ECLI:NL:RBZWB:2026:9903

ECLI:NL:RBZWB:2026:9903

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 02-332753-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Brandstichting woning. Gevangenisstraf 15 maanden. Tbs met voorwaarden. Toewijzing vaststellingsovereenkomst benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-332753-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 12 oktober 2026

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1984,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gehecht in de penitentiaire inrichting te [plaats 1],

raadsvrouw mr. E. van de Rakt, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 7 december 2025 tot en met 8 december 2025 brand heeft gesticht in zijn woning waardoor gevaar voor personen en/of goederen te duchten was (feit 1), en hij meerdere slangen en een vogelspin heeft gedood (feit 2).

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte bekent dat hij de brand heeft gesticht en dat daarbij meerdere slangen zijn gedood. De verdediging verzoekt verdachte bij feit 1 vrij te spreken van het onderdeel van de tenlastelegging inhoudende dat levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Dit gevaar wordt volgens de verdediging in het dossier namelijk niet onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij op 8 december 2025 brand in de gezamenlijke woning van verdachte en zijn ex-partner (hierna: [slachtoffer]) aan [adres] heeft gesticht door in de nacht/vroege ochtend de bank in de woonkamer in brand te steken met benzine. Daarbij zijn ook twaalf van de in de woning aanwezige slangen van verdachte en [slachtoffer] gedood. De woning van verdachte en [slachtoffer] betreft een hoekwoning met geschakelde woningen ernaast. Op het moment van de brand waren de buurman en buurvrouw in de naastgelegen woning aanwezig, alwaar zij sliepen. De rechtbank stelt verder vast dat de bank in de woning nog in brand stond op het moment dat de brandweer de woonkamer betrad. Naast de bank werd een jerrycan met daarin benzine aangetroffen. De brand is vervolgens door de brandweerlieden geblust en is dus niet vanzelf gedoofd. De brandweer heeft hierbij aangegeven dat ze er net op tijd bij waren en de kans op een grote brand heel groot was.

Gelet op al deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat er, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de omliggende woningen (inclusief de naastgelegen woning) aanwezige personen te duchten was. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de woning van de verdachte een hoekwoning is in een rij geschakelde woningen. Er is brand gesticht in de laatste woning van die rij woningen, op een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat ten minste een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is en de bewoners van de naastgelegen woning inderdaad thuis waren; het was in dit geval 5.58 uur. Daarmee is naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen en daarmee ook gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voorzienbaar (vgl. HR 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7170).

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte in combinatie met de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting (feit 1) evenals het opzettelijk doden van de in de woning aanwezige slangen (feit 2), zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1

op 8 december 2025 te [plaats 2] opzettelijk brand heeft gesticht in een hoekwoning gelegen aan [adres] door benzine over een bank te gieten en vervolgens voornoemde benzine in aanraking te brengen met open vuur, ten gevolge waarvan voornoemde bank is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor die woning, de inboedel van die woning, de omliggende woningen en de inboedel van die omliggende woningen en levensgevaar voor de in die omliggende woningen aanwezige

personen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die in die omliggende woningen aanwezige personen, te duchten was;

2

hij op 8 december 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk meerdere slangen, ten dele toebehorende aan [slachtoffer] heeft gedood.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert hij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, met daaraan verbonden alle voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Ook dient aan verdachte te worden opgelegd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hij vordert tevens een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregel dient een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod bij de woning aan [adres] te betreffen voor een periode van 2 jaar, met een vervangende hechtenis van 2 weken per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan en met een maximale duur van 6 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt primair een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het reeds ondergane voorarrest niet overstijgt, met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel in combinatie met bijzondere voorwaarden die langdurige klinische behandeling en aansluitende ambulante behandeling mogelijk maken. Indien de rechtbank wil overgaan tot oplegging van een tbs-maatregel, wordt subsidiair verzocht tbs met voorwaarden op te leggen en tbs niet met verpleging van overheidswege. De verdediging ziet geen aanleiding voor oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr. Ten aanzien van het contact- en locatieverbod refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verzocht wordt om op te nemen dat het contactverbod niet geldt voor de civiele echtscheidingsprocedure.

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

Verdachte heeft op 8 december 2025 brand gesticht in de woning die eigendom is van verdachte en [slachtoffer]. Hij heeft benzine over de bank gegoten en deze vervolgens in brand gestoken waardoor de bank, twaalf slangen en een gedeelte van de woning zijn verbrand. Tijdens de brand, die midden in de nacht plaatsvond, waren de buren in de direct aangrenzende woning(en) aanwezig. Dit betekent dat door het handelen van verdachte niet alleen gevaar voor goederen, maar ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan. Ook de gevolgen die de gepleegde feiten hebben gehad voor [slachtoffer] worden verdachte aangerekend. Uit haar spreekrechtverklaring tijdens de zitting is gebleken dat de brand en het aantreffen van de zwartgeblakerde woning met veel schade en vooral de overleden slangen, die haar zeer dierbaar waren, veel impact op haar hebben gehad en nog steeds hebben. Dit geldt te meer nu verdachte de brand heeft gesticht nadat hij meermaals bedreigingen van die aard tegen haar heeft geuit.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de door de [GZ-psycholoog] en de psychiater [psychiater 1] (onder supervisie van [psychiater 2], psychiater) opgestelde rapporten van 13 maart 2026, respectievelijk 11 juni 2026. Beiden achten bij verdachte aanwezig een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol (in vroege remissie in een gereguleerde omgeving).

Ten tijde van het plegen van de feiten waren deze stoornissen aanwezig en beïnvloedden deze verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Kenmerkend voor deze persoonlijkheidsproblematiek en tevens bij verdachte aanwezig zijn problemen in de emotie- en impulsregulatie en een kwetsbare en instabiele zelfwaardering, die sterk afhankelijk is van externe bevestiging. Dit is met name het geval binnen partnerrelaties. De dag voor de brandstichting werd verdachte geconfronteerd met zijn ex-partner, waarbij voor hem opnieuw duidelijk werd dat de relatie definitief was beëindigd. Deze confrontatie versterkte tijdelijk de gevoelens van afwijzing en verlies, waarop hij in de uren hierna alcohol is gaan nuttigen. Dat verdachte nog steeds wel een mate van controle over zijn handelen had, blijkt onder meer uit het gegeven dat hij de brandstichting heeft voorbereid door benzine in huis te halen en hiermee richting zijn omgeving heeft gedreigd.

Geadviseerd wordt daarom om de feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en stelt vast dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Verder volgt uit de rapporten dat bij een afweging van de risico- en beschermende factoren het risico op recidive van gewelddadig gedrag bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij hoog wordt geacht. Voor het verlagen van het recidiverisico is een langdurige behandeling van de problematiek noodzakelijk. Geadviseerd wordt de behandeling in eerste instantie in een forensische kliniek plaats te laten vinden, primair binnen een kliniek met expertise op het gebied van persoonlijkheidsproblematiek en waar ervaring is met het behandelen van een stoornis in het gebruik van alcohol. De behandeling van een persoonlijkheidsstoornis kent over het algemeen een langdurig beloop. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat het lang zal duren voordat verdachte een vertrouwensband en werkrelatie zal opbouwen, mede gezien de weerstand die verdachte tegen hulpverlening ervaart. Een stapsgewijze resocialisatie met reclasseringstoezicht is essentieel gezien de diverse psychosociale stressoren en de geringe copingvaardigheden. Een eventuele abrupte overgang van detentie naar een ambulant kader wordt als een onwenselijk grote stap gezien. Behandeling binnen een reclasseringstoezicht in het kader van bijzondere voorwaarden wordt daarnaast evenmin haalbaar geacht omdat verdachte heeft aangegeven dat hij liever een gevangenisstraf uitzit.

Bij de vraag of tbs met verpleging van overheidswege noodzakelijk is of dat tbs met voorwaarden volstaat, achten de rapporteurs dit laatste het meest aangewezen kader. Hoewel niet uitgesloten is dat verdachte voornamelijk extern gemotiveerd is voor behandeling vanuit zijn procespositie, zou wel beredeneerd kunnen worden dat binnen een tbs met voorwaarden nog steeds geschikte behandeling plaats kan vinden binnen een passend zorg- en beveiligingsniveau en dat hierbij gewerkt kan worden aan het vergroten van het probleembesef en behandelmotivatie.

Het reclasseringsrapport van 16 september 2026 is van gelijke strekking als de pro-justitia rapportage. De reclassering adviseert gematigd positief over tbs met voorwaarden. Zij zijn gematigd in hun advies omdat eerder ingezette trajecten en behandelingen uit het verleden niet hebben geleid tot structurele gedragsverandering. Naast tbs met voorwaarden acht de reclassering een GVM passend om verdachte, ook na beëindiging van zijn tbs, te ondersteunen bij het stabiel inrichten van zijn leven en dit zo te houden.

Oplegging tbs met voorwaarden

De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde brandstichting is een gevangenisstraf van meer dan vier jaren gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel, omdat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis en er in de toekomst opnieuw gewelddadig gedrag kan plaatsvinden, indien de stoornis niet langdurig en intensief wordt behandeld. Gelet op de bevindingen van de pro-justitia rapporteurs en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat oplegging van tbs ook noodzakelijk is. Er is dan een stevig kader waarin behandeling van verdachte kan plaatsvinden. De rechtbank zal verdachte dan ook tbs opleggen. Aan deze tbs zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde en in het dictum nader omschreven voorwaarden verbinden. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.

Gemaximeerde tbs?

De tbs met voorwaarden kan, ongeacht het indexdelict, maximaal negen jaar duren (art. 38e lid 2 Sr). Verdachte heeft een misdrijf gepleegd dat gericht was tegen of een gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Dit betekent dat de tbs bij omzetting krachtens artikel 6:6:10, eerste lid onder e Wetboek van Strafvordering in beginsel ongemaximeerd is.

Gelet op hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd, welke bevindingen en conclusies de rechtbank volgt, kan niet worden volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij de behandeling plaatsvindt binnen een kader van bijzondere voorwaarden, zoals de verdediging primair heeft bepleit. Dit geldt temeer nu verdachte heeft aangegeven in dat geval het voorwaardelijk strafdeel uit te zitten, waardoor de noodzakelijke behandeling niet tot stand zou komen.

[slachtoffer] heeft verzocht om aan verdachte een contactverbod met haar op te leggen. Nu gebleken is dat verdachte vanuit de penitentiaire inrichting ongewenst contact met haar heeft opgenomen, zal de rechtbank in aanvulling op de door de reclassering geadviseerde voorwaarden ook dit contactverbod als voorwaarde opnemen. Dit verbod geldt met uitzondering van het contact tussen verdachte en [slachtoffer] tijdens (een) eventuele rechtszitting(en) in het kader van hun nog lopende civiele echtscheidingsprocedure. De rechtbank benadrukt dat dit betekent dat het contact in het kader van de civiele echtscheidingsprocedure buiten de rechtszitting om uitsluitend met de echtscheidingsadvocaat van [slachtoffer] zal mogen plaatsvinden. Gelet op het toevoegen van deze aanvullende voorwaarde, ziet de rechtbank geen noodzaak voor oplegging van een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Gelet op de noodzaak van behandeling en het gevaar voor recidive van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de op te leggen tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Oplegging gevangenisstraf

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest noodzakelijk en passend. Bij de bepaling van de duur van deze straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de mate waarin het feit aan verdachte kan worden toegerekend enerzijds en de impact die het feit op de samenleving en aangeefster heeft gehad anderzijds.

Schorsing voorlopige hechtenis

Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van het voorarrest opleggen en tbs met voorwaarden. De tbs met voorwaarden zal dadelijk uitvoerbaar zijn. Een van de voorwaarden is dat verdachte zich laat opnemen in een door de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg (hierna: IFZ) geïndiceerde kliniek.

Op de zitting heeft de heer [reclasseringswerker] (reclasseringswerker) bij Verslavingsreclassering GGZ Fivoor) meegedeeld dat er inmiddels een indicatiestelling is, waaruit volgt dat opname in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) of Forensische Verslavingskliniek (hierna: FVK) met beveiligingsniveau 3 voor verdachte het meest passend is. Op dit moment is er nog geen aangewezen kliniek vanwege capaciteitsgebrek. De Divisie Individuele Zaken (DIZ) kan daarnaast niet garanderen dat er na de gevangenisstraf meteen (aansluitend op detentie) een overbruggingsplek beschikbaar is. Daarom overweegt de rechtbank in het kader van de voorlopige hechtenis het volgende.

Voor de situatie dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de klinische behandeling van de verdachte start, in een FPK of FVK, dan wel in een tijdelijke overbruggingskliniek.

Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank nodig, omdat omzetting van de dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden in een tbs met dwangverpleging (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal aan de schorsing van de voorlopige hechtenis dezelfde voorwaarden verbinden als aan de tbs met voorwaarden. Als verdachte dan de in het kader van de tbs te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op deze manier kunnen ook in die situatie de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729 (ro. 6.4.2-6.5).

GVM

Naast tbs met voorwaarden zal de rechtbank ook de door de reclassering geadviseerde GVM opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de tbs onder toezicht te stellen, indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel, als bedoeld in artikel 38z, lid 1, sub a, Sr, is voldaan. De rechtbank gelast immers de tbs van verdachte. Daarbij overweegt de rechtbank dat volgens de pro-justitia rapporteurs en de reclassering bij verdachte langdurige begeleiding en (medicamenteuze) behandeling noodzakelijk is. De problematiek van verdachte blijft zijn leven lang aanwezig, waardoor gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na de tbs passend en geboden kunnen zijn.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de jerrycan, wordt verbeurdverklaard. Het voorwerp is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de opgelegde straf en maatregel verbeurdverklaring op te leggen, omdat de bewezen feiten met behulp van dit voorwerp zijn voorbereid en begaan.

8. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in de procedure gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal €17.356,16, bestaande uit de volgende kostenposten:

- Eigen risico zorgverzekering en kosten Oxazepam 2025/2026: € 419,52- Eigen risico 2027: € 385,00- Factuur Uniglas: € 537,43- Factuur container: € 508,20- Kosten schoonmaak woning na brand: € 9.284,48- Kosten vervangen terraria overgebleven slangen: € 221,53- Smartengeld: € 6.000,00

Daarnaast heeft [slachtoffer] de wettelijke rente vanaf de pleegdatum van de feiten gevorderd en verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Verdachte en [slachtoffer] hebben vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij verdachte is bijgestaan door advocaat mr. E. van de Rakt, en [slachtoffer] is bijgestaan door advocaat mr. C.A.M. Dilven.

De rechtbank heeft deze vaststellingsovereenkomst op 25 september 2026 ontvangen. De overeenkomst is door/namens beide partijen ondertekend en hierin is - kort samengevat en voor zover in deze van belang – opgenomen dat partijen zijn overeengekomen dat

- voornoemde materiële en immateriële schade van in totaal € 17.356,16 wordt erkend en vergoed;

- de wettelijke rente zal worden vergoed vanaf de datum van de uitspraak;

- de rechtbank zal worden verzocht om in het kader van de lopende strafzaak verdachte te veroordelen tot vergoeding van deze schade, te vermeerderen de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank overweegt dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte beide feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [slachtoffer] en dat hij verplicht is de schade die zij als gevolg hiervan heeft geleden te vergoeden. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat verdachte de schade erkent. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook in zijn geheel toewijzen.

Wettelijke rente

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] in eerste instantie de wettelijke rente vanaf de pleegdatum van de brandstichting heeft gevorderd. In de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat de wettelijke rente wordt vergoed vanaf de datum van de uitspraak en dat de rechtbank zal worden verzocht dit toe te wijzen. De rechtbank verstaat het verzoek dan ook als wijziging van eis op dit punt. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de uitspraak van dit vonnis.

Schadevergoedingsmaatregel

Verdachte en aangeefster verzoeken de rechtbank gezamenlijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ter hoogte van het overeengekomen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak van de rechtbank in de strafzaak tegen verdachte.

De schadevergoedingsmaatregel kan ten behoeve van aangeefster worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens aangeefster burgerlijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Bij de beslissing over de schadevergoedingsmaatregel mag de rechter zich baseren op feiten en omstandigheden die tijdens de zitting aan de orde zijn gekomen. Het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel betekent dat het CJIB de inning van de schadevergoeding zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde bedragen ten behoeve van aangeefster de grenzen van aansprakelijkheid op grond van het burgerlijk recht niet overschrijden. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel dan ook opleggen tot betaling van dit bedrag van totaal € 17.356,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2026. Dit is de datum van onderhavige uitspraak van de rechtbank.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 38, 38a, 38z, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat ten dele aan een ander toebehoort doden, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

* 1. Geen strafbaar feit plegen

Verdachte maakt zich niet schuldig aan een nieuw strafbaar feit;

* 2. Meewerken aan reclasseringstoezicht

Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht van verslavingsreclassering GGZ Fivoor of een andere reclasseringsinstelling. Deze medewerking houdt onder andere in:

• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

• Verdachte laat één of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.

• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.

• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;

* 3. Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per kalenderjaar;

* 4. Niet naar het buitenland

Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

* 5. Opname in een zorginstelling

Verdachte laat zich opnemen in een forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing (in een FPK of FVK met beveiligingsniveau 3). De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen en de controle daarop, als de zorginstelling en de reclassering dat nodig vinden. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

* 6. Ambulante behandeling

Aansluitend aan zijn klinische behandeling laat verdachte zich behandelen door een nader te bepalen zorgverlener door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen en de controle daarop, als de zorgverlener en de reclassering dat nodig vinden;

* 7. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Aansluitend op zijn klinische behandeling verblijft verdachte in een beschermde woonvorm of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, indien de reclassering dat noodzakelijk vindt. Het verblijf duurt zolang de reclassering en de verblijfsinstelling dat nodig vinden. Verdachte zet zich in voor woonbegeleiding, houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* 8. Drugsverbod en alcoholverbod

Verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

* 9. Inspanningsverplichting

Verdachte spant zich in voor het verkrijgen en behouden van dagbesteding in de vorm van

(vrijwilligers-)werk of scholing;

* 10. Locatieverbod

Verdachte bevindt zich niet in de straat van het woonadres van aangeefster, te weten de

[adres], zoals de reclassering dit nodig acht;

* 11. Contactverbod

Verdachte zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met aangeefster [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedag 2]1984). Van dit verbod kan enkel en alleen worden afgeweken indien contact tussen verdachte en [slachtoffer] noodzakelijk is tijdens eventuele rechtszittingen in het kader van hun nog lopende echtscheidingsprocedure; contact in het kader van de civiele echtscheidingsprocedure buiten de rechtszitting om zal uitsluitend met de echtscheidingsadvocaat van [slachtoffer] mogen plaatsvinden;

- draagt verslavingsreclassering GGZ Fivoor op verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;

Benadeelde partij [slachtoffer]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van € 17.356,16, waarvan € 11.356,16 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2026 tot aan de dag der voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer], € 17.356,16 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 oktober 2026 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet- of niet-volledige betaling 111 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

Beslag

- verklaart verbeurd het volgende voorwerp:

* jerrycan (goednummer PL2000-2025327845-2938499);

Voorlopige hechtenis

- schorst het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop verdachte in het kader van de klinische behandeling (zoals hiervoor omschreven in voorwaarde 5) zal worden opgenomen in een forensische zorginstelling, dan wel in een overbruggingskliniek in afwachting van plaatsing in een forensische zorginstelling. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is;

Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 11 genoemde voorwaarden verbonden, en de voorwaarde:

- dat de verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, en mr. K. Verschueren en

mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 oktober 2026.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij in of omstreeks de periode van 7 december 2025 tot en met 8 december 2025 te

[plaats 2]

opzettelijk

brand heeft gesticht in een (hoek)woning (gelegen aan [adres]

) door benzine over een bank te gieten en/of (vervolgens) voornoemde

benzine in aanraking te brengen met open vuur, ten gevolge waarvan voornoemde

bank, in ieder geval een (of meer) goed(eren) en/of die woning, geheel of

gedeeltelijk, is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen

gevaar voor die woning, de inboedel van die woning, de omliggende woningen

en/of de inboedel van die omliggende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar voor de in die omliggende woningen aanwezige

personen, in elk geval levensgevaar voor een (of meer) ander(en) en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor die in die omliggende woningen aanwezige personen,

in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een (of meer) ander(en), te

duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2

hij in of omstreeks de periode van 7 december 2025 tot en met 8 december 2025 te

[plaats 2]

opzettelijk en wederrechtelijk

meerdere, in elk geval één slang(en) en/of een vogelspin, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft gedood, althans vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

( art 350 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand