ECLI:NL:RBZWB:2026:9616

ECLI:NL:RBZWB:2026:9616

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 02-165022-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Bewezenverklaring 4 feiten (mishandeling van 2 voormalige partners, belaging en vernieling). Veroordeling tot een taakstraf van 200 uren met aftrek van het voorarrest naar rato van 2 uur per dag, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met oplegging van bijzondere voorwaarden en een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht ten hoeve van de 2 voormalige partners.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-165022-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1994 in [plaats 1] ,

wonende in [woonadres 1] ,

raadsman mr. W.J.M. van der Putten, advocaat te Goirle.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M. Nijboer, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 tot en met 4.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van de feiten 1 en 3 en stelt daartoe dat er slechts sprake is geweest van duw- en trekwerk over en weer.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat verdachte bekent de feitelijke handelingen als genoemd in de tenlastelegging te hebben gepleegd. De rechtbank begrijpt dat de verdediging zich voor wat betreft de bewezenverklaring refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 4 stelt de verdediging dat verdachte bekent een deel van de goederen als genoemd in de tenlastelegging te hebben vernield, maar betwist, zo begrijpt de rechtbank, dat daarbij sprake was van opzet.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

[slachtoffer 1]

heeft aangifte gedaan van mishandeling en belaging door verdachte. Een week nadat [slachtoffer 1] verdachte via een datingsapp had leren kennen, is hun relatie gestart. Kort daarna zijn de eerste conflicten tussen hen begonnen. Verdachte vond dat hij haar niet kon vertrouwen en had voortdurend het idee dat [slachtoffer 1] vreemd ging. Hij doorzocht haar telefoon en controleerde haar. Ze mocht geen dingen meer alleen doen en ze voelde zich gedwongen tot seks. Gedurende de relatie zou hij haar meerdere keren hebben mishandeld en nadat zij de relatie had verbroken zou hij haar een periode hebben gestalkt.

Feit 1 – mishandeling

[slachtoffer 1] heeft gedetailleerd verklaard over drie incidenten, waarbij verdachte haar zou hebben mishandeld en waardoor bij haar pijn en/of letsel is veroorzaakt. Zo heeft zij een gedetailleerd logboek bijgehouden van onder andere deze drie incidenten, welke aansluit op haar aangifte. De rechtbank acht haar verklaring daarom betrouwbaar en zal deze als uitgangspunt nemen voor de bewezenverklaring. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt voorts op belangrijke onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte.

Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte haar op 16 maart 2025 bij haar armen heeft vastgepakt, waardoor zij pijn aan en blauwe plekken op haar armen had. Verdachte heeft bekend dat hij haar bij haar armen heeft vastgepakt. Het letsel, zoals is te zien op de gedateerde letselfoto, past bovendien bij het hard vastpakken van de armen.

Over het incident op 28 maart 2025 heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte met zijn hand in de richting van haar hoofd bewoog en haar hoofd naar achteren duwde, waardoor zij met haar hoofd tegen de deur aankwam en zij pijn voelde. Verdachte heeft bekend dat hij haar heeft geduwd.

Over 17 maart 2025 heeft [slachtoffer 1] verklaard dat er tussen hen een worsteling ontstond, waarbij verdachte op de grond viel. Toen verdachte opstond, kwam hij naar haar toe en bewoog hij met zijn vuist richting haar gezicht waarbij zijn vuist haar mond raakte en waardoor zij pijn voelde en een bloedlip had. Verdachte heeft weliswaar ontkend dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen, maar op de gedateerde letselfoto is een kleine verwonding op haar lip te zien. Een buurtbewoner heeft bovendien op 17 maart 2025 een melding gedaan bij de politie dat er in de woning van verdachte een ruzie gaande was, waarbij werd geschreeuwd en met spullen werd gegooid. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij op 17 maart [slachtoffer 1] wilde vastpakken om haar te kalmeren na een ruzie.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Feit 2 – belaging

Nu verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging opgesomde feitelijke gedragingen een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan ook geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] op 28 april 2025, pagina’s 10 tot en met 22 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2025113594 van de regionale politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 22 september 2026.

[slachtoffer 2]

heeft aangifte gedaan van mishandeling en vernieling van diverse spullen door verdachte en heeft een gedetailleerde verklaring over de gebeurtenissen afgelegd.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaring van [slachtoffer 2] meerdere overeenkomsten met de verklaring van [slachtoffer 1] heeft, terwijl zij elkaar niet kennen en onafhankelijk van elkaar aangifte hebben gedaan. Zo hebben [slachtoffer 2] en verdachte elkaar ook leren kennen via een datingsapp en ontstond er kort nadien een relatie. Ook tussen verdachte en [slachtoffer 2] ontstonden al vroeg in de relatie conflicten, waarbij zij zich gedwongen voelde tot seks. En ook in deze relatie had verdachte voortdurend het idee dat [slachtoffer 2] vreemd ging en presenteerde hij zich als degene die een beschermde rol jegens haar op zich moest nemen. Net als bij [slachtoffer 1] doorzocht verdachte de telefoon van [slachtoffer 2] en controleerde hij haar.

Deze overeenkomstige omstandigheden, alsmede haar gedetailleerde verklaring maken dat de rechtbank haar verklaring betrouwbaar vindt en zij neemt deze verklaring dan ook als uitgangspunt voor de bewezenverklaring.

De aangifte van [slachtoffer 2] wordt voorts op belangrijke onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Feiten 3 en 4 – mishandeling en vernieling

[slachtoffer 2] heeft verklaard over meerdere incidenten waarbij verdachte geweld jegens haar zou hebben gebruikt, waardoor bij haar pijn en letsel zou zijn veroorzaakt en waarbij hij goederen van haar zou hebben vernield.

Verdachte heeft erkend dat er op de momenten waarover zij heeft verklaard onenigheid is geweest tussen hen, waarbij door zijn toedoen ook goederen van haar zijn vernield. Hij heeft ontkend dat hij haar heeft geslagen of anderszins geweld tegen haar heeft gebruikt.

Het dossier bevat gedateerde foto’s van vernielde spullen. Ook bevat het dossier foto’s van letsel bij [slachtoffer 2] dat past bij haar verklaring. Deze foto’s zijn weliswaar niet gedateerd, maar zowel haar moeder als haar vader hebben verklaard dat zij in de ten laste gelegde periode meerdere keren letsel bij haar hebben gezien dat overeenkomt met de aangifte. De vader van [slachtoffer 2] verklaart ook over meerdere schades in de woning van [slachtoffer 2] in die periode. De politie die op 21 oktober 2025 ter plaatse is geweest, neemt bij [slachtoffer 2] ook een verdikking van haar kaak waar. Verder heeft de huisarts op 27 oktober 2025 bij [slachtoffer 2] restverschijnselen van blauwe plekken op haar linker bovenarm en haar rechterknie waargenomen en een iets afwijkende stand van haar neusrug. Daar komt bij dat drie buurtbewoners van [slachtoffer 2] bijna dagelijks ruzie hebben gehoord tussen hen, waarbij één van de buurtbewoners ook meerdere spullen kapot heeft horen gaan, waaronder een raam. . Een andere buurtbewoner heeft gehoord dat verdachte tegen haar zei dat hij haar van de trap zou gooien als zij niet naar hem zou luisteren. Voorts hebben [slachtoffer 2] en haar vader verklaard dat er kort na 10 september 2025 een gesprek met verdachte heeft plaatsgevonden, waarbij de afspraak is gemaakt dat hij geen spullen meer kapot zou gooien en [slachtoffer 2] niet meer zou mishandelen. Dat dit gesprek heeft plaatsgevonden en dat daarbij deze afspraken zijn gemaakt, heeft verdachte ter zitting bevestigd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 3 en 4.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op tijdstippen in de periode van 16 maart 2025 tot en met 28 maart 2025 te [plaats 1] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door- de armen van die [slachtoffer 1] hard vast te pakken en- in het gezicht van die [slachtoffer 1] te stompen en- tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] tegen een deur, aan is gekomen;

2.op tijdstippen in de periode van 2 april 2025 tot en met 29 mei 2025 te [plaats 1] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , door meermalen- die [slachtoffer 1] telefonisch te benaderen en- sms enWhats-appberichten aan/naar die [slachtoffer 1] te sturen en- langs het woonadres van die [slachtoffer 1] te rijden en te gaan en- langs het werkadres van die [slachtoffer 1] te gaan,met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden;

3.op tijdstippen in de periode van 1 juli 2025 tot en met 21 oktober 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door- de armen van die [slachtoffer 2] hard vast te pakken, en- tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te duwen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] tegen een ladekast is gevallen), en- tegen de knie van die [slachtoffer 2] te trappen, en- zijn, verdachtes, vinger in de mond en tegen de tong(riem) van die [slachtoffer 2] te duwen, en- die [slachtoffer 2] te slaan tegen de neus en- die [slachtoffer 2] met kracht te pakken en knijpen bij de keel en of de kaak;

4.

in de periode van 1 juli 2025 tot en met 21 oktober 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een (keuken)kastje en een ruit van de deur en meerdere lampen en wanddecoratie en een blouse en een stuur (van een personenauto), die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft vernield.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van twee uur per dag en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, ambulante begeleiding en behandeling en een verbod op het gebruik van verdovende middelen.

Voorts vordert de officier van justitie aan verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , primair als vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van drie jaar met bepaling dat per overtreding van de maatregel één week hechtenis wordt opgelegd en subsidiair als bijzondere voorwaarden.

Tot slot vordert de officier van justitie te bepalen dat zowel de bijzondere voorwaarden als het toezicht en de maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit te volstaan met het opleggen van een straf gelijk aan het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, mede gelet op de bepleite vrijspraken.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van twee voormalige partners, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daarnaast heeft hij [slachtoffer 1] een periode gestalkt en goederen van [slachtoffer 2] vernield.

Uit de feiten lijkt een terugkerend patroon naar voren te komen. In beide relaties ontstonden kort na het aangaan daarvan conflicten, waarbij verdachte voortdurend achterdochtig was en zich controlerend opstelde. Verdachte controleerde hun telefoons, was ervan overtuigd dat zij hem ontrouw waren en beperkte hen in hun vrijheid, waarbij hij beide vrouwen meerdere malen heeft mishandeld. Nadat [slachtoffer 1] de relatie beëindigde, heeft verdachte zijn gedrag voortgezet door haar te stalken. Kort daarna is hij een nieuwe relatie aangegaan met [slachtoffer 2] , waarin ook geweld werd gebruikt. Verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijk en persoonlijke integriteit van zijn voormalige partners.

De rechtbank constateert dat verdachte zijn gedrag lijkt te rechtvaardigen en te bagatelliseren vanuit de gedachte dat hij zijn partners moest beschermen. Het controleren van hun doen en laten werd door hem beschouwd als noodzakelijk, omdat hij naar eigen zeggen een rol als beschermer vervulde. Ook spreekt hij over het gebezigde geweld als slechts duw- en trekwerk en legt hij voor zijn handelen de verantwoordelijkheid met name bij zijn voormalige partners. Hij lijkt daarmee weinig inzicht te hebben in de ernst van zijn eigen gedrag en zijn aandeel in de ontstane situaties. De rechtbank acht dit zorgwekkend.

Uit de ter zitting namens [slachtoffer 2] voorgelezen slachtofferverklaring volgt dat zij gevoelens van onveiligheid heeft ervaren. [slachtoffer 2] heeft onder meer beschreven dat zij zich gecontroleerd voelde, beperkt in haar vrijheid en niet veilig in haar eigen huis. Zij durfde vaak geen hulp in te schakelen uit angst voor de gevolgen. Ook heeft zij beschreven dat er momenten waren waarop zij doodsangst voelde. Wat verdachte als bescherming presenteert, heeft bij [slachtoffer 2] juist geleid tot angst en een verlies van veiligheid dat nog steeds doorwerkt in haar dagelijks leven.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 10 augustus 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank weegt zijn strafblad dan ook neutraal mee.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 september 2026. Volgens de reclassering wijst de hoeveelheid politiemeldingen in 2025 op een escalerend patroon, die verband houden met kortstondige relaties. De reclassering ziet bij verdachte risicoverhogende factoren op het gebied van (ex-)partnerrelaties, het gebruik van middelen (testosteron), zijn houding en zijn psychosociaal functioneren. Hij is gediagnostiseerd met ADHD en autismespectrumstoornis. Sinds november 2025 wordt hij in het kader van zijn schorsing behandeld door Fivoor. Deze behandeling is gericht op het beter leren herkennen en respecteren van behoeftes en grenzen van anderen en van zichzelf, met aandacht voor emotie- en spanningsregulatie en traumabehandeling. Ondanks dat hierin kleine stapjes vooruit worden opgemerkt, wordt er getwijfeld aan de leerbaarheid van verdachte en de haalbaarheid van gedragsinterventies. Vanwege de risico’s heeft de reclassering geadviseerd de huidige bijzondere voorwaarden in het kader van zijn schorsing voort te zetten, te weten

een meldplicht, ambulante behandeling en begeleiding en een verbod op het gebruik van middelen. Verder heeft de reclassering geadviseerd om ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een contact- en locatieverbod op te leggen als vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr, waarbij ook de dadelijke uitvoerbaarheidsverklaring wordt geadviseerd van zowel de bijzondere voorwaarden en het toezicht als de artikel 38v-maatregel.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van de feiten, het kennelijke gebrek aan inzicht van verdachte in zijn gedrag en het reclasseringsadvies, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een taakstraf van 200 uren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht naar rato van twee uren per dag, te vervangen door 100 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.

Mede gelet op het advies van de reclassering en de signalen die aanleiding geven tot zorg, zal de rechtbank aan verdachte de door de reclassering geadviseerde en de al in het kader van zijn schorsing geldende bijzondere voorwaarden opleggen, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en begeleiding en een verbod gebruik van middelen.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr Ook zal de rechtbank, gelet op het gemiddeld tot hoog ingeschatte recidiverisico en het feit dat de reclassering twijfelt aan de leerbaarheid van verdachte, hetgeen door de rechtbank na het gesprek met verdachte op zitting wordt gedeeld, ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een contact- en locatieverbod als een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr opleggen voor drie jaar. Voor elke overtreding zal één week vervangende hechtenis worden toegepast, met een maximum van zes maanden.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Voorts zal de rechtbank zowel de bijzondere voorwaarden en het toezicht als de artikel 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, dan wel opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens bepaalde personen. De rechtbank acht dit een passend alternatief voor de elektronische monitoring, waardoor deze kan worden beëindigd.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w, 57, 285b, 300

en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 2: belaging;

feit 3: mishandeling, meermalen gepleegd;

feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op de Ringbaan West 275 in Tilburg en dat hij zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen de afspraken zijn;

* dat verdachte zich laat begeleiden door Unitio of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, welke begeleiding reeds is gestart en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;

* dat verdachte zich laat behandelen door forensisch behandelcentrum Fivoor of een soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij verdachte meewerkt aan diagnostisch onderzoek, waaronder een intelligentietest, welke behandeling reeds is gestart en duurt zolang de reclassering nodig vindt, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, waaronder, gelet op de problematiek, ook het innemen van medicijnen kan vallen als de zorgverlener dat nodig vindt;

* dat verdachte gedurende de proeftijd geen anabolen steroïden en testosteron gebruikt, waarbij verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles middels urineonderzoeken, en de reclassering tevens toezicht kan houden op het beheersbaar houden van cannabisgebruik en waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en hoe lang dit wordt gecontroleerd;

- van rechtswege gelden daarbij de voorwaarden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Maatregel ex artikel 38v Sr

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 jaar op geen enkele wijze – direct of indirect via derden – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

* [slachtoffer 1], geboren op [geboortedag 2] 1998, en

* [slachtoffer 2], geboren op [geboortedag 3] 1992;

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 jaar zich niet zal ophouden:

* in [woonadres 2] (woonadres [slachtoffer 1] );

* in [werkadres] (werkadres [slachtoffer 1] );

* in of op [woonadres 3] (woonadres [slachtoffer 2] );

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt een week

voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum duur van 6 maanden;

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Verschueren, voorzitter, mr. P.E. van Althuis en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 oktober 2026.

De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te onderteken.

Bijlage I

De tenlastelegging

1. hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 maart 2025 tot en met 28 maart 2025 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door- de armen, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] (hard) vast te pakken en/of te grijpen en/of- in/op het gezicht, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of- tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te duwen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] tegen een deur, althans een voorwerp, aan is gekomen;(Artikel art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 april 2025 tot en met 29 mei 2025 te [plaats 1] , in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , door (meermalen)- die [slachtoffer 1] telefonisch te benaderen en/of- (sms en/of Whats-app)berichten aan/naar die [slachtoffer 1] te sturen en/of verzenden en/of- via anderen die [slachtoffer 1] te benaderen en/of- langs het woonadres van die [slachtoffer 1] te rijden en/of te gaan en/of- langs het werkadres van die [slachtoffer 1] te rijden en/of te gaan,met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;(Artikel art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 21 oktober 2025 te [plaats 2] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door- de armen, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] (hard) vast te pakken en/of te grijpen, en/of- tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2] te duwen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] tegen een ladekast en/of een bed en/of op de grond is gevallen), en/of- tegen de knie, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] te trappen, en/of- (met kracht) zijn, verdachtes, vinger(s) in de mond en/of tegen de tong(riem) van die [slachtoffer 2] te duwen, en/of- die [slachtoffer 2] te slaan op/tegen de neus, althans tegen het lichaam, en/of- die [slachtoffer 2] (met kracht) te pakken en/of grijpen en/of knijpen in/bij de hals en/of keel en of kaak;(Artikel art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4.hij in of omstreeks de periode 1 juli 2025 tot en met 21 oktober 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een (keuken)kastje en/of een deur en/of meerdere lampen en/of wanddecoratie en/of een blouse en/of een stuur (van een personenauto), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.(Artikel art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand