Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-082048-26
Parketnummer TUL: 02-211944-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsvrouw mr. L.V. Romme, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting met gesloten deuren van 24 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. A. Verhoeven, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Met inachtneming van deze wijziging komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te doden door hem met een mes in zijn zij te steken. Dit is (meer) subsidiair ten laste gelegd als een (poging) zware mishandeling en meest subsidiair als het aan zijn schuld te wijten toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De volledige tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak voor de poging tot doodslag zoals primair ten laste gelegd. De officier van justitie acht op basis van het strafdossier wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair en (meer) subsidiair ten laste gelegde feit omdat het vereiste opzet ontbreekt. De verdediging heeft zich gerefereerd wat het meest subsidiaire feit betreft.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
Wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen dit vonnis, zullen de bewijsmiddelen tegelijkertijd met het proces-verbaal van de zitting worden uitgewerkt.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, maar met name op basis van de beelden die ter terechtzitting zijn bekeken, stelt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Op 18 maart 2026 is tussen verdachte en [getuige] een ruzie ontstaan. Verdachte gaf [getuige] een klap in zijn gezicht, waarna [getuige] hem terugsloeg. Verdachte heeft daarop een mes getrokken met een groot lemmet. Verdachte is vervolgens meerdere keren richting [getuige] gelopen waarbij hij met het mes een zwaaiende beweging in de richting van het bovenlichaam van [getuige] maakt. Terwijl verdachte deze bewegingen maakt, komt [slachtoffer] meerdere keren dicht bij hem en [getuige] in een poging om hen uit elkaar te halen. Op enig moment heeft verdachte [slachtoffer] met het mes geraakt ter hoogte van het middenrif. [slachtoffer] is vervolgens met spoed opgenomen in het ziekenhuis en is aldaar geopereerd.
Verdachte heeft verklaard dat hij nimmer het opzet heeft gehad om iemand daadwerkelijk te raken en dat hij het mes enkel heeft gebruikt om [getuige] af te schrikken, aangezien hij bang was dat [getuige] ook een mes had. [slachtoffer] is zelf tegen het mes aangelopen. Toen verdachte dit hoorde, heeft hij gelijk sorry gezegd en is de ruzie met [getuige] ook gestopt.
Opzet
Uit het dossier en de behandeling ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verdachte willens en wetens en daarom desbewust heeft gehandeld. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte geen sprake is geweest van ‘vol opzet’ op de dood van [slachtoffer] . De vraag is vervolgens of wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zogenaamd ‘voorwaardelijk opzet’ op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. Daarbij gaat het om de afweging of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen.
De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van die vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij is er geen grond om de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte onder de onderhavige omstandigheden de aanmerkelijke kans op de dood van een ander in het leven heeft geroepen. Dit geldt niet alleen voor [getuige] op wie de agressie van verdachte primair was gericht, maar ook voor [slachtoffer] . Op de beelden is duidelijk te zien dat [slachtoffer] meerdere keren dichtbij komt in een poging om verdachte en [getuige] uit elkaar te halen. Verdachte heeft een groot mes in zijn hand waarmee hij krachtige zwaaibewegingen maakt ter hoogte van het bovenlichaam. [slachtoffer] is door één van deze bewegingen ook daadwerkelijk in zijn bovenlichaam geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam verschillende vitale organen en grote slagaders bevinden.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank acht de gedragingen van verdachte, bezien in het licht van de hiervoor omschreven omstandigheden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het kunnen toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat een ander als gevolg daarvan zou komen te overlijden, bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties die tot een ander oordeel moeten leiden, is niet gebleken. Het feit dat de agressie van verdachte niet primair op [slachtoffer] was gericht, maakt dit oordeel niet anders. In zijn poging om verdachte en [getuige] uit elkaar te trekken, kwam [slachtoffer] meerdere keren heel dichtbij. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij zich ervan bewust was dat [slachtoffer] tussenbeide probeerde te komen. Ondanks deze wetenschap is verdachte blijven uithalen met het mes.
Conclusie
De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het [slachtoffer] . Nu verdachte met zijn handelen is begonnen met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf en de dood van [slachtoffer] niet is ingetreden, acht de rechtbank de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen zoals primair ten laste gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 18 maart 2026 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, met een mes in zijn zij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 160 dagen waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met hieraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) zijn geadviseerd.
Daarnaast vordert de officier van justitie om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) op te leggen voor de duur van 12 maanden met de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en aanvullend de elektronische monitoring van verdachte voor de maximale duur van 6 maanden. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van zowel de GBM als de bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke jeugddetentie.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat, voor welke ten laste gelegde variant de rechtbank ook tot een bewezenverklaring komt, een onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan het voorarrest niet wenselijk is. Het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie acht de verdediging, gelet op de duur van het voorarrest, niet passend. Indien dit wel wordt gedaan, verzoekt de verdediging hier de voorwaarden aan te koppelen zoals door de Raad geadviseerd. Tegen het opleggen van een GBM verzet de verdediging zich niet, mits deze wordt beperkt tot een duur van zes maanden en daarbij niet ook de elektronische monitoring van verdachte als voorwaarde wordt bepaald.
Het oordeel van de rechtbank
De straf en maatregel die aan verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon een persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op [slachtoffer] . Wat voor verdachte begon als een stoeipartij met [getuige] , is uitgemond in een gevecht waarbij een ander slachtoffer is geworden. Verdachte heeft, als enige, een groot mes gebruikt en daarbij een aantal keren zodanig uitgehaald dat hij bewust het risico heeft genomen dat hij ook anderen dan [getuige] , namelijk [slachtoffer] , zou raken. [slachtoffer] was steeds in de buurt en wilde verdachte en [getuige] uit elkaar halen, maar werd levensgevaarlijk geraakt in zijn borstkas. Diezelfde nacht nog is hij met spoed geopereerd vanwege een scheur in het middenrif. [slachtoffer] heeft vervolgens een week in het ziekenhuis moeten doorbrengen. Aan het toegebracht letsel heeft hij een flink litteken overgehouden. Het feit heeft veel impact op hem gehad en op zijn familie. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die de moeder van [slachtoffer] namens hem heeft voorgelezen.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij door het trekken van een mes een ruzie heeft willen beslissen. Dat hij [slachtoffer] daarbij niet heeft willen raken, maakt zijn handelen en de gevolgen daarvan niet minder ernstig. Verdachte heeft spijt betuigd, maar de rechtbank betwijfelt of hij zich de ernst van zijn daad in volle omvang beseft en dat het mogelijk nog veel erger had kunnen aflopen. Het steekincident heeft zich bovendien nabij een schoolplein afgespeeld op een tijdstip waarop er nog mensen op straat waren. Niet alleen versterkt dit het gevoel van onveiligheid bij het slachtoffer en bij de getuigen, maar ook in de maatschappij in bredere zin. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte op zijn jonge leeftijd eerder is veroordeeld voor met name geweldsdelicten en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is: verdachte is op 31 maart 2026 nog niet onherroepelijk veroordeeld tot een jeugddetentie van 185 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaar voor onder meer het medeplegen van een verkrachting. Ten tijde van het plegen van het feit liep verdachte nog in een proeftijd van een andere veroordeling. Het gemak waarmee verdachte over lijkt te gaan tot strafbare feiten en geweldshandelingen baart de rechtbank veel zorgen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van 7 juli 2026 opgesteld door drs. [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog. In het psychologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een brede neurobiologische ontwikkelings-stoornis, onder andere bestaande uit een licht verstandelijke beperking en een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Dit belemmert verdachte sterk in het herkennen, begrijpen en doorgronden van sociale situaties, eigen emoties en die van anderen. Daarnaast is bij verdachte sprake van een ‘anders gespecificeerde trauma- en stressorgerelateerde stoornis’, deviante cognities en zeer passieve coping. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde – indien bewezen – in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Vanwege de ernst van de ontwikkelingsproblemen, de kwetsbaarheid van verdachte en het risico dat van zijn deviante cognities (geweld en omgang met deviante anderen) en van de trauma- en stressor gerelateerde problematiek uitgaat, wordt het herhalingsgevaar matig tot hoog ingeschat. Om dit te keren, is ambulante forensische behandeling en intensieve forensische begeleiding nodig. Geadviseerd wordt om deze in het specifieke kader van een GBM te bieden, waarbij verdachte wordt verplicht tot een nuttige daginvulling, begeleiding en behandeling. Een voorwaardelijke straf en een leerstraf bleken eerder onvoldoende blijvend effectief, waardoor hiermee niet kan worden volstaan.
De rechtbank volgt het advies van de deskundige en zal het feit in verminderde mate toerekenen aan verdachte.
Blijkens het rapport van de Raad van 17 september 2026 volgt de Raad het GBM-advies, zoals geformuleerd door de psycholoog. De Raad heeft ernstige zorgen over de houding, vaardigheden en het sociale netwerk van verdachte. Ook zijn er al langere tijd twijfels over zijn leerbaarheid: uitleg lijkt onvoldoende te beklijven en verdachte reageert vaak impulsief. De laatste jaren is verdachte meermaals in de problemen gekomen door zijn contacten en conflicten met anti-sociale jongeren. Uit het pro Justitia onderzoek blijkt duidelijk waarom verdachte situaties niet goed kan overzien en waarom hij sneller in risicovolle situaties terecht komt en impulsief handelt. In het schorsingstoezicht wordt gezien dat duidelijke kaders, structuur en begrenzing er momenteel voor zorgen dat verdachte niet meer op straat is en niet meer in contact komt met anti-sociale jongeren. Het toezicht vanuit de jeugdreclassering, de dagelijkse hulp, onderwijs en het behandeltraject zorgen nu voor stabiliteit. Dit alles dient volgens de Raad te worden voortgezet. Volgens de Raad kan dit niet op vrijblijvende basis en verkleint een GBM, met een streng kader waarbij de focus ligt op begeleiding en behandeling, de kans op herhaling. Wanneer het niet goed gaat, kan een time-out in de justitiële jeugdinrichting (JJI) als stok achter de deur worden gebruikt. De Raad acht een GBM ook voldoende verantwoord, omdat in de thuissituatie nog niet alles is geprobeerd en ingezet en voldoende is gebleken dat verdachte bereid en leerbaar is voor deze maatregel. De Raad adviseert een GBM voor de duur van een jaar en stelt – binnen de behandeling van Fivoor en Restart – de volgende modules voor: delict analyse; Leren van Delict; inzicht in sociale risicosituaties; agressie regulatie training; reflectie- en oplossingsvaardigheden training; ambulante begeleiding gericht op emotie-regulatie, daginvulling en sociale contacten; systemische hulp.
De Raad vindt het nodig dat na de GBM begeleiding en behandeling wordt ondervangen voor zover dat nodig is. De Raad adviseert daarom tevens aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden dat verdachte: meewerkt aan het behouden van een passende en positieve dagbesteding in de vorm van dagbesteding/onderwijs/werk; meewerkt aan het inzichtelijk maken van zijn sociale contacten aan moeder en de jeugdreclassering (waarbij hij ook inzicht geeft in zijn mobiele devices indien de jeugdreclassering dit nodig acht; verplicht meewerkt aan vervolghulpverlening binnen de GBM wanneer en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht en geen contact zoekt met medeverdachte en het slachtoffer, waarbij opdracht wordt gegeven aan de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
De Raad adviseert om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De jeugdreclassering onderschrijft het advies van de psycholoog en de Raad. De jeugdreclassering heeft veel zorgen over verdachte. Dit was ook de reden dat eerder niet tot een schorsing kon worden overgegaan. Verdachte houdt zich momenteel goed aan het schorsingsplan. Hij is gebaat bij een strak kader met veel duidelijkheid en structuur. De jeugdreclassering ziet mogelijkheden in forensische begeleiding en behandeling die eerder nog niet geboden zijn en heeft ook het vertrouwen dat een GBM een voldoende kader biedt om dit ambulant te proberen. Benadrukt wordt dat het belangrijk is dat elektronische monitoring doorloopt, omdat verdachte goed moeten kunnen oefenen met het uitbreiden van vrijheden. Daar is voorzichtigheid bij geboden.
Op te leggen straf en maatregel
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde, ook gelet op de zorgen over verdachte en zijn strafblad, in beginsel een jeugddetentie van lange duur rechtvaardigen. Een forse jeugddetentie is passend en geboden om de ernst van het feit tot uitdrukking te laten komen, maar de rechtbank is beperkt in haar wettelijke mogelijkheden.
Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 15 jaar oud. Dit brengt met zich dat de rechtbank gebonden is aan een strafmaximum van 12 maanden. Bovendien is artikel 63 Sr van toepassing. Verdachte is bij vonnis van 31 maart 2026 reeds veroordeeld tot een forse deels voorwaardelijke jeugddetentie. Voor dit feit heeft verdachte reeds 114 dagen in voorarrest gezeten. De ruimte die rechtbank heeft voor de strafoplegging is daardoor ernstig beperkt. Op grond van de conclusies van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat een korte terugkeer naar de justitiële jeugdinrichting niet in het belang van verdachte en ook niet van de maatschappij is. Verdachte heeft belang bij zeer intensieve forensische begeleiding en behandeling, die inmiddels van de grond zijn gekomen in een streng schorsingstoezicht. De rechtbank acht het van belang dat die ontwikkeling niet wordt doorkruist en het programma zoals samengesteld door de Raad in het kader van de GBM op een zo kort mogelijke termijn aanvang neemt. Alles afwegende ziet de rechtbank daarom aanleiding om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest.
Om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 66 dagen opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Aan deze voorwaardelijke jeugddetentie wordt als bijzondere voorwaarde uitsluitend een contactverbod verbonden met het slachtoffer.
Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM)
De rechtbank acht daarnaast een GBM passend en geboden met het programma zoals voorgesteld door de Raad.
De rechtbank zal aan het programma toevoegen:
meewerken aan het behouden van een passende en positieve dagbesteding in de vorm van dagbesteding/onderwijs/werk;
meewerken aan het inzichtelijk maken van zijn sociale contacten aan moeder en de jeugdreclassering (waarbij hij ook inzicht geeft in zijn mobiele devices indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
het houden aan de afspraken van de Elektronische Monitoring (EM), zolang de jeugdreclasseerder dit nodig vindt en voor een maximale duur van zes maanden.
De GBM biedt, mede gelet op de persoon en ontwikkeling van verdachte, de mogelijkheid om binnen een stevig gestructureerd kader de noodzakelijk begeleiding en behandeling te realiseren. De maatregel is snel inzetbaar: er kan onmiddellijk door de jeugdreclassering worden ingegrepen als de verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt. De maatregel kent in dat geval een zogenaamde time-out regeling, waarbij de veroordeelde binnen enkele dagen tijdelijk kan worden opgenomen in een justitiële jeugdinrichting. De verdachte wordt hierdoor direct geconfronteerd met het niet meewerken aan een of meerdere delen van het programma van de maatregel.
De rechtbank zal de GBM opleggen voor de duur van twaalf maanden, met vervangende jeugddetentie voor de duur van zes maanden voor het geval verdachte de maatregel niet naar behoren uitvoert.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal verder bevelen dat de maatregel en het daarbij behorende programma dadelijk uitvoerbaar zijn. Op basis van wat in de hierboven genoemde rapporten is geschreven over het verhoogde recidiverisico, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte (zonder begeleiding en behandeling) opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen. Bovendien is de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van verdachte.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. De vordering van de benadeelde partij(en)
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 36.304,73, bestaande uit €21.304,73 aan materiële schade en €15.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de vordering voor toewijzing vatbaar is. Zij vordert daarbij de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de ziekenhuisdaggeldvergoeding en het verblijf in het Ronald McDonald Huis. Ten aanzien van de reiskosten die zijn gemaakt door de zus van het slachtoffer, en de post studievertraging wordt verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade wordt verzocht deze te halveren.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Materiële schade
Ziekenhuisdaggeldvergoeding (€266) en Ronald McDonald Huis (€90)
De rechtbank is van oordeel dat deze posten voldoende zijn onderbouwd en een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit. De posten zijn niet betwist en de rechtbank zal deze bedragen dan ook toewijzen.
Reiskosten (€323,73)
De rechtbank zal dit bedrag in zijn geheel toewijzen. Gelet op de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding komen reiskosten van gezins- en naaste familieleden, dus ook de zus van [slachtoffer] , voor het bezoeken van het slachtoffer in het ziekenhuis in aanmerking voor vergoeding.
Studievertraging (€18.625)
De rechtbank zal de vordering op dit punt niet ontvankelijk verklaren. Uit de verklaring van de afdelingsleider van de school van [slachtoffer] volgt dat ten tijde van het incident zijn resultaten/cijfers onvoldoende waren om regulier over te gaan naar het 3e leerjaar. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer vastgesteld worden dat de gestelde materiële schade, of een deel daarvan, is veroorzaakt door dat bewezenverklaarde feit. Verder onderzoek van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Pro forma (€2000)
De rechtbank zal de vordering op dit punt, conform het verzoek van de benadeelde partij, niet ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade (€15.000)
De benadeelde partij vordert een bedrag van €15.000,- voor immateriële schade ter zake van en het lichamelijk en geestelijk letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen.
Vast staat dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht bewezen dat [slachtoffer] is gestoken met een mes in zijn borst ter hoogte van het middenrif. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding en de daarbij gevoegde foto blijkt dat [slachtoffer] hieraan een groot litteken op zijn borst heeft overgehouden. Daarnaast blijkt uit deze toelichting dat het feit grote impact heeft gehad op [slachtoffer] en zijn gevoel van veiligheid. [slachtoffer] heeft in kritieke toestand verkeerd en er waren grote zorgen over of hij het incident zou overleven. Uit een gesprek met een kinderpsycholoog blijkt dat hij nog niet is aan de verwerking van het feit. Ook is hij conditioneel nog niet hersteld. Van dit alles ervaart hij nu nog steeds hinder op school, sport (voetbal) en in zijn sociale leven.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending door verdachte maken dat de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat naast het lichamelijk letsel, ook sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam.
Het voorgaande betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De rechtbank over-weegt dat de impact van het bewezenverklaarde voor [slachtoffer] en het gezinssysteem groot is en dat daar een passende schadevergoeding tegenover moet gaan. De uitspraken die aan de vordering zijn toegevoegd, zijn echter niet één op één vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van €10.000,- billijk. Het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank afwijzen.
Conclusie
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van €10.679,73, waarvan €679,73 materiële schade en €10.000 immateriële schade.
BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoedingen aan [slachtoffer] worden gestort op een ten behoeve van hem te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot hij achttien jaar is.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld. De rechtbank zal over het toegewezen schadebedrag de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 18 maart 2026.
8. De vordering tenuitvoerlegging
Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke taakstraf, te weten een werkstraf van 40 uur, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 7 januari 2026 (parketnummer 02-211944-25) af te wijzen, omdat tenuitvoerlegging van hiervan, gelet op de adviezen van de deskundigen, zal overvragen. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Hoewel de officier van justitie en verdediging gemotiveerd hebben aangegeven waarom de vordering tot tenuitvoerlegging niet dient te worden toegewezen, is de rechtbank van oordeel dat het pedagogisch gezien juist van belang is om de vordering tot tenuitvoerlegging wel toe te wijzen. Verdachte wist dat hij in een proeftijd liep en moet dan ook de gevolgen dragen van zijn handelen. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
Poging doodslag
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen, waarvan 66 (zesenzestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarde:
* dat verdachte zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding meldt en zal blijven melden bij de gecertificeerde instelling, te weten William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd), zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen die hem in dit kader worden gegeven;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2011);
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- waarbij aan de gecertificeerde instelling, te weten William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [slachtoffer] ten behoeve daarvan te begeleiden;
-legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 (twaalf) maanden, die bestaat uit dat verdachte gedurende de maatregel:
- zich laat begeleiden en behandelen door Fivoor en/of Restart of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering. De begeleiding en behandeling starten direct na de start van de GBM. De begeleiding en behandeling duurt de gehele duur van de GBM of zoveel korter dan de jeugdreclassering nodig vindt. Het door verdachte te volgen (ambulante) programma bestaat uit de modules:
- Delict analyse en/of Leren van Delict;
- Inzicht in sociale risicosituaties;
- Agressie regulatie training;
- Reflectie- en oplossingsvaardigheden training;
- Ambulante begeleiding gericht op emotie-regulatie, daginvulling en sociale contacten;
- Systemische hulp;
- meewerkt aan het behouden van een passende en positieve dagbesteding in de vorm van dagbesteding/onderwijs/werk;
- meewerkt aan het inzichtelijk maken van zijn sociale contacten aan moeder en de jeugdreclassering, waarbij hij ook inzicht geeft in zijn mobiele devices indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
- zich houdt zich aan de afspraken van de Elektronische Monitoring (EM), zolang de jeugdreclasseerder dit nodig vindt en voor een maximale duur van zes maanden.
- waarbij de gecertificeerde instelling, te weten William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [slachtoffer] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt, voor het geval de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden;
- beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat op grond van artikel 77w, zesde lid, Sr dadelijk uitvoerbaar is;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van €10.679,73, waarvan €679,73 aan materiële schade en €10.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 maart 2026 tot aan de dag der voldoening;
- wijst het overige gedeelte van de vordering betreffende (€5000) immateriële schade af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering (pro-forma post) niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] , geboren op geboren op [geboortedag 2] 2011, te openen spaarrekening met een BEM-clausule.
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , €10.679,73te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 maart 2026 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 7 januari 2026 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-211944-25 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen jeugddetentie indien hij deze niet of niet naar behoren verricht;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mr. E.B. Prenger en mr. A.K. Bloemendal, rechters,
in tegenwoordigheid van L.P.C. Akkermans-Bruijs, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 oktober 2026.
De voorzitter en de griffier zijn buiten staat om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
primair
hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Bredater uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omopzettelijkeen ander, te weten [slachtoffer]van het leven te beroven,met een mes in zijn zij, althans zijn bovenlichaam, in elk in zijn lichaamheeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Bredaaan een ander, te weten [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met een mes in zijn zij,in althans zijn bovenlichaam, in elk geval zijn lichaam te steken;( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot eenveroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Bredater uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf omaan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengenmet een mes in zijn zij, althans zijn bovenlichaam, in ek geval zijnlichaam heeft gestoken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot eenveroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 18 maart 2026 te Bredaroekeloos, althans grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig,onachtzaam en/of nalatig[slachtoffer] met een mes in zijn zij, althans zijn bovenlichaam, in elk gevalzijn lichaam heeft gestoken,waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaarlichamelijk letsel, heeft bekomen,althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/ofverhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden vandeze was ontstaan( art 308 lid 2 Wetboek van Strafrecht )