ECLI:NL:RBZWB:2026:9753

ECLI:NL:RBZWB:2026:9753

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 02-013537-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-partner, gedurende een periode van ruim zes maanden. Hij heeft haar op indringende wijze lastig gevallen door haar veelvuldig beledigende en belastende mails te sturen. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 150 uur. Vanwege de hardnekkigheid van de gedragingen van verdachte zich de rechtbank noodzaak in het opleggen van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-013537-26

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1979,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-partner [slachtoffer] heeft gestalkt (feit 1) en twee busjes pepperspray voorhanden heeft gehad (feit 2).

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de bewijsmiddelen in het dossier. Ten aanzien van de belaging kan worden bewezen dat het feit is gepleegd in de periode 19 juni 2025 tot en met 17 december 2025.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte bekent dat hij veelvuldig berichten heeft gestuurd, maar hier was een gerechtvaardigde reden voor. Van stalking is daarom volgens hem geen sprake (feit 1). Verdachte is daarnaast van mening dat de doorzoeking, waarbij twee busjes pepperspray door de politie zijn aangetroffen, onrechtmatig was (feit 2).

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 24 april 2025 tot en met 1 januari 2026 zijn ex-partner [slachtoffer] heeft belaagd.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het dossier blijkt, en verdachte heeft dit ook erkend, dat verdachte veelvuldig en ook stelselmatig e-mails heeft gestuurd naar zijn ex-partner. Verdachte is hiermee doorgegaan ondanks het dringende verzoek van [slachtoffer] om alleen over het noodzakelijke voor de kinderen te communiceren en ondanks de STOP-gesprekken met de politie.

Volgens verdachte had hij een gerechtvaardigde reden om [slachtoffer] zo vaak te berichten, omdat zij zich niet aan het echtscheidingsconvenant zou houden. De rechtbank stelt vast dat het overgrote deel van de berichten echter niet zag op de omgang met of informatie over de kinderen, maar eenzijdige teksten betroffen met een beledigende en belastende inhoud. De berichten van verdachte gingen daarmee een redelijke dienend contact tussen hem en [slachtoffer] in vergaande mate voorbij.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van de periode is de rechtbank van oordeel dat de belaging heeft plaats-gevonden in de periode 19 juni 2025 tot en met 30 december 2025. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de periode van 17 december 2025 tot en met 30 december 2025 wel bewezen, nu uit het dossier volgt dat er – ook – in die periode berichten zijn verstuurd door verdachte.

Feit 2

Verdachte wordt daarnaast verdacht van het voorhanden hebben van twee busjes pepperspray. Deze busjes pepperspray zijn aangetroffen in zijn woning. Op zitting heeft verdachte bekend dat hij de busjes pepperspray voorhanden heeft gehad, maar volgens hem is er sprake geweest van een onrechtmatige doorzoeking.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen pepperspray oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het dossier volgt dat de politie de woning rechtmatig is binnengetreden op grond van artikel 2 en 3 van de Algemene wet op het binnentreden en artikel 55 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat [verbalisant] bij het binnentreden van de woning op de deurpost een busje zag staan, welke hij ambtshalve direct als pepperspray herkende. Het tweede busje pepperspray is aangetroffen op het keukenblad. De rechtbank stelt vast dat de busjes pepperspray in het zicht zijn aangetroffen en dat de politie rechtmatig heeft gehandeld. Voor zover verdachte dit bedoelt, is aldus geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte twee busjes pepperspray voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1in de periode van 19 juni 2025 tot en met 30 december 2025 te [plaats] (gemeente Altena) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op een anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door - veelvuldig (bele-digende) e-mailberichten te sturen naar die [slachtoffer] , met het oogmerk die voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te dulden;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2op 14 januari 2026 te [plaats] , gemeente Altena, twee wapens van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten twee busjes pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert – voor feit 1 – aan verdachte op te leggen een voorwaar-delijke gevangenisstraf van twee maanden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 150 uur met aftrek van voorarrest en de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met aangeefster en een gebiedsverbod, met de bepaling dat bij iedere overtreding van deze maatregel zeven dagen vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert dat de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn. Voor feit 2 vordert de officier van justitie aan verdachte een geldboete op te leggen van 350 euro.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-partner, gedurende een periode van ruim zes maanden. Verdachte heeft zijn ex-partner, [slachtoffer] , op indringende wijze lastig gevallen door haar veelvuldig beledigende en belastende e-mails te sturen. Hij heeft deze e-mails bovendien niet alleen naar haar gestuurd, maar ook zeer regelmatig naar andere betrokken personen en instanties. Niet alleen heeft hij zich opgedrongen aan [slachtoffer] met zijn onmin over haar en de relatiebreuk, ook heeft hij haar op deze wijze in een kwaad daglicht gezet bij derden. Meerdere stopgesprekken en een gedragsaanwijzing hebben er niet toe geleid dat verdachte stopte met zijn gedrag. Zelfs tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verdachte zich zeer beledigend uitgelaten over het slachtoffer.

De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor verdachte frustrerend is wanneer hij, naar zijn gevoel, de kinderen onvoldoende kan zien of te weinig over hen wordt geïnformeerd. Dit rechtvaardigt echter niet zijn gedrag. Het is belangrijk dat hij dit omwille van zijn kinderen ook inziet en hier naar gaat handelen. Het stemt de rechtbank voorzichtig positief dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij geen berichten meer stuurt en dat hij zich wil focussen op de toekomst met zijn kinderen. Het is belangrijk dat verdachte ervan doordrongen is én blijft dat het stalken van zijn ex-partner niet de manier is om zijn onvrede te uiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij op 19 maart 2026 is veroordeeld voor het overtreden van de gedragsaanwijzing. Het betreft de gedragsaanwijzing die verdachte in de huidige zaak opgelegd heeft gekregen. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 Sr van toepassing is.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 18 september 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het risico op recidive als hoog inschat. De risico verhogende factoren zien op de leefgebieden relatie partner, psychosociaal functioneren en houding. De reclassering rapporteert dat er sprake is van een zichzelf versterkende dynamiek. Verdachte blijft vanuit zijn zorgen over de kinderen contact zoeken met zijn ex-partner, betrokken personen en instanties. Daarbij valt op dat de berichten niet alleen betrekking hebben op de kinderen of de omgangsregeling, maar ook regelmatig verwijten en uitingen van onvrede richting [slachtoffer] bevatten. Wanneer verdachte zich niet gehoord voelt, blijft hij zijn zorgen en standpunten onder de aandacht brengen. Gelet op deze dynamiek adviseert de reclassering aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contact- en gebiedsverbod. De ambulante behandeling bij Ambulant Centrum Fivoor moet zich richten op de psychische problematiek die ten grondslag ligt aan het stalkingsgedrag en het risico op herhaling. Geadviseerd wordt het toezicht en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 150 uur met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Met het voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank zal de proeftijd op drie jaar bepalen en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden betreffende de meldplicht en behandelverplichting opleggen, met reclasseringstoezicht. Omdat de rechtbank een contact- en gebiedsverbod als vrijheidsbeperkende maatregel zal opleggen, ziet de rechtbank geen noodzaak om het contact- en gebiedsverbod ook als bijzondere voorwaarden op te leggen.

De verdachte heeft zich bij feit 1 schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer. Gelet op het hoge recidiverisico, de meerdere stopgesprekken en het overtreden van de gedragsaanwijzing, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank zal, gelet op de hardnekkigheid van het gedrag van verdachte en het hoge recidiverisico, het locatieverbod en het contactverbod ter bescherming van het slachtoffer opleggen als een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar. Daarbij zal worden bepaald dat bij elke overtreding zeven dagen vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. De rechtbank zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte zich belastend zal gedragen tegenover [slachtoffer] .

7. Het beslag

De inbeslaggenomen busjes pepperspray worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 38v, 38w, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26, 55 en 58 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

Strafbaarheid

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: belaging;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Verdachte meldt zich voor de eerste afspraak binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland aan de Langendijk 34 te Breda, nadat hij telefonisch een afspraak heeft gemaakt via 088-8041505;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat onderzoeken en, indien geïndiceerd, laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De zorgverlener bepaalt de inhoud en frequentie van de behandeling. De behandeling richt zich op de psychische problematiek die ten grondslag ligt aan het stalkingsgedrag en het risico op herhaling. Indien de behandelaar dit noodzakelijk

acht, kan het gebruik van voorgeschreven medicatie onderdeel uitmaken van de behandeling;

waarbij van rechtswege de voorwaarden gelden:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

Maatregel

- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 3 jaren:

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden;

- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;

- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, en mr. R. de Jong en A.K. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van L.P.C. Bruijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 oktober 2026.

De voorzitter en de griffier zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 april 2025 toten met 1 januari 2026 te [plaats] (gemeente Altena), althans inNederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eensanders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door- veelvuldig (beledigende) e-mailberichten te sturen naar die [slachtoffer] ,met het oogmerk die voornoemde [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen,te dulden en/of vrees aan te jagen;( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2hij op of omstreeks 14 januari 2026 te [plaats] , gemeente Altena, twee wapens vancategorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten twee busjespepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen metgiftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffenvoorhanden heeft gehad;( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.B. Prenger
  • mr. R. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand