Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-229208-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 8 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [woonadres] ,
raadsvrouw mr. S. van Eekelen, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. G. Smid en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 samen met een ander verzorgingsproducten heeft verduisterd bij zijn werkgever.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het medeplegen, van de pleegplaats [plaats 1] en van een deel van de pleegperiode.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verduistering in dienstbetrekking
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) waren in de ten laste gelegde periode beiden werkzaam bij [bedrijf] . In die periode zijn er bij [bedrijf] in [plaats 2] meerdere pallets met daarop grote kartonnen dozen met goederen die bestemd waren voor de voedselbank niet bij de voedselbank terechtgekomen, maar weggenomen en doorverkocht aan derden. Deze pallets waren gevuld met verzorgingsproducten van onder meer Unilever, Kimberly Clark en Colgate.
Bij het wegnemen van die pallets waren verdachte en [medeverdachte] betrokken. Verdachte werkte als operationeel manager op de afdeling logistiek bij de vestiging in [plaats 2] . Hij heeft bekend dat hij meerdere pallets die bestemd waren voor de voedselbank niet aan de voedselbank heeft geleverd, maar deze heeft aangeboden aan [medeverdachte] . Hij liet via Whatsapp aan [medeverdachte] weten wanneer de pallets klaar stonden in het magazijn. [medeverdachte] regelde vervolgens een chauffeur die de pallets kwam ophalen. Verdachte ontving per doos die hij verkocht aan [medeverdachte] € 150,00.
Medeplegen van verduistering in dienstbetrekking
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachten kan worden aangemerkt als verduistering in dienstbetrekking. Verdachte en [medeverdachte] hebben gezamenlijk onder het mom van goederen voor de voedselbank de pallets uit de beschikkingsmacht van [bedrijf] gehaald en zich deze pallets opzettelijk en wederrechtelijk toegeëigend. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij tussen verdachten ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, met een vaste taakverdeling. Beiden vervulden een significante rol. Verdachte was degene die vanuit zijn functie bij [bedrijf] de pallets voor [medeverdachte] klaarzette. Daarbij hield hij ook rekening met de wensen van [medeverdachte] . Zo werd er op zijn verzoek geen Glorix en Kimberley in de dozen gedaan. Vervolgens hadden verdachte en [medeverdachte] met elkaar contact over wanneer de pallets konden worden opgehaald en zorgde [medeverdachte] ervoor dat de goederen van het terrein werden weggevoerd. Daarbij hadden zij afgesproken dat de chauffeur die door [medeverdachte] werd geregeld, zich moest melden bij de balie van [bedrijf] en dat hij aan moest geven dat hij pallets voor de voedselbank kwam ophalen. [medeverdachte] heeft deze pallets, dan wel de producten uit de dozen op deze pallets, vervolgens doorverkocht. Zonder elkaars bijdragen en zonder intensief overleg en afstemming hadden verdachten de verduistering niet kunnen plegen. De rechtbank acht het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Periode
Over de pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. Zowel verdachte als [medeverdachte] verklaart dat zij met deze handel zijn begonnen in 2016. Uit de gegevens van de bankrekening van [medeverdachte] blijkt dat er van 25 januari 2016 tot en met 1 oktober 2021 met regelmaat contante stortingen werden gedaan op zijn rekening. De rechtbank gaat ervan uit dat deze contante stortingen betrekking hebben op de verduistering van de pallets en neemt 25 januari 2016 daarom als begindatum van de periode. Als einddatum van de periode neemt de rechtbank 22 augustus 2022. Dat is de datum waarop de opslag van [medeverdachte] is doorzocht en door de politie verschillende pallets in beslag genomen zijn.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte] in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk goederen, te weten pallets met verzorgingsproducten van o.a. Unilever, Kimberly Clark en Colgate, toebehorende aan [bedrijf] , en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten Operationeel Manager onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 200 uur, met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafbepaling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de forse overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de omvang van de schade niet is komen vast te staan. Gelet daarop wordt verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de duur van het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] gedurende een periode van meer dan zes en een half jaar schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Verdachte was werkzaam als operationeel manager op de afdeling logistiek bij [bedrijf] . Vanuit deze positie kon hij met regelmaat pallets met grote dozen met grote hoeveelheden verzorgingsmiddelen die eigenlijk bestemd waren voor de voedselbank, aan [medeverdachte] verkopen. [medeverdachte] betaalde verdachte per doos. In eerste instantie werd door [medeverdachte] giraal betaald (totaal € 152.305,00) en nadat de bank vragen ging stellen over deze transacties, werd er contant betaald. Met zijn handelen heeft verdachte in ernstige mate misbruik gemaakt van zijn positie en van het vertrouwen dat zijn werkgever en zijn collega’s in hem hadden gesteld. Verdachte en [medeverdachte] hebben in wezen gestolen van de arme mensen die deze goederen via de voedselbank geschonken zouden krijgen en zich ten koste van hen schaamteloos verrijkt.
Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar welke straffen er in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Wanneer deze zaak eerder op zitting was behandeld en er geen sprake was geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, had naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden in de rede gelegen.
De rechtbank houdt echter rekening met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Allereerst heeft verdachte geen strafblad. Daarnaast volgt uit het reclasseringsrapport van 2 september 2026 dat verdachte het strafbare feit heeft gepleegd in een periode waarin hij financiële problemen had. Door de echtscheiding en een verhuizing ontwikkelde verdachte een gokverslaving, waardoor schulden ontstonden. Het verlies van zijn baan, de echtscheiding en de aanzienlijke terugval in inkomen hebben een grote impact op hem gehad. Op dit moment beschikt verdachte over stabiele huisvesting en heeft hij een vast inkomen. Er zijn geen schulden meer en er zijn ook geen aanwijzingen meer voor een (gok)verslaving. Gelet op het tijdsverloop, het uitblijven van nieuwe strafbare feiten, de beëindigde gokproblematiek en de stabiele leefomstandigheden ziet de reclassering geen aanleiding voor een toezicht met voorwaarden. Daarnaast houdt de rechtbank in positieve zin rekening met het feit dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Hij heeft spijt van wat hij heeft gedaan en toonde ook ter zitting berouw.
Verder weegt de rechtbank mee dat het te lang heeft geduurd voordat deze zaak op zitting is behandeld. Verdachte is aangehouden op 29 augustus 2023 en het is inmiddels oktober 2026. De redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, is daardoor overschreden met ruim een jaar. De rechtbank zal daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar de maximale taakstraf van 240 uren. Daarnaast acht de rechtbank het, gezien de aard van het delict, het daarmee behaalde voordeel en het feit dat er geen ontnemingsprocedure is gestart, passend om ook een financiële straf op te leggen. Zij zal deze financiële straf als bijzondere voorwaarde opleggen bij een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar. Verdachte dient zowel in het eerste jaar, als in het tweede jaar van deze proeftijd € 10.000,00 over te maken naar Voedselbanken Nederland. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als een spreekwoordelijke stok achter de deur dat verdachte deze betalingsverplichting zal nakomen. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt tevens beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank realiseert zich dat zij een hogere straf oplegt dan door de officier van justitie is geëist. De door de officier van justitie gevorderde straf doet echter, gelet op de lange pleegperiode, het zeer hoge bedrag aan door verdachten verkregen wederrechtelijk voordeel en de geraffineerdheid van het handelen waarbij nota bene de voedselbank als dekmantel werd gebruikt, geen recht aan de ernst van het gepleegde strafbare feit.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte in totaal € 20.000,00 overmaakt aan Voedselbanken Nederland, door zowel in het eerste jaar, als in het tweede jaar van de proeftijd € 10.000,00 over te maken op [rekeningnummer] ten name van Voedselbanken Nederland, onder vermelding van ‘Gift’;
- belast het Openbaar Ministerie met het toezicht op de naleving van deze voorwaarde;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag.
Dit vonnis is gewezen door P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr C.E.M. Marsé en mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 oktober 2026.
Bijlage I: De (gewijzigde) tenlastelegging
hij in of omstreeks de periode van 25 januari 2016 tot en met 22 augustus 2022 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk goederen, te weten pallets met verzorgingsproducten van o.a. Unilever, Kimberly Clark en Colgate, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welke goederen verdachte en/of zijn mededaders, uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten Operationeel Manager en/of productie-manager, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
.