ECLI:NL:RBZWB:2026:9761

ECLI:NL:RBZWB:2026:9761

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 02-229156-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

volgt

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-229156-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. G. Demir, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. G. Smid en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 samen met een ander verzorgingsproducten heeft verduisterd bij zijn werkgever.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit (partiële) vrijspraak, allereerst van het medeplegen van de verduistering in dienstbetrekking door medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden. Het was [medeverdachte] die binnen [bedrijf] bepaalde welke goederen naar de voedselbank zouden gaan en die de bakken klaarzette. Er was geen taakverdeling, geen samenwerking en geen rol van verdachte in de voorbereiding of in de uitvoering. Het handelen van verdachte kan daarnaast niet gekwalificeerd worden als verduistering in dienstbetrekking. [medeverdachte] voerde alle verduisteringshandelingen uit. Verdachte verkocht de goederen enkel door. Dan kan enkel sprake zijn van (opzet)heling.

Tot slot wordt aangevoerd dat de pleegperiode moet worden ingekort.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verduistering in dienstbetrekking

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en [medeverdachte] waren in de ten laste gelegde periode beiden werkzaam bij [bedrijf] . In die periode zijn er bij [bedrijf] in [plaats 1] meerdere pallets met daarop grote kartonnen dozen met goederen die bestemd waren voor de voedselbank niet bij de voedselbank terechtgekomen, maar weggenomen en doorverkocht aan derden. Deze pallets waren gevuld met verzorgingsproducten van onder meer Unilever, Kimberly Clark en Colgate.

Bij het wegnemen van die pallets waren verdachte en [medeverdachte] betrokken. [medeverdachte] werkte als operationeel manager op de afdeling logistiek in [plaats 1] . [medeverdachte] heeft verklaard dat hij meerdere pallets die bestemd waren voor de voedselbank niet aan de voedselbank heeft geleverd, maar deze heeft aangeboden aan verdachte. [medeverdachte] liet via Whatsapp aan verdachte weten wanneer de pallets klaar stonden in het magazijn. Verdachte regelde vervolgens een chauffeur die de pallets kwam ophalen.

Rol verdachte

Volgens [medeverdachte] was verdachte in de hele tenlastegelegde periode de enige afnemer van de pallets die werden verduisterd bij [bedrijf] . Hij heeft sinds 2016 ongeveer 1200 bakken verkocht aan [verdachte] . Verdachte heeft dit echter ontkend en heeft verklaard dat hij pas sinds begin 2022 de afnemer is. Over de periode vóór 2022 heeft hij verklaard dat hij slechts fungeerde als tussenpersoon tussen [medeverdachte] en andere afnemers, waarbij hij telkens doorgaf wanneer de pallets klaar stonden, zodat deze konden worden opgehaald, en dat hij ervoor zorgde dat de betaling tussen de afnemer en [medeverdachte] werd geregeld. Hij haalde daarvoor het geld contant op bij de afnemers, stortte dit op zijn eigen bankrekening en boekte dit vervolgens over naar de bankrekening van [medeverdachte] . Aan deze handelingen verdiende verdachte naar eigen zeggen ongeveer € 150,00 per transactie. Later verklaart verdachte dat hij daar € 100,00 per transactie aan verdiende. Verdachte verklaart dat hij pas vanaf het moment dat hij een eigen loods had (begin 2022), zelf de pallets van [medeverdachte] is gaan afnemen en dat hij toen gestopt is met zijn werkzaamheden als tussenpersoon.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zijn rol in eerste instantie alleen die van tussenpersoon was ongeloofwaardig en overweegt als volgt. Allereerst wordt de verklaring van verdachte tegengesproken door de (bekennende) verklaring van [medeverdachte] dat verdachte de gehele periode de enige afnemer was. [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte in de periode dat zij samenwerkten in [plaats 2] ook al bakken via hem verkocht. Daar komt bij dat verdachte wisselend heeft verklaard over het bedrag dat hij verdiende. Aanvankelijk verklaart verdachte op 30 augustus 2023 tegenover de politie dat hij €150,00 per transactie verdiende, maar in zijn verhoor van 18 december 2023 verklaart hij dat hij € 100,00 per transactie verdiende. Het is opmerkelijk dat verdachte niet consistent verklaart over zoiets wezenlijks. Van belang is verder dat getuige [getuige] verklaart dat hij in 2018 een restpartij met zeep heeft gekocht van verdachte. Deze verklaring wordt ondersteund door de factuur van 26 augustus 2018 waarop de handtekening van verdachte is te zien en waarop staat: “Partij Zeep Breukboxen”. [getuige] verklaart tegenover de politie ook dat hij in die periode in totaal vier keer langs is geweest in [plaats 1] om bakken af te nemen van [verdachte] . Op één doos heeft hij toen ook “Voedselbank” zien staan. Hij deed alleen zaken met [verdachte] en hij betaalde [verdachte] contant. [getuige] verklaart ook dat hij nooit bij [verdachte] in [plaats 3] is geweest. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte vóór 2022 wel degelijk zelf rechtstreeks contact heeft gehad met de koper en niet slechts fungeerde als schakel tussen [medeverdachte] en de afnemer waarbij hij alleen de betaling regelde. Dit wordt, zoals hiervoor toegelicht, niet alleen door zijn medeverdachte verklaard, maar ook door getuige [getuige] . Bovendien, zelfs als de rechtbank uitgaat van de verklaring van verdachte dat hij € 150,00 zou krijgen per transactie en de door hem opgehaalde bedragen vervolgens moest overboeken naar [medeverdachte] , dan blijkt uit de bankgegevens van verdachte dat er in de periode van 25 januari 2016 tot en met 1 oktober 2021 in totaal een bedrag van € 263.615,00 aan contante stortingen op zijn ABN Amro rekening is gedaan terwijl hij in de periode van 23 maart 2017 tot en met 21 september 2020 in totaal ‘slechts’ een bedrag van € 152.305,00 heeft overgemaakt naar de rekening van [medeverdachte] . Dat is een verschil van ruim € 110.000,00. De vraag rijst vervolgens wat dan dit verschil verklaart. Dat het bedrag van € 110.000,00 het door verdachte verdiende geld voor het zijn van tussenpersoon zou zijn, is niet mogelijk. Immers, uitgaande van zijn verklaring dat hij tweemaal per maand dergelijke transacties deed, dan zou het meer dan 30 jaar (30 x 3600,-) duren voordat dit een bedrag van € 110.000,00 oplevert. Op de zitting heeft verdachte hierover verklaard dat dit geld afkomstig is van een schenking en verkochte grond. De rechtbank ziet wel een overboeking van ruim € 60.000 van verdachte zijn moeder in het dossier maar die overboeking was op een Rabobankrekening en niet op voornoemde ABN Amro rekening en verklaart niet de contante stortingen op die rekening. De stelling van verdachte dat hij grond zou hebben verkocht heeft hij verder niet onderbouwd, zodat de rechtbank daar dan ook aan voorbij zal gaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte, zoals [medeverdachte] heeft verklaard, steeds de afnemer van de pallets was. Hij kocht de pallets van [medeverdachte] en verkocht ze vervolgens door aan derden.

Medeplegen van verduistering in dienstbetrekking

De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van verdachten kan worden aangemerkt als het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte en [medeverdachte] hebben gezamenlijk de pallets met verzorgingsproducten onder het mom van goederen voor de voedselbank uit de beschikkingsmacht van [bedrijf] gehaald en zich deze pallets opzettelijk en wederrechtelijk toegeëigend. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij tussen verdachten sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. [medeverdachte] was degene die vanuit zijn functie bij [bedrijf] de pallets voor verdachte klaarzette. Daarbij hield hij ook rekening met de wensen van verdachte. Zo werd er op zijn verzoek geen Glorix en Kimberley in de dozen gedaan. Vervolgens hadden verdachte en [medeverdachte] met elkaar contact over wanneer de pallets konden worden opgehaald en zorgde verdachte ervoor dat de goederen van het terrein werden weggevoerd. Daarbij hadden zij afgesproken dat de chauffeur die door verdachte werd geregeld, zich moest melden bij de balie van [bedrijf] en dat hij aan moest geven dat hij pallets voor de voedselbank kwam ophalen. Verdachte betaalde [medeverdachte] € 150,00 per doos en heeft deze pallets, dan wel de producten uit de dozen op deze pallets, vervolgens doorverkocht. Zonder elkaars bijdragen en zonder intensief overleg en afstemming hadden verdachten de verduistering niet kunnen plegen. De rechtbank acht het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Periode

Over de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. Zowel verdachte als [medeverdachte] verklaart dat zij met deze handel zijn begonnen in 2016. Uit de gegevens van de bankrekening van verdachte blijkt dat er van 25 januari 2016 tot en met 1 oktober 2021 met regelmaat contante stortingen zijn gedaan op zijn rekening. De rechtbank gaat ervan uit dat deze contante stortingen betrekking hebben op de verduistering van de pallets en neemt 25 januari 2016 daarom als begindatum van de periode. Als einddatum van de periode neemt de rechtbank 22 augustus 2022. Dat is de datum waarop de opslag van verdachte is doorzocht en door de politie verschillende pallets in beslag genomen zijn.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk goederen, te weten pallets met verzorgingsproducten van o.a. Unilever, Kimberly Clark en Colgate, toebehorende aan [bedrijf] , welke goederen zijn mededader uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten Operationeel Manager, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uur, met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de forse overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen van de strafzaak voor verdachte, zoals dat hij verwijtbaar werkloos is geraakt waardoor hij een periode geen inkomen heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] gedurende een periode van meer dan zes en een half jaar schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. [medeverdachte] was werkzaam als operationeel manager op de afdeling logistiek bij [bedrijf] . Vanuit zijn positie als operationeel manager kon [medeverdachte] met regelmaat pallets, met grote dozen met grote hoeveelheden verzorgingsmiddelen die eigenlijk bestemd waren voor de voedselbank, verkopen aan verdachte. Verdachte betaalde [medeverdachte] per doos. In eerste instantie werd door verdachte giraal betaald (totaal € 152.305,00) en nadat de bank vragen ging stellen over deze transacties, betaalde verdachte contant. Verdachte heeft in de periode tot 1 januari 2021 een totaalbedrag van € 263.616,00 op zijn rekening gestort. Voor de herkomst van dat bedrag heeft verdachte geen aannemelijke verklaring. Verdachte en [verdachte] hebben in wezen gestolen van de arme mensen die deze goederen via de voedselbank geschonken zouden krijgen en zich ten koste van hen schaamteloos verrijkt.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte amper verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Hij heeft - ook ter zitting - zijn rol zo klein mogelijk proberen te maken, terwijl het dossier hem daarin niet steunt. Ook dat rekent de rechtbank hem aan.

Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar welke straffen er in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Wanneer deze zaak eerder op zitting was behandeld en er geen sprake was geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, had naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden in de rede gelegen.

De rechtbank houdt echter rekening met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Allereerst heeft verdachte geen relevant strafblad. Daarnaast volgt uit het reclasseringsrapport van 20 augustus 2026 dat verdachte een stabiele partnerrelatie, werk en een koopwoning heeft. De reclassering ziet geen risico’s op het gebied van middelengebruik en psychosociaal functioneren. De reclassering adviseert om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen en vindt interventies of toezicht niet nodig.

Verder weegt de rechtbank mee dat het te lang heeft geduurd voordat deze zaak op zitting is behandeld. Verdachte is aangehouden op 29 augustus 2023 en het is inmiddels oktober 2026. De redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, is daardoor overschreden met ruim een jaar. De rechtbank zal daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar de maximale taakstraf van 240 uren. Daarnaast acht de rechtbank het, gezien de aard van het delict en het daarmee behaalde voordeel en het feit dat er geen ontnemingsprocedure is gestart, passend om ook een financiële straf op te leggen. Zij zal deze financiële straf als bijzondere voorwaarde opleggen bij een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar. Verdachte dient zowel in het eerste jaar, als in het tweede jaar van deze proeftijd € 10.00,00 over te maken naar Voedselbanken Nederland. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als een spreekwoordelijke stok achter de deur dat de verdachte deze betalingsverplichting zal nakomen. Met de voorwaardelijke straf wordt tevens beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank realiseert zich dat zij een hogere straf oplegt dan door de officier van justitie is geëist. De door de officier van justitie gevorderde straf doet echter, gelet op de lange pleegperiode, het zeer hoge bedrag aan door verdachten verkregen wederrechtelijk voordeel en de geraffineerdheid van het handelen waarbij nota bene de voedselbank als dekmantel werd gebruikt, geen recht aan de ernst van het gepleegde strafbare feit.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte in totaal € 20.000,00 overmaakt aan Voedselbanken Nederland, door zowel in het eerste jaar, als in het tweede jaar van de proeftijd € 10.000,00 over te maken op bankrekeningnummer [iban] ten name van Voedselbanken Nederland, onder vermelding van ‘Gift’;

- belast het Openbaar Ministerie met het toezicht op de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr C.E.M. Marsé en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 oktober 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 te [plaats 3] en/of [plaats 1] , althans Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk goederen, te weten pallets met verzorgingsproducten van o.a. Unilever, Kimberly Clark en Colgate, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welke goederen verdachte en/of zijn mededaders, uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten Operationeel Manager en/of productie-manager, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.L. Hoekstra

Griffier

  • mr. A.C.L.J. Luijten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand