ECLI:NL:RBZWB:2026:9617

ECLI:NL:RBZWB:2026:9617

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 02-165079-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Bewezenverklaring artikel 6 Wegenverkeerswet, meermalen gepleegd, en identiteitsfraude. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 1 jaar met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-165079-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] , [geboorteland] ,

thans preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,

raadsvrouw mr. G. Kaya, advocaat te Roosendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 7 juni 2026 in Chaam:

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feiten 1 en 2

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide feiten, gelet op onder meer de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie dat voor wat betreft de mate van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) het geheel aan feitelijke gedragingen kan worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig rijgedrag. Daarbij moeten ook het eerdere verkeersongeval op diezelfde dag en het daarna opgelegde rijverbod worden betrokken.

Het standpunt van de verdediging

Feiten 1 en 2

De verdediging stelt dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, gelet op onder meer de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 1 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Het oordeel van de rechtbank

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Nu verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 7 juni 2026, pagina’s 63 en 64 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2026153624 van de regionale politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren;

het proces-verbaal rijden onder invloed, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op 10 juni 2026, pagina’s 179 tot en met 181 van voornoemd eindproces-verbaal;

de beschikking rij- en/of begeleidingsverbod, pagina 185 van voornoemd eind-proces-verbaal;

de camerabeelden met bestandsnaam “ [bestandsnaam] ”;

het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Plaats Delict, ongedateerd, pagina’s 127 tot en met 162 van voornoemd eindproces-verbaal;

de geneeskundige verklaring over het letsel van [slachtoffer 1] van 13 juni 2026, pagina 223 van voornoemd eindproces-verbaal;

de geneeskundige verklaring over het letsel van [slachtoffer 2] van 20 juli 2026, afzonderlijk en ongenummerd toegevoegd aan voornoemd eindproces-verbaal;

het rapport van [ziekenhuis] “Alcohol en drugs in het verkeer” van 29 juni 2026, pagina’s 170 en 171 van voornoemd eindproces-verbaal;

de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 22 september 2026.

De mate van schuld in de zin van artikel 6 WVW

Zoals blijkt uit het voorgaande staat niet ter discussie dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in Chaam in de zin van artikel 6 WVW. Beoordeeld dient te worden in welke mate daarvan sprake is.

Bij de beoordeling daarvan komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Het rijgedrag van verdachte moet worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht.

Voor de mate van schuld bij de aanrijding in Chaam acht de rechtbank de gebeurtenissen van eerder die dag in Breda ook van belang. Verdachte heeft omstreeks 11:47 uur op de Fatimastraat in Breda een ongeval veroorzaakt, waarbij hij als bestuurder van een Audi A6 tegen de linker zijkant van een stadsbus is gebotst. Verdachte bleek toen onder invloed van alcohol te zijn, hetgeen hij ook heeft bekend. Aan hem werd om 13:28 uur een rijverbod opgelegd van drie uur. Die middag omstreeks 16:35 uur heeft hij het ongeval in Chaam veroorzaakt, waarbij hij - rijdend in een andere personenauto - op de Wilderstraat twee motorrijders heeft aangereden die daarbij zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Ook dit keer bleek verdachte onder invloed van alcohol te zijn en werd er ook cocaïne in zijn bloed gemeten. Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht inderdaad cocaïne had gebruikt. Hij is ondanks het ongeval eerder die dag nog vóór het einde van het rijverbod opnieuw in een auto gestapt nadat hij opnieuw alcohol had gedronken. Hij heeft immers ter zitting verklaard dat hij na het eerste ongeval bier heeft gedronken en al ongeveer 20 minuten aan het rijden was toen het ongeval in Chaam op de Wilderstraat plaatsvond. Dit betreft een polderweg, bestaande uit één rijbaan voor verkeer in beide richtingen. Verdachte heeft gedurende enige tijd op de verkeerde zijde van de rijbaan gereden, waarbij hij steeds verder naar de voor hem verkeerde zijde van de rijbaan is opgeschoven. In die situatie heeft verdachte achtereenvolgens meerdere motorrijders niet gezien, zoals hij ook ter zitting heeft verklaard. De eerste motorrijder kon een botsing met verdachte ternauwernood voorkomen door richting de berm te rijden, de tweede motorrijder ( [slachtoffer 2] ) werd door verdachte aan de linkerzijde van de motor geraakt, waarbij zij ten val kwam, en de derde motorrijder ( [slachtoffer 1] ) werd frontaal door hem aangereden.

Dat hij enige tijd niet heeft opgelet, blijkt ook uit de vaststelling dat hij geen enkele poging heeft ondernomen om zijn rijrichting te corrigeren. Tot 0,15 seconde voor de frontale aanrijding met de derde motorrijder, is het gaspedaal bediend en is er geen enkele stuurbeweging gemaakt. Tot dat moment is er ook niet geremd. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met andere zaken bezig was. Twee motorrijders ( [getuige 1] en [getuige 2] ) hebben verklaard dat hij tegen hen heeft gezegd dat hij met zijn telefoon bezig was.

De hiervoor beschreven feitelijke gedragingen en verkeersovertredingen van verdachte zijn, in onderlinge samenhang bezien, zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Feit 2

Nu verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee Overbeeke op 7 juni 2026, pagina’s 61 en 62 van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2026153624 van de regionale politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren;

het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 5] op 18 juni 2026, pagina’s 94 en 95 van voornoemd eindproces-verbaal;

de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 22 september 2026.

Partiële vrijspraak - identiteitskaart

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het opzettelijk en wederrechtelijk gebruiken van de identiteitskaart op naam van [persoon] ter identificatie. Hoewel vast staat dat hij naast het rijbewijs ook de identiteitskaart van [persoon] had, kan niet worden vastgesteld dat hij deze op 7 juni 2026 in Chaam heeft getoond ter identificatie. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat er op 8 juni 2026 foto’s en vingerafdrukken zijn genomen van verdachte, waarbij hij op dat moment de identiteitskaart van [persoon] heeft getoond. Verdachte is in Breda in verzekering gesteld. Daar zal dit waarschijnlijk hebben plaatsgevonden, maar dit is niet ten laste gelegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 7 juni 2026 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg,

de Wildertstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, onder invloed als bedoeld in artikel 8 eerste lid en tweede lid van de WVW 1994, onvoldoende rechts te houden en zijn aandacht niet voortdurend op de weg en op de motorijders naast zich en vóór zich te houden en een motorrijder te schampen en vervolgens in (frontale) botsing te komen met een andere motorrijder, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een schouder uit de kom, twee gebroken ribben, een klaplong en twee gebroken schouderbladen, en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een sleutelbeen uit de kom, een wond op haar knie (die gehecht moest worden) en aangezichtsletsel;

2.

op 7 juni 2026 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van [persoon] heeft gebruikt door een rijbewijs op naam van die voornoemde [persoon] ter

identificatie aan de politie te tonen met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor enig nadeel kon ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt niet gevorderd, nu verdachte na afloop van de zaak wordt overgeleverd aan Litouwen om de in Litouwen nog openstaande gevangenisstraf van dertien jaar uit te zitten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte in Litouwen nog een gevangenisstraf van dertien jaar moet uitzitten.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 7 juni 2026 een ernstig verkeersongeval veroorzaakt op de Wildertstraat in Chaam. Onder invloed van zowel alcohol als cocaïne en terwijl hij niet op het verkeer lette, is hij op de verkeerde zijde van de rijbaan terechtgekomen, waarbij hij twee motorrijders heeft aangereden. Bij [slachtoffer 2] is haar sleutelbeen uit de kom gegaan, waardoor zij een blijvende afwijkende stand van het sleutelbeen en langdurige schouderklachten heeft opgelopen. Ook [slachtoffer 1] heeft hierbij zwaar letsel opgelopen, waaronder twee gebroken ribben, een kleine klaplong en twee gebroken schouderbladen. Een andere motorrijder kon ternauwernood een botsing voorkomen door uit te wijken naar de berm. Verdachte heeft met zijn rijgedrag de veiligheid van meerdere verkeersdeelnemers ernstig in gevaar gebracht. Bovendien beschikte hij niet over een geldig rijbewijs, zodat hij ook zonder het gebruik van alcohol en cocaïne niet gerechtigd was om als bestuurder aan het verkeer deel te nemen.

De rechtbank weegt bovendien mee dat het verkeersongeval in Chaam niet op zichzelf staat. Eerder die dag had verdachte ook al een ongeval veroorzaakt op de Fatimastraat in Breda, waarbij hij in botsing was gekomen met een stadsbus. Ook bij dat ongeval verkeerde hij onder invloed van alcohol. Naar aanleiding daarvan werd aan hem een rijverbod opgelegd voor drie uur. Ondanks dit eerdere ongeval en het rijverbod heeft verdachte opnieuw alcohol gedronken en is hij, nog voordat het rijverbod was geëindigd, weer gaan rijden.

Deze gang van zaken maakt het verkeersongeval in Chaam des te ernstiger. Verdachte had diezelfde dag al ervaren dat zijn verkeersgedrag onder invloed van alcohol tot een ongeval kon leiden en was daardoor al een gewaarschuwd mens. Hij heeft er desondanks voor gekozen opnieuw alcohol te drinken en daarna als bestuurder aan het verkeer deel te nemen.

Daarnaast heeft verdachte zich bij zijn aanhouding gelegitimeerd met een rijbewijs dat op naam van een ander stond. Daarmee heeft hij zijn ware identiteit tegenover de autoriteiten proberen te verbergen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op de vlucht is voor de autoriteiten in Litouwen vanwege het feit dat hij in Litouwen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar. Door zich te identificeren met het rijbewijs van een ander heeft hij het risico gecreëerd dat de werkelijke eigenaar van het rijbewijs in verband zou worden gebracht met de door verdachte gepleegde strafbare feiten. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij deze persoon aan dat risico heeft blootgesteld.

De rechtbank heeft voor het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hieruit blijkt onder meer dat voor een overtreding van artikel 6 WVW, waarbij sprake is van een ernstige mate van schuld, van gecombineerd gebruik van alcohol en drugs en waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar als uitgangspunt wordt genomen.

Strafverzwarend is dat er in deze zaak sprake is van twee slachtoffers die zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Bij de weging van het tweede feit zoekt de rechtbank aansluiting bij het oriëntatiepunt voor het bezit van een vals paspoort, zijnde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een forse gevangenisstraf passend en geboden.

De rechtbank heeft onder meer kennisgenomen van het Nederlandse strafblad van verdachte van 16 september 2026, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het Litouwse strafblad van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in Litouwen op 23 februari 2018 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar wegens drugsgerelateerde feiten.

Gelet op dit laatste ziet de rechtbank, in afwijking van de oriëntatiepunten en net als de officier van justitie, geen aanleiding om aan verdachte naast een gevangenisstraf een ontzegging van de rijbevoegdheid als bijkomende straf op te leggen. Temeer nu de officier van justitie ter zitting heeft bevestigd dat verdachte na het uitzitten van de aan hem op te leggen straf in deze zaak, wordt uitgeleverd aan Litouwen in verband met de daar nog ten uitvoer te leggen gevangenisstraf van dertien jaar. Dit vormt echter voor de rechtbank geen aanleiding om de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te matigen, zoals de verdediging heeft verzocht.

Verdachte heeft ter zitting meerdere malen spijt betuigd en de rechtbank heeft dit bij de strafoplegging betrokken, zodat alles afwegende de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden acht. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van één jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 231b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid en tweede lid, van deze wet, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L. Hoekstra, voorzitter, mr. P.E. van Althuis en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 oktober 2026.

De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

1.hij op of omstreeks 7 juni 2026 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Wildertstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn/haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, onder invloed als bedoeld in artikel 8 eerste lid en/of tweede lid van de WVW 1994, onvoldoende rechts te houden en/of zijn aandacht niet voortdurend, althans in onvoldoende mate op de weg en/of op de motorijders naast zich en/of vóór zich te houden en/of een motorrijder te schampen en/of vervolgens in (frontale)botsing te komen met een andere motorrijder, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond, te weten een schouder uit de kom, twee gebroken ribben, een klaplong en twee gebroken schouderbladen; en/of een ander [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond, te weten een sleutelbeen uit de kom, een wond op haar knie (had die gehecht moest worden) en aangezichtsletsel;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

2.hij op of omstreeks 7 juni 2026 te Chaam, gemeente Alphen-Chaam opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten [persoon] heeft gebruikt door een identiteitskaart en/of een rijbewijs op naam van die voornoemde [persoon] ter identificatie aan de politie te tonen met het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.

( art 231b Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand