Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-821533-17
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op een bij de rechtbank bekend adres,
raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg .
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 8 december 2025, 12 januari 2026 en 16 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. P.W.P. Emmen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op
7 oktober 2026.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
alleen of samen met een ander/anderen [slachtoffer] heeft vermoord of opzettelijk heeft gedood door haar meerdere keren met een mes of een ander scherp voorwerp te snijden of te steken.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak van de moord (het primair ten laste gelegde feit) en van het ten laste gelegde medeplegen. Wel kan de doodslag (het subsidiair ten laste gelegde feit) wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, gelet op de resultaten van het DNA-onderzoek aan de nagels van het slachtoffer, de belastende gedragingen van verdachte rond haar overlijden en zijn opmerkelijke gedrag op 24 december 2017, de deels kennelijk leugenachtige verklaringen en de algehele inconsistentie van zijn verklaringen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit volledige vrijspraak. Uit het aangetroffen DNA van verdachte kan geen betrokkenheid van verdachte bij het overlijden van het slachtoffer worden afgeleid omdat dit DNA verdachte niet situeert op de plaats delict. Daarnaast voert de verdediging aan dat de conclusies uit het TMFI rapport interpretatie op activiteitenniveau en het aanvullend rapport van [deskundige] niet betrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Evenmin is er bewijs voorhanden dat verdachte op een andere manier betrokken is geweest bij het overlijden van het slachtoffer.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van het dossier en wat op de zittingen is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Dood van het slachtoffer In de avond van 23 december 2017 heeft de politie, naar aanleiding van een melding om 21.49 uur, op het binnenterrein achter de woningen aan [straat 1] te [plaats] , ter hoogte van [huisnummer] , het levenloze lichaam van de 58-jarige [slachtoffer] aangetroffen. Zij bleek door verschillende snij- en steekletsels om het leven te zijn gebracht.
Bij onderzoek zijn negen steekletsels door een scherp voorwerp, zoals een mes, van het bovenlichaam en de hals van [slachtoffer] gevonden. Onder andere was sprake van diep snijletsel aan de hals waarbij het strottenhoofd, de slokdarm en de halsslagader is doorgesneden. Verder was sprake van diep steekletsel in de buik waardoor het middenrif en het hart was doorboord. Naast de steekletsels bevonden zich op verschillende plekken op het lichaam, waaronder het gelaat, de handen en het linker bovenbeen van [slachtoffer] bloeduitstortingen, welke verklaard konden worden door uitwendig mechanisch stomp botsend geweld. Het steekletsel op de linkerhand en de bloeduitstortingen op de handen kunnen deels of geheel zijn ontstaan door afweer (afweerletsels). Bij het onderzoek is verder een fractuur van een van de ribben gevonden die kon worden verklaard door stomp extern inwerkend geweld, en er was sprake van een huidbeschadiging van het achterhoofd als gevolg van eveneens uitwendig mechanisch stomp of botsend geweld.
Voorts bleek dat zij ook in haar rug een steekverwonding had. In de jas is geen beschadiging aangetroffen.
Vaststelling tijdlijn
[slachtoffer] en verdachte kenden elkaar al vele jaren. Zij waren bevriend. Beiden zijn bekend met de handel in drugs en verdachte kocht cocaïne van [slachtoffer] .
Op 23 december 2017 had verdachte ’s avonds een afspraak met [slachtoffer] die zag op de betaling van een al langer bestaande schuld die hij bij haar had. Verdachte had haar eerder verteld dat hij die schuld zou kunnen inlossen door (de verkoop van) amfetamineolie.
Omstreeks 19.40 uur werd verdachte door zijn moeder in de omgeving van de woning van [slachtoffer] afgezet. Nadat hij ongeveer twintig minuten in de woning van [slachtoffer] aan [adres 1] was geweest, werd hij rond 20.00 uur door [slachtoffer] in haar Opel Corsa naar zijn woning aan [adres 2] te [plaats] gebracht. [getuige 1] zag die avond tegen 20.30 uur bij [adres 2] een groenige Opel Corsa rijden. Deze auto parkeerde naast de flat. [getuige 1] hoorde een portier opengaan, een mannenstem praten en zag vervolgens dat verdachte gestrest, bleek en bezweet vanuit de richting van de auto kwam lopen en richting de portiekdeur van de flat ging. Het leek alsof hij haast had. Verdachte droeg een bruine jas of trui. In de auto met draaiende motor zat een oudere vrouw die druk op haar telefoon was. Ook zij leek gestrest. Het was dezelfde auto die hij op de foto van Omroep Brabant over de zaak heeft gezien.
Om 20.29 uur had [slachtoffer] telefonisch contact met haar dochter en was er sprake van data upstreaming vanaf de telefoon van [slachtoffer] . De dochter hoorde op dat moment angst in de stem van haar moeder, wat zij apart vond.
Om 21.00.21 uur reed de Opel Corsa van [slachtoffer] over het [plein] , komend vanaf [straat 1] . Op die camerabeelden werd door verbalisanten, ook na een tweede beoordeling, een arm gezien van een bijrijder achterin, die een glimmend recht voorwerp vasthield (vermoedelijk een mes) ter hoogte van de nek/keel van de bestuurder/bestuurster. Op dezelfde beelden van het [plein] kwam vervolgens om 21.00.50 de Opel Corsa weer in beeld, dit keer rijdend richting [straat 1] .
[getuige 2] , die vanuit haar woning zicht had op [straat 1] en de in/uitrit naar het binnenterrein waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen, hoorde rond 21.00 uur een jammerend geroep en zag ongeveer tien minuten later (nadat zij om 21.13 uur een e-mail had verzonden) via de genoemde in/uitrit een klein model auto klungelig en schokkerig wegrijden vanaf het binnenterrein.
De Opel Corsa reed om 21.15 uur weer op de [straat 2] , komend vanuit [straat 1] .
Verdachte kwam tussen 21.21 uur en 21.30 uur bij [getuige 4] aan die woont aan [adres 3] te [plaats] , waarna hij om 21.33 uur met de auto van [getuige 4] richting Jumbo-supermarkt reed. Bij de supermarkt heeft hij bier gekocht, waarna hij naar de woning van [getuige 4] is teruggekeerd.
Om 21.49 is de melding over het aantreffen van [slachtoffer] bij de politie binnengekomen.
Verdachte heeft later die nacht, tijdens het stappen, op 24 december 2017 rond 02.46 uur met de telefoon van [getuige 3] naar 112-meldingen in [plaats] gezocht en deze pagina’s ook bekeken, waaronder een melding over de inzet van een ambulance naar de plaats delict.
Op 24 december 2017 is verdachte rond 10.00 uur met de auto van [getuige 4] vertrokken, waarna hij tot ongeveer 16.30 uur onbereikbaar is. Hij had een mes van [getuige 4] meegenomen.
De auto van [slachtoffer] is op 26 december 2017 op de Bachlaan aangetroffen. Gelet op het bloedspattenpatroon op de auto van [slachtoffer] , staat vast dat haar auto op de plaats delict heeft gestaan.
DNA-rapportages
Er is zowel onder de nagels als op de nagelrand (vrij uitstekende deel) van de nagels van [slachtoffer] bemonsterd en getest op aanwezigheid van DNA-sporen. Negen van de tien nagels bevatten een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren van wie één zeker een man, waarvan [slachtoffer] en verdachte donor kunnen zijn.
In de bemonsteringen van #04, #05 en #10 matcht het DNA-hoofdprofiel met dat van verdachte. De kans dat een willekeurig, niet aan de donor verwant, ander persoon dat DNA-profiel heeft, is kleiner dan één op één miljard. In de bemonsteringen van #01 en #03 matcht het DNA-nevenprofiel met dat van verdachte. De kans dat een willekeurig, niet aan de donor verwant, ander persoon dat DNA-profiel heeft, is kleiner dan één op één miljard.
Van de bemonstering van de nagel van de duim van de rechterhand van [slachtoffer] [kenmerk 1] is het resultaat van het onderzoek aan de bemonstering zeer veel waarschijnlijker (10.000-1.000.000x) wanneer de bemonstering DNA-sporen bevat van [slachtoffer] en verdachte, dan van [slachtoffer] en één onbekende, niet verwante persoon.
Van de bemonsteringen van de nagels van de rechterhand van [slachtoffer] #07, #08 en #09 zijn de resultaten van het onderzoek aan de bemonstering extreem veel waarschijnlijker (> 1.000.000x) wanneer de bemonstering DNA-sporen bevat van [slachtoffer] en verdachte dan van [slachtoffer] en één onbekende, niet verwante persoon.
Ook het horlogebandje van [slachtoffer] is bemonsterd, [kenmerk 2] . Daarop is een DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man aangetroffen. Het DNA-hoofdprofiel matcht met dat van [slachtoffer] en verdachte kan donor zijn van een geringe hoeveelheid celmateriaal in de bemonstering. Door de deskundige zijn deze resultaten statistisch onderbouwd middels twee hypothesen:
Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van [slachtoffer] , [verdachte] en een onbekende, niet verwante persoon.
Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van [slachtoffer] en twee onbekende, niet verwante personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker (> 1.000.000 x) wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
De rechtbank concludeert uit het DNA-onderzoek op bronniveau allereerst dat verdachte donor is van (een deel van) het celmateriaal op/onder de nagels van [slachtoffer] .
Rapportages (TMFI) interpretatie op activiteitenniveau
De rechtbank oordeelt op grond van de bevindingen van het forensisch onderzoek voorts dat sprake is geweest van intensief en/of langdurig contact tussen [slachtoffer] en de persoon die haar om het leven heeft gebracht, zoals een worsteling of gevecht. Op de handen van [slachtoffer] is namelijk afweerletsel in de vorm van bloeduitstortingen en steekletsel waargenomen. De rechtbank neemt voor dit oordeel daarnaast in aanmerking de wijze waarop het lichaam van [slachtoffer] was gepositioneerd en haar kleding was gedrapeerd. Zo lag zij op haar rug met haar handen omhoog, haar bovenkleding deels omhoog en haar sjaal gedeeltelijk over en onder haar lichaam met het bandje van de sjaal eronder. Bovendien is haar jas, ondanks de steekverwonding in de rug, intact gebleven, hetgeen erop wijst dat haar jas op het moment van steken omhoog gekropen zat. Dit alles wijst erop dat [slachtoffer] zich tegen haar belager heeft verweerd.
Naar aanleiding van de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] hem die avond een builtje cocaïne heeft gegeven en daarbij met twee handen zijn hand heeft vastgepakt, heeft
[deskundige] in het TMFI rapport van 15 oktober 2021 een interpretatie op activiteitenniveau van resultaten van onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek uitgevoerd, en dit onderzoek nader toegelicht bij aanvullend rapport van 12 april 2026. In het TMFI rapport van 2021 werden de onderzoeksresultaten, in onderling verband en samenhang bezien, getoetst aan de volgende hypothesecombinaties:
1a. Er heeft intensief en/of langdurig contact, zoals een worsteling of een gevecht plaatsgevonden tussen het slachtoffer en de verdachte. Het slachtoffer heeft zich voorafgaand aan haar dood verzet tegen de verdachte, door zich af te weren. 1b. Het slachtoffer heeft de hand van de verdachte met beide handen omsloten tijdens het overhandigen van een zakje cocaïne. Daarna heeft er een worsteling of een gevecht plaatsgevonden tussen het slachtoffer en de verdachte. Het slachtoffer heeft zich voorafgaand aan haar dood verzet tegen de verdachte, door zich af te weren.2. Het slachtoffer heeft de hand van de verdachte met beide handen omsloten tijdens het overhandigen van een zakje cocaïne. Er heeft geen gevecht of worsteling plaatsgevonden tussen het slachtoffer en de verdachte. Het slachtoffer heeft zich voorafgaand aan haar dood verzet tegen, dan wel een gevecht gehad met, een ander willekeurig onbekend persoon.
Er is gebruik gemaakt van de hypothesecombinatie 1a met 2 en van 1b met 2. Volgens de nadere toelichting van de deskundige valt onder de ‘interactie’ van de hypotheses 1a en 1b ook de contextinformatie dat verdachte, voorafgaand aan het overlijden, bij [slachtoffer] thuis is geweest, zij hem met de auto heeft thuisgebracht en hem daarbij een zakje cocaïne heeft overhandigd (en zijn hand met beide handen heeft omsloten).
Eveneens is de deskundige uitgegaan van het sporenbeeld dat de hoeveelheid DNA van verdachte op/onder een aantal nagels relatief meer is dan de hoeveelheid die afkomstig kan zijn van [slachtoffer] zelf.
De deskundige heeft in zijn rapport overwogen dat de kans klein (tussen 0,05 en 0,25) is dat door intensief en/of langdurig contact tussen [slachtoffer] en verdachte (zoals in hypothesen 1a en 1b) onder nagels van beide handen van [slachtoffer] DNA van verdachte (inclusief een relatief grote hoeveelheid) aanwezig is. Onder hypothese 2 is de kans betrekkelijk groot (tussen 0,25 en 0,75) dat daardoor onder minimaal één van de nagels van [slachtoffer] geen identificeerbare hoeveelheid DNA van een onbekende persoon aanwezig is. De kans is zeer klein (als kleiner dan 0,05) dat door de interactie in de auto (en de details over het overhandigen van een builtje cocaïne) onder nagels van beide handen van [slachtoffer] DNA van verdachte (inclusief een relatief grote hoeveelheid) aanwezig is.
De deskundige concludeert vervolgens over de hypothesecombinatie 1a met 2 dat het verkregen resultaat waarschijnlijker (10-100x) is onder hypothese 1a dan onder hypothese 2. Ook voor de hypothesecombinatie 1b met 2 geldt dat het verkregen resultaat onder 1b waarschijnlijker (10-100x) is dan onder 2.
Betrouwbaarheid rapportages (TMFI) interpretatie op activiteitenniveau
De verdediging heeft aangevoerd dat de conclusies uit de rapportages van [deskundige] niet betrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, onder meer omdat de gestelde hypothesen niet betrouwbaar zijn en de onderzoeken uit de literatuur waarnaar de deskundige heeft verwezen niet overeenkomen met de specifieke omstandigheden van dit geval.
De rechtbank stelt voorop dat de formulering van de bovenstaande hypothesecombinaties en de wijze waarop de afzonderlijke onderzoeken zijn gedaan, volgens de wetenschappelijke standaarden zijn verricht, waarbij het Openbaar Ministerie en de verdediging betrokkenheid hebben gehad bij de totstandkoming van de hypotheses. De deskundige heeft geen andere alternatieve hypotheses onderzocht, omdat die niet zijn aangedragen en geen onderdeel waren van zijn opdracht. Bij de hypothese die is gebaseerd op de verklaring van verdachte heeft hij tevens de (sociale) interactie tussen verdachte en het slachtoffer betrokken.
Omdat in elke zaak de exacte omstandigheden anders zijn, is er bij DNA-onderzoek op activiteitenniveau vaak geen literatuur beschikbaar die exact overeenkomt met de omstandigheden in die specifieke zaak. Daarom wordt door deskundigen gebruik gemaakt van data uit wetenschappelijke literatuur waarbij de omstandigheden zoveel mogelijk overeenkomen met de omstandigheden in de onderhavige zaak. Op basis van deze data en zijn kennis en ervaring in overige zaken heeft de [deskundige] de kansinschatting uit de literatuur bijgesteld zodat deze beter past bij de omstandigheden in de huidige zaak. Omdat de omstandigheden niet exact gelijk zijn, rapporteert de deskundige hierbij altijd met een bepaalde marge van onzekerheid. Zo rapporteert de deskundige intervallen van waarschijnlijkheidstermen in plaats van exacte getallen. Ook heeft de deskundige nader onderbouwd op welke manier hij de kansinschattingen heeft berekend. Gelet op de onderbouwing ervan met de meest relevante literatuur en omdat de deskundige uitgaat van de ondergrens van de bewijskracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de conclusies van de deskundige te twijfelen.
De rechtbank volgt daarom de conclusie uit het rapport van 12 april 2026 dat de wijze van bemonsteren van de nagels (op of onder) geen effect heeft op de conclusies in het rapport op activiteitenniveau van 2021.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de rapportages onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank de resultaten van de rapporten met de nodige voorzichtigheid moet interpreteren en dat de conclusies niet zelfstandig tot een bewezenverklaring kunnen leiden.
Betrokkenheid verdachte
Vervolgens ligt de vraag voor of verdachte degene is geweest die betrokkenheid heeft gehad bij de dood van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt als volgt.
Met verwijzing naar hetgeen zij hiervoor over de tijdlijn heeft overwogen, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] tussen circa 21.00 uur en 21.13 uur om het leven is gebracht. Waar verdachte heeft verklaard dat hij zich tussen omstreeks 20.30 uur (thuis afgezet door [slachtoffer] ) en 21.21-21.30 uur (aankomst bij [getuige 4] ) in de kelder/berging van de woning aan de Generaal [adres 2] bevond, is dit niet verifieerbaar en constateert de rechtbank dat verdachte geen alibi heeft.
De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de plaats delict en de woning van [getuige 4] met de auto in ongeveer acht à negen minuten is af te leggen. Vanaf de [straat 2] , waar de Opel Corsa van [slachtoffer] om 21.15 uur heeft gereden, is het nog vier minuten rijden tot [adres 3] , de woning van [getuige 4] . De woning van verdachte is slechts een tweetal minuten rijden van [adres 3] verwijderd. Verdachte kan [slachtoffer] dus hebben gedood en binnen het hiervoor vermelde tijdvak van 21.21 uur en 21.30 uur bij [getuige 4] zijn aangekomen.
Zowel verdachte als [slachtoffer] kwamen op 23 december 2017 rond 20.30 uur volgens [getuige 1] gestrest over. [slachtoffer] klonk rond dat tijdstip zelfs angstig aan de telefoon met haar dochter. [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte rond 21.21 uur bezweet (‘zweette zich kapot’) bij haar binnenkwam, waarvoor hij een ‘vaag’ verhaal had.
Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat verdachte rond 20.30 uur een jas of trui droeg. Toen verdachte tussen 21.21 uur en 21.30 uur bij [getuige 4] aankwam, droeg hij een T-shirt met gaten. Ook als verdachte kort na het incident om 21.41 uur bij de Jumbo bier haalt, heeft hij geen jas of vest meer aan, maar draagt hij alleen een T-shirt. [getuige 1] verklaart dat het die avond zo koud was. Ook [getuige 3] met wie verdachte in de nacht uitgaat, heeft opgemerkt dat hij het opvallend vond dat verdachte bij die temperaturen geen jas droeg omdat hij het zelf koud had die avond. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij zich niet meer herinnert of hij een jas aan had. De rechtbank overweegt dat verdachte niet met een aannemelijke verklaring is gekomen waarom hij geen jas of trui droeg terwijl het koud was en hij eerder die avond wel een jas of trui droeg.
Later die nacht, heeft verdachte tijdens het stappen op 24 december 2017 rond 02.46 uur met de telefoon van [getuige 3] naar 112-meldingen in [plaats] gezocht en deze pagina’s ook bekeken, waaronder een melding over de inzet van een ambulance naar de plaats delict. Vervolgens is verdachte op 24 december om 10.00 uur ‘s ochtends met de auto van [getuige 4] vertrokken en is hij de hele dag onbereikbaar geweest. Daarnaast lijkt het erop dat verdachte in het telefoongesprek met [getuige 4] op 25 december 2017 de tijdlijn wil afstemmen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij zijn eerste verklaring als getuige en daarna als verdachte niet eenduidig verklaart over de tijdstippen waar hij op 23 december 2017 is geweest. Voorts komt hij pas op 28 december 2017 met een verklaring waar hij tussen 20.30 en 21.21 uur is geweest, maar deze verklaring wordt niet door objectieve gegevens onderbouwd. Evenmin geeft hij een geloofwaardige verklaring waarom hij op de telefoon van iemand anders op 24 december 2017 tijdens het uitgaan 112-meldingen zoekt.
Tussen verdachte en [slachtoffer] was sprake van een conflict dat te maken had met drugs. Er was sprake van een schuld van verdachte aan [slachtoffer] , waarbij verdachte [slachtoffer] had verteld dat hij die schuld zou kunnen inlossen door (de verkoop van) amfetamineolie. Op 23 december 2017 hadden verdachte en [slachtoffer] een gesprek over deze schuld.
Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen, staat voor de rechtbank vast dat tussen [slachtoffer] en de dader op 23 december 2017 intensief en/of langdurig contact heeft plaatsgevonden, zoals een worsteling of gevecht én dat onder negen van de tien nagels van [slachtoffer] DNA van verdachte is aangetroffen, en onder drie nagels zelfs meer DNA van verdachte dan van [slachtoffer] zelf.
Uit het onderzoek op activiteitenniveau zoals beschreven in het TMFI rapport van 2021 van [deskundige] en diens aanvullende rapportage uit 2026 is naar voren gekomen dat de DNA-resultaten waarschijnlijker zijn onder de eerder genoemde scenario’s 1a en 1b dan onder scenario 2. De DNA-resultaten passen naar het oordeel van de rechtbank dus meer bij het scenario dat het DNA van verdachte op/onder de nagels van [slachtoffer] terecht is gekomen door intensief en/of langdurig contact, zoals een gevecht of worsteling dan door het overhandigen van een builtje cocaïne met het omsluiten van de hand van verdachte, ook indien de sociale interactie tussen verdachte en het slachtoffer in ogenschouw wordt genomen. Verder heeft de deskundige aangegeven dat de kans op dit specifieke DNA-resultaat bij een intensief en/of langdurig contact weliswaar klein is, maar dat de kans op dit resultaat bij het geven van een builtje door verdachte zeer klein zou zijn. Ten slotte geeft de deskundige aan dat er in geen van de bemonsteringen van de nagels van [slachtoffer] een volledig DNA-profiel van een andere persoon dan verdachte of [slachtoffer] is aangetroffen. Bij hypothese 2 zou de kans zijn toegenomen dat er wel genoeg DNA van een onbekend persoon zou zijn aangetroffen. Nu dit niet is waargenomen is de kans op het wel verkregen resultaat groter onder hypothese 1a en 1b dan onder hypothese 2.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte zelf blijkt dat [slachtoffer] niet of nauwelijks fysiek contact had met anderen, zelfs niet met familie.
Conclusie
De rechtbank stelt op grond van de resultaten van het DNA-onderzoek in combinatie met de overige bewijsmiddelen vast dat het DNA van verdachte op/onder de nagels is gekomen als gevolg van intensief en/of langdurig contact, zoals een gevecht of worsteling en dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] op 23 december 2017 heeft gedood.
De rechtbank gaat er daarbij van uit dat verdachte na het doden van [slachtoffer] in de auto van [slachtoffer] zat die de [getuige 5] omstreeks 21.13 uur heeft waargenomen en die omstreeks 21.15 uur in de [straat 2] is gezien en reed in de richting van de woning van verdachte en de woning van [getuige 4] . Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte, teneinde te trachten zich een alibi te verschaffen, zo snel mogelijk naar de woning van [getuige 4] is gegaan, binnen welk tijdsbestek hij zich heeft ontdaan van kleding waarop voor hem belastende sporen zouden kunnen worden aangetroffen en hij de auto van [slachtoffer] heeft omgewisseld voor de auto van [getuige 4] om met die auto naar de Jumbo te gaan. Dit vindt steun in de omstandigheid dat verdachte, terwijl het een koude winteravond betrof, de avond van het overlijden van [slachtoffer] in een T-shirt naar de Jumbo gaat, alsmede dat hij in het hiervoor genoemde telefoongesprek met [getuige 4] op 25 december 2017 kennelijk probeert haar ervan te overtuigen dat hij op de avond van de dood van [slachtoffer] (veel) eerder bij haar was aangekomen dan daadwerkelijk het geval was. De rechtbank gaat er verder van uit dat verdachte die nacht de telefoon van [getuige 3] heeft gebruikt om na te gaan of het lichaam van [slachtoffer] al was gevonden.
Vaststaat dat [slachtoffer] naar aanleiding van de afspraak met verdachte over een te betalen schuld zonder dat zij dit eerder van plan was haar auto heeft gepakt en van huis is weggegaan. Ongeveer een uur nadat zij haar woning heeft verlaten en ongeveer 45 minuten nadat zij met verdachte bij [adres 2] is gezien, is zij om het leven gebracht. Gelet hierop en in het licht van de hiervoor genoemde resultaten van het DNA-onderzoek en de hiervoor genoemde gedragingen van verdachte (sterk zwetend binnenkomen bij [getuige 4] , het dragen van een T-shirt, de zoekacties op de telefoon van [getuige 3] , het trachten een alibi te bewerkstelligen in het telefoongesprek met [getuige 4] ), mocht van verdachte worden verwacht dat hij een aannemelijke verklaring zou hebben gegeven waaruit kan volgen dat hij niet betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] . Een dergelijke verklaring ontbreekt hetgeen de rechtbank meeweegt bij de bewijswaardering.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte met een scherp voorwerp, zoals een mes in de buik van [slachtoffer] heeft gestoken en daarmee haar hart heeft doorboord. Ook heeft verdachte de hals van [slachtoffer] doorgesneden. Dit heeft tot haar dood geleid. Het steken in de buik en het doorboren van het hart en het snijden in de hals zijn uitvoeringshandelingen die, gelet op de aard ervan, zozeer zijn gericht op het doden van [slachtoffer] , dat er sprake is van opzet bij verdachte op haar dood.
Primair ten laste gelegde moord
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
De conclusie luidt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer] .
Medeplegen
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden om van medeplegen uit te gaan. Niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, noch is duidelijk wat ieders aandeel dan zou zijn geweest. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het medeplegen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
subsidiair:
op 23 december 2017 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft
beroofd, door die [slachtoffer] - met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals te snijden en
met een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en de rug te steken.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Hij heeft daarbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast wordt de gevangenneming van verdachte gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer] , een bekende van hem die hij naar eigen zeggen beschouwde als zijn stiefmoeder. Verdachte heeft [slachtoffer] op de plaats delict gebracht en haar daar op brute wijze gedood door in haar buik te steken en haar hals door te snijden en de overige steekverwondingen aan te brengen. Zij is in de koude winternacht, vlak voor kerst en buiten op straat, een vreselijke en gewelddadige dood gestorven. Het kan niet anders dan dat de laatste minuten voor haar dood enorm beangstigend moeten zijn geweest.
Verdachte heeft met dit handelen het meest kostbare bezit van [slachtoffer] afgenomen, namelijk haar leven en heeft hierdoor groot en onherstelbaar verlies en veel verdriet toegebracht aan de nabestaanden en iedereen die [slachtoffer] lief had. De nabestaanden hebben nog steeds last van de wijze waarop zij hun moeder zijn verloren. Dit blijkt uit de ter zitting van 8 december 2025 voorgedragen slachtofferverklaringen en de toelichtingen op de vorderingen tot schadevergoeding. De nabestaanden missen hun moeder en hebben allen psychische klachten overgehouden aan dit feit.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad. De nabestaanden zullen daardoor in het ongewisse blijven over het waarom. Daarnaast heeft verdachte bijgedragen aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving doordat de doodslag op de openbare weg heeft plaatsgevonden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 juli 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het voorgeleidingsconsult van het NIFP van 2 januari 2018 waaruit blijkt dat de intelligentie van verdachte op gemiddeld wordt geschat. Verdachte is niet bekend met psychiatrische problematiek of psychische klachten.
Nader gedragsdeskundig onderzoek is daarom niet geïndiceerd.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken tot 1 juli 2023, de datum van verhoging van het strafmaximum voor doodslag, werden opgelegd. De rechtbank neemt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaar als uitgangspunt.
Redelijke termijn
De rechtbank zal rekening houden met een overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 december 2017, omdat verdachte op dat moment in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van meer dan acht jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke
termijn in deze zaak vierentwintig maanden. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden met ruim zes jaren. Daarom zal als compensatie de straf aanzienlijk worden gematigd.
Conclusie
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Vordering gevangenneming
De door de officier van justitie gevorderde gevangenneming zal door de rechtbank worden afgewezen, gelet op het zeer forse tijdsverloop in deze zaak. De verdachte is al meer dan 8 jaren zijn berechting in vrijheid aan het afwachten zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om, zolang nog geen sprake is van een onherroepelijk vonnis, verdachte in voorlopige hechtenis te nemen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Het beslag
De teruggave
Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp, de Opel Corsa, wordt een last gegeven tot teruggave aan de nabestaanden van het slachtoffer, omdat de auto bij het slachtoffer in beslag is genomen en zij als rechthebbende kon worden aangemerkt.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
De nabestaanden van het slachtoffer, [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. [benadeelde 1] vordert vergoeding van € 43.499,89, waarvan € 8.499,89 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade (shockschade). [benadeelde 2] vordert vergoeding van € 35.000,- wegens immateriële schade (shockschade) en [benadeelde 3] vordert vergoeding van € 25.000,- wegens immateriële schade (shockschade). Allen vorderen daarbij ook vergoeding van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Kosten lijkbezorging (vordering [benadeelde 1] )
Op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek hebben nabestaanden recht op vergoeding van redelijke kosten van lijkbezorging.
De gevorderde schadeposten voor de bloemen voor de uitvaart, de grafzerk, bloemen voor de stille tocht en diverse kosten voor het graf, vallen hieronder. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.
Immateriële schade en medicijnen (shockschade)
Alle drie de nabestaanden hebben vergoeding van shockschade gevorderd. Shockschade is schade door geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat ontstaat door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan.
Vaststaat dat [slachtoffer] op gruwelijke wijze om het leven is gebracht. Uit de bij de vorderingen overgelegde stukken, te weten een brief van de huisarts en van de psycholoog, blijkt dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis bij alle drie de nabestaanden. Twee van de drie nabestaanden hebben hier ook behandeling voor gevolgd. Niet weersproken is dat dit geestelijk letsel is ontstaan als gevolg van de waarneming van het slachtoffer dan wel het beeldmateriaal dat zich in het dossier bevindt, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. Dit brengt mee dat de benadeelde partijen aanspraak kunnen maken op vergoeding van immaterieel nadeel.
Gelet op alle omstandigheden en bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 20.000,- per nabestaande billijk. De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vorderingen kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde 1] heeft daarnaast vergoeding gevorderd van de kosten van de medicijnen. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd en door de verdediging niet betwist, zodat de vordering ook in zoverre zal worden toegewezen.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment waarop de schade is ontstaan, te weten 23 december 2017.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. De duur van de gijzeling bedraagt ten hoogste één jaar, zodat de rechtbank per schadevergoedingsmaatregel de gijzeling naar evenredigheid zal bepalen tot hoogtes waardoor het maximum van 360 dagen niet wordt overschreden (ECLI:NL:HR:2026:177).
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
doodslag
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het subsidiair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tien (10) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 28.499,89, waarvan € 8.499,89 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 december 2017 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 28.499,89 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 december 2017 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 150 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 december 2017 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 20.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 december 2017 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 105 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 3]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 20.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 december 2017 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] , € 20.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 23 december 2017 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 105 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
1. STK personenauto: Opel Corsa 2003.
Vordering gevangenneming
- wijst af de vordering tot gevangenneming.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter,
en mr. L.W. Louwerse en mr. V.M. Schotanus, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 oktober 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 23 december 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten
rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal
met een mes, althans een dergelijk scherp en of puntig voorwerp, in de hals te
snijden en/of steken, en/of - meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans
een dergelijk scherp en of puntig voorwerp, in de buik en/of de rug, althans in het
lichaam, te steken;
( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 december 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft
beroofd, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een
dergelijk scherp en of puntig voorwerp, in de hals te snijden en/of steken, en/of -
meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een dergelijk scherp en of
puntig voorwerp, in de buik en/of de rug, althans in het lichaam, te steken.
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )