Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-800837-14
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 5 oktober 2026 met betrekking tot de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.
1. De procesgang
Betrokkene is op 15 juni 2015 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld wegens opzettelijke brandstichting tot een gevangenisstraf van drie jaar en tbs met verpleging van overheidswege.
De rechtbank constateert dat het hier gaat om een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De termijn van de tbs is gaan lopen op 22 september 2016. Op 17 oktober 2024 is de tbs voor het laatst verlengd met twee jaar en is de verpleging van overheidswege onder voorwaarden beëindigd.
De rechtbank heeft op 12 augustus 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs voor de duur van een (1) jaar. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel ter zitting aan de rechtbank gemaild.
De vordering om de tbs te verlengen is op de openbare terechtzitting van 21 september 2026 behandeld. Op de zitting is de officier van justitie mr. J.A. Castelein gehoord. Ook is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsman. Daarnaast is [deskundige] (reclasseringsmedewerker) gehoord.
2. De adviezen
Advies reclassering
De reclassering heeft in het rapport van 7 juli 2026 geadviseerd om de tbs niet te verlengen. Hoewel het tbs-traject van betrokkene geruime tijd in een patstelling heeft gezeten, gaat het sinds de voorwaardelijke beëindiging goed. Betrokkene stelt zich sindsdien coöperatief op en is open over wat hem bezighoudt. Hij heeft een eigen appartement bij het RIBW in [plaats] en werkt 32 uur per week. Daarnaast is betrokkene transparant over zijn alcoholgebruik, dat tot op heden niet tot problemen heeft geleid. Het recidiverisico is laag.
Op de zitting heeft [deskundige] aangegeven dat betrokkene ook na beëindiging van de tbs in zijn huidige RIBW-appartement kan blijven wonen.
Advies psycholoog
De psycholoog heeft in het rapport van 30 juni 2026 geadviseerd om de tbs niet te verlengen. Hoewel bij betrokkene sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken, functioneert hij inmiddels anderhalf jaar stabiel. Betrokkene heeft laten zien dat hij in een situatie met meer vrijheid en verantwoordelijkheid op essentiële levensgebieden goed functioneert en niet tot delictgedrag komt. Verdere forensische begeleiding, toezicht en controle hebben daarom geen meerwaarde.
3. Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering af te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
Betrokkene heeft op zitting verklaard dat het goed met hem gaat. Hij wil graag dat de tbs wordt beëindigd.
De verdediging heeft afwijzing bepleit van de vordering en daarmee beëindiging van de tbs.
4. Beoordeling
De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.
Gelet op het rapport van de psycholoog stelt de rechtbank vast dat bij betrokkene sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale kenmerken. Sinds de voorwaardelijke beëindiging van de tbs functioneert betrokkene echter stabiel en is het risico op recidive laag. Zodanig laag dat er geen redenen zijn om de tbs te verlengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, niet langer meer eist dat de tbs wordt verlengd. De vordering van de officier van justitie wordt om die reden afgewezen.
5. Beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering van de officier van justitie.
Deze beslissing is genomen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. K.H.P. Bovend'Eerdt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 oktober 2026.
De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.