Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-244723-25
Parketnummer TUL: 02-210906-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1967,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
thans gedetineerd in de [locatie 1] ,
raadsvrouw mr. M. Simons, advocaat te Raamsdonksveer .
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. K. Simpelaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
van 7 februari 2025 tot en met 12 januari 2026 [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 2) heeft belaagd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte dient partieel vrijgesproken te worden voor het zich meermaals in de nabijheid van de woning van [slachtoffer 1] bevinden en/of ophouden en het bij haar woning naar binnen kijken (feit 1).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen voor die concrete gedragingen waarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Er dient partieel vrijgesproken te worden voor het gestelde volgen, opwachten, zich ophouden bij de woning van [slachtoffer 1] en het naar binnen kijken (feit 1).
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 7 februari 2025 tot en met 12 januari 2026 schuldig heeft gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 2). Hem wordt verweten dat hij in die periode veelvuldig telefonisch contact heeft gezocht met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen is gevolgd en dat hij hen heeft gevolgd met een GPS-tracker. Hij zou hen ook hebben opgehouden en/of opgewacht.
Op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank hierover het volgende vast.
Het bellen door verdachte:
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij meermalen heeft gebeld naar [slachtoffer 1] en dat hij ook heeft gebeld naar [slachtoffer 2] . Drie nummers waarmee [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn gebeld, hebben volgens het onderzoek van de politie gezeten in de bij de doorzoeking aangetroffen telefoons van verdachte. Met deze telefoons is 17 keer gebeld naar [slachtoffer 1] en 3 keer gebeld naar [slachtoffer 2] .
De GPS-trackers
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er in de ten laste gelegde periode tweemaal een tracker onder de auto van [slachtoffer 2] is geplaatst en een keer onder die van [slachtoffer 1] . Op één van de trackers werd DNA van verdachte aangetroffen. Ook werd tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte een telefoon aangetroffen met daarop de applicatie “YunTrack” – een app voor het volgen van voertuigen – en waren twee trackers zichtbaar.
De rechtbank stelt, gelet hierop vast dat verdachte betrokken was bij het plaatsen van deze trackers. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij hulp heeft gekregen bij het plaatsen van de trackers en dat hij beschikte over de telefoon die aan de trackers was verbonden, maar dat hij de trackers niet heeft gevolgd (en dus niet wist waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden). De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat hij wel de moeite zou nemen om al dan niet met hulp van (een) ander(en) trackers onder de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te (laten) plaatsen en de applicatie “Yuntrack” te installeren om vervolgens geen gebruik te maken van de mogelijkheid hen te volgen.
Het volgen en/of opwachten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Uit de dossierstukken komt naar voren dat aangeefster in de periode van 7 februari 2025 tot 12 augustus 2025 meermalen melding doet van het opwachten en/of volgen door verdachte en in de periode van 10 november 2025 tot en met 31 december doet zij ook nog een keer melding. Bij een aantal meldingen is [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] . Volgens een vergelijking van het Aware systeem van [slachtoffer 1] en de enkelband van verdachte waren [slachtoffer 1] en verdachte op een aantal van deze tijdstippen in elkaars directe omgeving. Het gaat om in totaal zeventien contactmomenten. Dat er sprake was van toevallige ontmoetingen zoals verdachte ter zitting heeft aangegeven, volgt de rechtbank niet. Gelet op hoe dicht verdachte en [slachtoffer 1] bij elkaar woonden, is een toevallige ontmoeting niet uitgesloten. Echter, de frequentie waarop zij elkaar volgens de gegevens van de enkelband en het Awaresysteem tegenkwamen en het feit dat de verdachte zich vaak meerdere minuten ophield op de locatie van [slachtoffer 1] , spreekt dit tegen, alsmede ook soms de onlogische reisbewegingen die verdachte maakte. Zo is verdachte op 25 maart 2025 vanuit [plaats 1] over de [locatie 2] in [plaats 2] gereden waarna hij, nadat ook [slachtoffer 1] over de [locatie 2] was gereden, terugkeerde naar [plaats 1] . Op 1 april 2025 heeft verdachte volgens de informatie van zijn enkelband twintig minuten op een kruising in [plaats 3] gestaan en zodra de Aware van [slachtoffer 1] daar aanstraalde, is verdachte teruggegaan naar [plaats 1] . De rechtbank kan dit niet anders uitleggen dan dat verdachte bewust [slachtoffer 1] heeft opgewacht of heeft gevolgd.
Belaging
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).
De rechtbank is van oordeel dat van belaging van [slachtoffer 1] sprake is geweest. Zij baseert dit oordeel op de zeventien keren dat aangeefster is gebeld door verdachte. De stelselmatigheid volgt verder uit het gebruik van GPS-trackers bij zowel de auto van [slachtoffer 1] als die van [slachtoffer 2] en het veelvuldig opwachten en volgen van [slachtoffer 1] door verdachte.
Hoewel er minder frequent contact is geweest tussen verdachte en [slachtoffer 2] , is naar het oordeel van de rechtbank ook bij [slachtoffer 2] sprake van voornoemde stelselmatigheid, gelet op de combinatie van het (telefonisch) contact zoeken en het aantreffen van trackers onder zijn auto. Verder werd hij als partner van [slachtoffer 1] ook geconfronteerd met alle handelingen die verdachte tegenover haar pleegde en was hij ook een aantal keren bij [slachtoffer 1] als verdachte hen volgde of opwachtte. Ook de belaging jegens [slachtoffer 2] kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.
Partiële vrijspraak
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 opgenomen gedachtestreepje, kort gezegd inhoudende dat verdachte bij de woning van aangeefster is geweest, niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.in de periode van 7 februari 2025 toten met 12 januari 2026 in de gemeente [plaats 2] , althans inNederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaaktop eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,door- voornoemde [slachtoffer 1] veelvuldig op te wachten en op te houdenen te volgen en daarbij indringend aan te kijken en - voornoemde [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen en - voornoemde [slachtoffer 1] meermaals via een GPS-tracker te volgenmet het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;
2.in de periode van 7 februari 2025 tot en met 12 januari 2026 in de gemeente [plaats 2] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van[slachtoffer 2] , door
- voornoemde [slachtoffer 2] meermaals te bellen en -voornoemde [slachtoffer 2] meermaals te volgen en op te houdenen op te wachten en - voornoemde [slachtoffer 2] via een GPS-tracker tevolgen,met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden met aftrek van voorarrest wordt opgelegd, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren, met als bijzondere voorwaarden een ambulante behandeling bij de forensische GGZ [kliniek] teneinde de module voor stalkers te volgen, een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de locaties die in de vordering tot tenuitvoerlegging van 12 december 2025 zijn opgenomen. Daarnaast dient een 38v maatregel te worden opgelegd met een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de hiervoor aangegeven locaties voor de duur van drie jaar, waarbij per overtreding van de maatregel een (1) week vervangende hechtenis zal worden toegepast, met een maximum van zes (6) maanden vervangende hechtenis. Zowel de bijzondere voorwaarden als de 38v maatregel dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt het onvoorwaardelijk strafdeel te beperken tot de duur van het reeds ondergane voorarrest. De verdediging verzet zich verder niet tegen oplegging van een voorwaardelijke straf en een eventuele 38v-maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de zaak
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan stalking van een ex-vriendin ( [slachtoffer 1] ) en haar partner ( [slachtoffer 2] ). Hij heeft [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen gebeld, GPS-trackers onder hun auto’s geplaatst en hen meermalen opgewacht en gevolgd.
Verdachte heeft hiermee een forse inbreuk gemaakt op de privacy van de slachtoffers. Stelselmatige inbreuk op iemands privacy en integriteit raakt direct aan de persoonlijkheid en het welbevinden van de slachtoffers en kan tot psychische problemen leiden. Verdachte heeft hier geen enkele rekening mee gehouden, maar zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen belangen en emoties. Dit soort feiten hebben grote impact.
Die grote impact blijkt ook wel uit de spreekrechtverklaringen die op de zitting door de
slachtoffers zijn voorgelezen. [slachtoffer 1] heeft beschreven dat zij reeds lange tijd in angst leeft en dat haar lichamelijke en psychische gezondheid ernstig zijn verslechterd. Ze slaapt slecht, is voortdurend alert en kan zich moeilijk concentreren op haar werk en dagelijkse bezigheden. Ze kan zich niet meer ontspannen omdat ze bang is voor verdachte en heeft ook zorgen om haar kinderen. [slachtoffer 2] heeft beschreven wat de stalking voor [slachtoffer 1] , maar ook voor hem heeft betekend. Hij is altijd alert als hij buiten komt. Dat heeft geleid tot stress, spanning en slapeloze nachten. Er kwam enige rust toen verdachte voor onderhavige zaak in voorlopige hechtenis kwam. Beiden geven aan dat zij bang zijn voor het moment waarop verdachte weer vrijkomt.
De rechtbank neemt verdachte dit alles des te meer kwalijk omdat hij op 21 februari 2025 ook al is veroordeeld voor belaging van [slachtoffer 1] en gelijk na de inhoudelijke behandeling van die strafzaak op 7 februari 2025, het stalken van [slachtoffer 1] heeft doorgezet en de aard en ernst van de gedragingen is verergerd. Ook een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van deze straf (de beslissing van 12 december 2025) heeft hem er niet van weerhouden toch opnieuw te gaan stalken. De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat na detentie verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opnieuw gaat stalken. Het voorkomen hiervan vindt de rechtbank van het grootste belang bij de bepaling van de strafmaat en -soort.
De persoon van verdachte
Verdachte heeft lang een ontkennende houding aangenomen. Pas ter zitting heeft hij aangegeven [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wel te hebben gebeld en dat hij verantwoordelijk is voor de geplaatste trackers onder de auto’s. Verdachte gaf er ter zitting geen blijk van dat hij het kwalijke van zijn handelen kon inzien en dat hij zich realiseerde hoeveel impact deze feiten hebben gehad op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Uit de door de [psycholoog] opgemaakte rapportage van 6 mei 2026 volgt dat er geen psychische stoornis is vast te stellen en dat bij de verdachte net geen lichte verstandelijke beperking kan worden vastgesteld. Het risico op recidive is door de psycholoog als matig/hoog ingeschat omdat verdachte het tenlastegelegde bij de psycholoog heeft ontkend en omdat bij verdachte iedere vorm van probleembesef ontbreekt en hij niet gemotiveerd lijkt voor enige vorm van behandeling. De psycholoog stelt dat de rechtbank kan overwegen om verdachte, ondanks diens afwezige motivatie daartoe, een ambulante behandeling op te leggen bij de forensische GGZ [kliniek] waar een module voor stalkers wordt aangeboden.
De reclassering heeft in haar rapport van 6 augustus 2026 gesteld dat verdachte zich tijdens het lopende schorsingstoezicht niet conformeert aan de behandelverplichting (bijvoorbeeld afname van diagnostiek), maar ook niet aan de gestelde contact- en locatieverboden zoals deze bij vonnis van 21 februari 2025 door de rechtbank zijn opgelegd. Ondanks de hoge risico's en het grote belang bij de inzet van interventies en slachtofferbescherming, lijken de mogelijkheden binnen een toezicht uitgeput en onvoldoende toereikend. De reclassering ziet op dit moment geen mogelijkheid tot inzet van reclasseringsinterventies om de risico's te beheersen. De reclassering heeft in haar rapport van 18 september 2026 dit standpunt herhaald en geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, alsmede een contact- en gebiedsverbod als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, waarbij dadelijke uitvoerbaarheid noodzakelijk is.
Straf
De rechtbank acht het van groot belang dat het stalken stopt. Een taakstraf is een gepasseerd station, gelet op de recidive. Verdachte moet ervan worden weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan stalking van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daarvoor acht de rechtbank een flinke (voorwaardelijke) straf noodzakelijk. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de reclassering de uitvoering daarvan lastig vindt, omdat verdachte zich tijdens het lopende schorsingstoezicht niet heeft geconformeerd aan de voorwaarden, ziet de rechtbank een kleine opening in de houding van verdachte ter zitting, waar hij heeft aangegeven toch open te staan voor behandeling. Verdachte heeft aangegeven dat de detentieperiode hem aan het denken heeft gezet en hij “alles” wil doen om te voorkomen dat hij weer de fout ingaat. De eis van de officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank passend.. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen conform het eerdere vonnis van 21 februari 2025. De rechtbank vult deze bijzondere voorwaarden aan met de verplichting voor verdachte om een ambulante behandeling te volgen bij de forensische GGZ [kliniek] , specifiek de module voor stalkers. De rechtbank zal ook een langere proeftijd van drie (3) jaren opleggen om de reclassering de gelegenheid te geven verdachte langere tijd te begeleiden en te laten behandelen.
Ook zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren omdat er, mede gezien de eerdere veroordeling en de toegenomen ernst van de stalkingsgedragingen, rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] .
De rechtbank geeft verdachte in overweging mee dat het helpend kan zijn dat hij gaat verhuizen, zodat zijn pad en dat van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elkaar minder snel zullen kruisen waardoor ook zijn behandeling makkelijker kan verlopen. Dit temeer omdat het voorstelbaar is dat aan verdachte, mocht hij in de toekomst recidiveren, een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf of zelfs tbs zal worden opgelegd.
Maatregel artikel 38v Sr
Naast de voorwaardelijke straf acht de rechtbank het van groot belang dat er ook een zogenaamde vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte wordt opgelegd op grond van artikel 38v Sr. Deze maatregel houdt een contact- en gebiedsverbod in ten aanzien van het slachtoffer. Met deze verboden beoogt de rechtbank dat de slachtoffers rust in hun leven krijgen en dat de kans op recidive wordt verminderd. Beide verboden gelden voor drie (3) jaar. Voor iedere keer dat verdachte één van deze verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van een (1) week (met een maximum van zes (6) maanden) worden toegepast.
Nu er – mede gelet op de eerdere veroordeling van 21 februari 2025 – rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 8.179,73 voor feit 1.
De benadeelde partij vordert een bedrag ter hoogte van € 179,73 aan materiële schade, bestaand uit door de benadeelde partij gemaakte reiskosten en medische kosten. De vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:96 BW. De vordering is door de verdediging niet betwist en de rechtbank zal derhalve uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en de vordering ter hoogte van € 179,73 aan materiële schade toewijzen.
De benadeelde partij vordert voorts een bedrag ter hoogte van € 8.000,- aan immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij de vordering heeft onderbouwd met concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad. Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat zij in voortdurende angst leeft om te worden gevolgd of te worden geconfronteerd met de verdachte, dat haar gevoel voor veiligheid ernstig is aangetast, dat zij lijdt aan slaapklachten en concentratieproblemen, dat zij door het belagen langdurig psychisch is belast ten gevolge waarvan zij medicatie moet gebruiken, dat zij beperkt inzetbaar op werk is en zich ook ziek heeft moeten melden, dat zij haar dagelijks leven heeft moeten aanpassen en dat zij ook bang is voor haar kinderen. De gestelde gevolgen zijn door de verdediging niet (voldoende) betwist, nu door de verdediging enkel is aangevoerd het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen in voldoende mate zijn komen vast te staan.
Gelet op de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 BW.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkel bedrag de schade die aangeefster heeft gehad, kan compenseren. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde materiële en immateriële schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 7 februari 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank 21 februari 2025 onder parketnummer 02-210906-24 gedeeltelijk, voor de duur van twee weken, ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging deels worden toegewezen. De rechtbank acht het namelijk van belang dat een deel van de voorwaardelijke straf nog boven het hoofd van verdachte blijft hangen.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: Belaging;
feit 2: Belaging;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij
Reclassering Nederland te Breda (Langendijk 34 Breda), na het maken van een
afspraak via telefoonnummer: 088-804 1505. Verdachte blijft zich melden op
afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* verdachte laat zich behandelen door Fivoor Breda of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
* verdachte laat zich ambulant behandelen door de forensische GGZ [kliniek] en volgt daar de module voor stalkers;
* verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met
mevrouw [slachtoffer 1] (geboortedatum [geboortedag 2] 1971) en de heer [slachtoffer 2] (geboortedatum [geboortedag 3] 1966) in deze zaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
* verdachte bevindt zich gedurende de proeftijd niet in de omgeving van de volgende locaties:
- [adres 2] 300m
- [adres 3] 300m
- [adres 4] 300m
- [adres 5] 300m
- [adres 6] 300m
- [adres 7] 300m
- [adres 8] 200m
- [adres 9] 200m
- [adres 10] 300m
- [adres 11]
- [adres 12] :
- [adres 13] ;
- De jachthaven in [plaats 2] ;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van drie (3) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met mevrouw [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1971 en de heer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1966;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt (1) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes (6) maanden vervangende hechtenis.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen/zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van drie (3) jaren zich niet zal ophouden in de omgeving van de volgende locaties:
- [adres 2] 300m
- [adres 3] 300m
- [adres 4] 300m
- [adres 5] 300m
- [adres 6] 300m
- [adres 7] 300m
- [adres 8] 200m
- [adres 9] 200m
- [adres 10] 300m
- [adres 11]
- [adres 12] :
- [adres 13]
- De jachthaven in [plaats 2] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt een (1) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes (6) maanden hechtenis.
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen/zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen.
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 5.179,73, waarvan € 179,73 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 februari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 5.179,73 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 7 februari 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 50 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat van de voorwaardelijke straf, die bij vonnis van 5 oktober 2026 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-210906-24, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken;
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af;
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
en mr. J.F.C. Janssen en mr. K.H.P. Bovend’Eerdt, rechters,
in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 oktober 2026.
Mr. Janssen en mr. Bovend’Eerdt zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 7 februari 2025 tot en met 12 januari 2026 in de gemeente [plaats 2] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,door- voornoemde [slachtoffer 1] veelvuldig op te wachten en/of op te houden en/of te volgen en/of (daarbij) (indringend) aan te kijken en/of- zich meermaals in de nabijheid van woning van [slachtoffer 1] te bevinden en/of op tehouden en/of bij haar woning naar binnen te kijken en/of- voornoemde [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen en/of- voornoemde [slachtoffer 1] meermaals via een (GPS-)tracker te volgen
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2.hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 7 februari 2025 tot en met 12 januari 2026 in de gemeente [plaats 2] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van[slachtoffer 2] , door- voornoemde [slachtoffer 2] (meermaals) te bellen en/of-voornoemde [slachtoffer 2] (meermaals) te volgen en/of op te houden en/of op te wachten en/of- voornoemde [slachtoffer 2] (meermaals) via (een) (GPS-)tracker(s) te volgen,met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )