

€ 7.500, -.

De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 5.000, - billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe.

Conclusie

De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 5.690,75 waarvan € 690,75 aan materiële schade en € 5.000, - aan immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 8 oktober 2025.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 243 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van geweld.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 5.690,75, waarvan € 690,75 aan materiële schade en € 5.000, - aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 8 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] , € 5.690,75 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 8 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 53 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Faouzi, voorzitter, en mr. S. Tempel en mr. R. Combee, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 oktober 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij, op of omstreeks 8 oktober 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het (op en/of onder de kleding) aanraken van het lichaam van [aangeefster] en/of- het aanraken van het geslachtsdeel van [aangeefster] en/of- het met de hand/vinger(s) en/of met de penis penetreren van de vagina van [aangeefster] en/of aanraken tussen de schaamlippen van die [aangeefster]terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, immers heeft verdachte voornoemde [aangeefster]- tegen een muur geduwd en/of gezet en/of (vast) gehouden/gepakt en/of- haar broek en/of onderbroek naar beneden getrokken/gedaan en/of- tegen haar keel gedrukt:( art 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 oktober 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door,vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging, voornoemde [aangeefster]- tegen een muur heeft geduwd en/of heeft gezet en/of (vast) heeft gehouden en/of heeft gepakt en/of- haar broek en/of onderbroek naar beneden heeft getrokken/gedaan en/of- tegen de keel heeft gedrukt; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.( art 243 lid 2 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand