Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02.126864.26
Vonnis van de meervoudige kamer van 2 oktober 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedag] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
preventief gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting [jeugdinrichting 1] ,
raadsman mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 18 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 april 2026 kokend of heet water over het lichaam van [aangever] heeft gegooid, waardoor hem zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, subsidiair dat hij daartoe een poging heeft gedaan en meer subsidiair dat sprake is van een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door heet water over hem te gooien, zoals primair ten laste gelegd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De getuigen verklaren over meningen en aannames, maar hebben het incident niet zelf waargenomen. Er is sprake van een ongeluk en verdachte had bovendien geen motief. Vanwege het ontbreken van bewijs dient vrijspraak te volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Op 17 april 2026 bevonden zowel aangever [aangever] (hierna: [aangever] ) als verdachte zich in een gemeenschappelijke ruimte op de leefgroep [groep] in de Justitiële Jeugdinrichting [jeugdinrichting 2] . Verdachte is vanaf het kantoor naar de eettafels gelopen met een beker met daarin net gekookt water. Dit water is op het lichaam van [aangever] terechtgekomen waardoor hij tweedegraads brandwonden heeft opgelopen.
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of verdachte dit water opzettelijk, al dan niet in voorwaardelijke zin, op [aangever] heeft gegooid.
[aangever] heeft verklaard dat verdachte vanaf het kantoor een onlogische route liep terug naar zijn zitplek. Op het moment dat verdachte hem van achteren wilde passeren, deed verdachte alsof hij naar voren struikelde en gooide de inhoud van de beker over het lichaam van [aangever] heen. Dat verdachte dit opzettelijk deed, baseert [aangever] op de door verdachte genomen route (namelijk tussen de tafels door in plaats van om de tafels heen), het gegeven dat er volgens [aangever] voldoende ruimte was om te passeren zonder te struikelen en dat het water grotendeels op [aangever] terechtkwam, terwijl deze aan de zijkant van verdachte zat toen deze struikelde.
Verdachte heeft verklaard dat hij een normale route heeft genomen naar de plek waar hij wilde gaan zitten, is gestruikeld en daarbij is onbedoeld een deel van zijn hete water op [aangever] terechtgekomen. Volgens verdachte was er geen sprake van opzet.
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte een aanleiding had om [aangever] iets te willen aandoen. Ook heeft verdachte nergens gezegd heet water in de richting van [aangever] te hebben willen gooien. Alleen de keuze voor een minder logische route kan niet leiden tot het oordeel dat sprake was van opzet. De rechtbank zal daarom de beschrijving van het struikelen en het gooien van water kritisch moeten bekijken. Uit die beschreven gedragingen moet namelijk worden afgeleid of sprake was van opzettelijk handelen. Dat is het geval als de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Naast de aangifte van [aangever] en de verklaring van verdachte, zijn er nog drie andere verklaringen in het dossier. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard over de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden, zoals de door verdachte gelopen route die in hun beleving niet logisch was. De getuigen hebben het incident echter zelf niet waargenomen. Hun verklaringen leveren gelet daarop geen bewijs op voor het mogelijk bestaan van opzet bij verdachte.
[getuige 3] heeft verklaard dat hij het incident heeft waargenomen. Hij zat tegenover [aangever] aan de eettafel. [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte deed alsof hij struikelde over de stoel van Dyninio en vervolgens de beker met volle kracht naar links gooide, waardoor het water op [aangever] terechtkwam. De rechtbank constateert dat [getuige 3] de enige getuige in het dossier is, die heeft gezien hoe het water in de nek en op de buik van [aangever] terechtkwam.
De verklaring van [getuige 3] houdt in dat de stoel waarover verdachte zou zijn gestruikeld kaarsrecht stond en niet verschoof, wat wel gebeurt als men achter een stoelpoot blijft hangen. Ook zou verdachte bij het struikelen de beker 90 graden naar links draaien en met volle kracht gooien. Getuige zag dat verdachte met een gestrekte arm, met kracht, richting de nek van [aangever] gooide.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit vorenstaande beschrijving onvoldoende waaruit de conclusie moet worden getrokken dat verdachte deed alsof hij struikelde. Het enkele feit dat de stoel niet bewoog is niet voldoende. Verdachte kan immers over bijvoorbeeld zijn eigen voeten of een onregelmatigheid in de vloer zijn gestruikeld. Daarnaast kan de rechtbank op basis van alleen deze verklaring onvoldoende vaststellen dat verdachte tijdens het struikelen een gewilde gooibeweging met de beker in de richting van [aangever] maakte. Onduidelijk blijft wat het struikelen door verdachte precies inhield en in welke richting zijn lichaam en armen bewogen.
De rechtbank kan dan ook niet vaststellen wat er precies is gebeurd. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake is geweest van opzet op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel, een poging daartoe, dan wel op mishandeling. Evenmin kan worden bewezen dat sprake was van voorwaardelijk opzet daartoe.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair, het subsidiair en het meer subsidiair ten laste gelegde feit.
5. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 10.000,- bestaande uit immateriële schade.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [aangever] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, en mr. R. Combee en mr. H. Faouzi, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 oktober 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 17 april 2026 te [plaats]
aan een ander, te weten [aangever]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) brandwond(en) en/of (een) (blijvende) litteken(s) heeft toegebracht, door kokend, althans heet water in de nek en/of over
de schouder, in elk geval het lichaam van die [aangever] te gooien;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 april 2026 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [aangever]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
kokend, althans heet water in de nek en/of op de schouder, in elk geval het lichaam van die [aangever]
heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 april 2026 te [plaats]
[aangever] heeft mishandeld, door kokend, althans heet water in de nek en/of over de
schouder, in elk geval het lichaam van die [aangever] te gooien,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) brandwond(en) en/of (een) (blijvende) litteken(s) ten gevolge had
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )