RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-274711-25
vonnis van de meervoudige kamer van 15 oktober 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1961 in [geboorteplaats] , Egypte
wonende in ( [woonadres]
raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 oktober 2026, waarbij de officier
van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gewijzigd en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 juli
2025 een kind in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2010 (hierna: [slachtoffer] ), heeft aangerand voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Zij acht de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en het dossier bevat voldoende steunbewijs voor haar verklaring. Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd en het door hem geschetste alternatieve scenario is niet aannemelijk.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Verdachte ontkent de seksuele handelingen te hebben gepleegd. Het enige bewijsmiddel is de verklaring van [slachtoffer] , maar deze verklaring bevat inconsistenties, waardoor deze niet betrouwbaar is. De bewijsmiddelen in het dossier bevestigen alleen dat er een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] , maar niet wat er tijdens die ontmoeting gebeurd is.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Verdachte heeft op 11 juli 2025 een ontmoeting gehad met [slachtoffer] , die toen 15 jaar oud was. [slachtoffer] is in de woning van verdachte geweest en was in het bezit van spullen afkomstig uit de woning van verdachte.
Uit de verklaringen van [slachtoffer] volgt dat zij verdachte bij een winkelcentrum tegen was gekomen en dat hij tegen haar had gezegd dat ze jong en mooi was, en model moest worden. Hij heeft haar bij haar hand gepakt en geknuffeld. Vervolgens zou hij haar iets willen laten zien en heeft hij haar aan haar hand meegenomen naar zijn woning. Onderweg naar en in de woning heeft hij haar een kus op haar mond en in haar nek gegeven. In zijn woning heeft hij haar beha naar beneden gedaan en haar borsten, billen, benen en schaamstreek over haar kleding aangeraakt. Verdachte heeft Gucci parfum, een zonnebril en lingerie in de tas van [slachtoffer] gestopt.
Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het ten laste gelegde. Tijdens het politieverhoor heeft hij verklaard dat [slachtoffer] ineens in zijn woning stond en dat hij haar heeft weggestuurd zonder dat daarbij een aanraking heeft plaatsgevonden. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem heeft omhelsd en bedankt voor de parfum die hij haar had gegeven. Zij zou hem toen ook een kusje hebben willen geven, maar toen heeft hij haar weggeduwd. Op een pro forma zitting heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] naar buiten heeft geduwd en daarbij haar topje heeft aangeraakt, waarna zij hem een knuffel heeft gegeven om te bedanken voor het cadeau, waarna hij haar een kus op de blote schouder heeft gegeven.
Juridisch kader
In zedenzaken spelen de feiten zich doorgaans tussen twee personen af, buiten het zicht van anderen. In de kern gaat het vaak om het woord van de [slachtoffer] tegen het woord van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de belastende verklaring van [slachtoffer] over wat er zich in de woning van verdachte heeft afgespeeld en wat daaraan is voorafgegaan tegenover de ontkennende verklaring van verdachte.
De rechtbank stelt voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 Sv het bewijs dat de verdachte het feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel en niet een onder- deel daarvan. De rechtbank mag daarom niet tot een bewezenverklaring komen wanneer de door de [slachtoffer] genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan evenwel worden afgeleid dat bij zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, maar dat het afdoende is indien de verklaring van [slachtoffer] op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen die verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank in de eerste plaats de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] zal moeten beoordelen en daarnaast zal moeten bepalen of voor de beweringen van [slachtoffer] voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
heeft twee verklaringen afgelegd, het informatieve gesprek dat zij op 18 juli 2025 met de politie heeft gevoerd en het verhoor als getuige op 11 september 2025. De rechtbank beoordeelt deze verklaringen als authentiek en over de essentiële punten heeft [slachtoffer] consistent verklaard. Ook heeft [slachtoffer] gedetailleerd verklaard over de specifieke seksuele handelingen die zouden hebben plaatsgevonden en de wijze waarop verdachte haar door dwang ertoe heeft gebracht om deze te ondergaan. Dat [slachtoffer] later op enkele onderdelen uitgebreider heeft verklaard, maakt haar verklaring niet inconsistent en doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaring. Het is niet ongebruikelijk dat een verklaring in een later stadium, bijvoorbeeld door gerichte vragen tijdens een getuigenverhoor, nader worden geconcretiseerd of aangevuld.
Verder bevat de verklaring van [slachtoffer] ook specifieke details over verdachte die bijdragen aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Zo heeft zij verklaard dat verdachte haar vertelde dat hij last had van zijn been en dat hij naar Spanje ging. Daarnaast heeft zij verklaard dat zijn woning vol stond met dozen en vuilniszakken. De politie is diezelfde dag naar de woning van verdachte gegaan en heeft geconstateerd dat zijn woning overhoop lag, waarop verdachte vertelde dat hij aan het inpakken was om naar Spanje te gaan. Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verdachte ook verklaard dat hij last had van zijn been. Tot slot was [slachtoffer] in het bezit van Gucci parfum, een zonnebril en twee slipjes die uit de woning van verdachte afkomstig waren.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en zal zij deze als uitgangspunt gebruiken voor het bewijs.
De verklaring van verdachte dat hij de Gucci parfum, de zonnebril en lingerie niet aan [slachtoffer] heeft gegeven, maar aan een Marokkaanse jongen genaamd [naam] , is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het is de verdachte die zijn verklaring steeds op wezenlijke onderdelen heeft gewijzigd, waarmee hij zijn verklaring steeds lijkt aan te passen aan het dossier. De rechtbank zal dan ook aan de verklaring van verdachte voorbij gaan.
Steunbewijs
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer] in voldoende mate worden ondersteund door een ander zelfstandig bewijsmiddel. De rechtbank is van oordeel dat die steun in het dossier aanwezig is.
Direct na het incident heeft [slachtoffer] gebeld met haar vriend [vriend] , die op dat moment samen met getuige [getuige] was. [getuige] verklaarde dat [slachtoffer] helemaal in paniek was aan de telefoon en vertelde dat ze bij een man was geweest die haar helemaal aan het aanraken was. [getuige] en [vriend] zijn toen direct naar [slachtoffer] toe gegaan. Zij troffen haar in tranen aan. [slachtoffer] heeft tegen [getuige] en [vriend] verteld wat er was gebeurd en liet daarbij aan hen zien welke spullen ze van verdachte had gekregen. [slachtoffer] is vervolgens naar huis gegaan en heeft ook direct tegen haar ouders verteld wat er was gebeurd. De vader van [slachtoffer] heeft verklaard dat hij aan zijn dochter merkte dat haar iets dwars zat. Zij was volgens hem niet de dochter die hij normaal kent.
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat steunbewijs onder meer kan bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van de [slachtoffer] na het ten laste gelegde feit, de zogenoemde disclosure-getuige. Zo’n getuigenverklaring kan steunbewijs opleveren, indien de emotionele toestand die de getuige bij de [slachtoffer] heeft waargenomen niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaring van de [slachtoffer] . Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties is daarbij relevant. Zowel [getuige] als de vader van [slachtoffer] hebben direct na het incident de emoties en gemoedstoestand van [slachtoffer] waargenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet alleen de getuigenverklaring van [getuige] , maar ook die van de vader voldoende steun biedt aan de verklaring van [slachtoffer] .
Daarnaast volgt uit het DNA-onderzoek dat er op het rechterbandje van de beha van [slachtoffer] een DNA-mengprofiel is aangetroffen. Uit nader onderzoek is gebleken dat het DNA-mengprofiel uit de bemonstering meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer [slachtoffer] , verdachte en één willekeurige onbekende persoon de donoren zijn dan wanneer [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen de donoren zijn.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het bewijsminimum is voldaan.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde handelingen die naar hun aard en in de gegeven omstandigheden een seksueel karakter hebben. Hierbij heeft verdachte dwang uitgeoefend door [slachtoffer] bij de hand mee te nemen naar zijn woning, door haar handen - die zij voor haar beha hield – weg te halen en haar bij haar nek en polsen vast te pakken. [slachtoffer] heeft meermalen gezegd dat zij niet wilde dat verdachte haar aanraakte.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 11 juli 2025 te [plaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2010) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het meermaals- kussen van de nek en de mond van [slachtoffer] en- knuffelen van het lichaam van [slachtoffer] en- naar beneden doen van de BH van [slachtoffer] en- aanraken/vastpakken van de borsten en billen en benen en schaamstreek van [slachtoffer]en welke aanranding werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, door- de hand(en) van [slachtoffer] vast te pakken en hieraan te trekken en- [slachtoffer] bij de hand (lopend) mee te nemen naar zijn, verdachtes, woning en- de handen van [slachtoffer] (die zij voor haar BH hield) weg te halen en- [slachtoffer] terug te zetten op een bank en- [slachtoffer] te zeggen dat ze op moest staan en- de nek en pols(en) van [slachtoffer] vast te pakken.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 323 dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Daarbij vordert zij de oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] , haar ouders en haar zus.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het feit komt, stelt de verdediging dat de aan verdachte op te leggen straf de duur van het voorarrest niet mag overschrijden, nu verdachte al meer dan 9 maanden in voorarrest heeft gezeten.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van een minderjarige. [slachtoffer] was ten tijde van het feit 15 jaar oud. Verdachte heeft haar meegenomen naar zijn woning en seksuele handelingen met haar verricht. Daarbij is sprake geweest van dwang. [slachtoffer] heeft meerdere malen kenbaar gemaakt dat zij de gedragingen van verdachte niet wilde, maar verdachte is hieraan voorbij gegaan en heeft desondanks zijn ongewenste seksuele aanrakingen voortgezet. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat zij al snel bevroor en daarom niet in staat was adequaat te reageren. De rechtbank acht dit voorstelbaar, gelet op de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden. Een deel van de handelingen hebben plaatsgevonden in verdachtes woning, een voor [slachtoffer] besloten en daarmee door verdachte gecontroleerde omgeving. Dit alles maakt dat er sprake is van een ernstig feit, waarbij verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] heeft geschonden.
[slachtoffer] heeft ter zitting een slachtofferverklaring voorgelezen, waaruit blijkt welke gevolgen het handelen van verdachte voor haar heeft gehad en welke gevolgen zij daarvan nog steeds ondervindt.
Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 7 augustus 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de psycholoog van 23 juli 2026. De psycholoog heeft onder meer gerapporteerd dat bij verdachte sprake is van een neurobiologische ontwikkelingsstoornis en een schizo-typische persoonlijkheidsstoornis.
Deze stoornissen waren ten tijde van het feit ook aanwezig. Er is volgens de psycholoog geen sprake van een seksuele stoornis. Passend bij een neurobiologische ontwikkelings- stoornis en schizo-typische persoonlijkheidsstoornis, heeft verdachte, zowel verbaal als
non-verbaal, in ieder geval een impulsieve, associatieve, gedesorganiseerde en excentrieke (bijzondere en eigenzinnige) stijl van denken en doen. Deze is continue aanwezig. Hij kan op impulsieve en erg persoonlijke wijze toenadering tot een ander zoeken en/of reageren op een ander, maar staat dan vanuit de bij de stoornissen passende eigen associatieve gedachte- gang en manier van doen, sociaal cognitief onvoldoende rustig stil bij hoe zijn gedrag op een ander kan overkomen en bij wat voor impact zijn gedrag op een ander heeft. Volgens
de psycholoog perken de stoornissen van verdachte de impuls- en emotieregulatie in zekere mate in, maar maken deze hem niet stuurloos. Daarom heeft de psycholoog geadviseerd om het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Gelet op de uitvoerige onderbouwing, zal de rechtbank de conclusies en het advies van de psycholoog overnemen en het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Verdachte heeft ruim negen maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, reeds een straf is ondergaan die langer is dan passend wordt geacht.
De rechtbank zal daarom, in afwijking van de eis, aan verdachte opleggen een gevangenis- straf van zes maanden met aftrek van het voorarrest. De rechtbank ziet daarom geen ruimte meer voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Dit betekent dat evenmin ruimte bestaat voor het verbinden van bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 2.500,00.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte
het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover
de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden, indien er voldoende causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en het bewezen- verklaarde handelen van verdachte.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd op grond van artikel 6:106, aanheft en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Voor toewijzing van de vordering dient voldoende te worden onderbouwd dat de benadeelde partij in haar persoon is aangetast op andere wijze, zoals bedoeld in die bepaling. Door haar raadsman is niet onderbouwd welke nadelige psychische gevolgen het handelen van verdachte voor haar heeft gehad. De enkele stelling van haar raadsman op de zitting, dat het feit haar heeft aangegrepen, is daarvoor onvoldoende. Uit de door de benadeelde partij ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt echter welke nadelige psychische gevolgen het handelen van verdachte voor haar heeft gehad. Ook blijkt daaruit dat zij EMDR-therapie heeft gehad.
Gelet hierop acht de rechtbank, mede gelet op vergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen, een vergoeding van € 1.500,00 billijk. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 11 juli 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal eveneens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren voorafgegaan door en
vergezeld van dwang;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] ter hoogte van € 1.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst de vordering voor het overige af;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.500,00 te betalen aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en
mr. A.K. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 oktober 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 11 juli 2025 te [plaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedag 2] 2010) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het meermaals althans eenmaal- kussen van de nek en/of de mond van [slachtoffer] en/of- knuffelen van het lichaam van [slachtoffer] en/of- leggen van de hand van [slachtoffer] op zijn, verdachtes, (boven)been en/of- aandoen van lingerie bij [slachtoffer] en/of- naar beneden doen/trekken van de BH van [slachtoffer] en/of- aanraken/vastpakken van de borsten en/of billen en/of benen en/of schaamstreek en/of vagina van [slachtoffer]
en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- de hand(en) van [slachtoffer] vast te pakken en/of hierin te knijpen en/of hieraan te trekken en/of- [slachtoffer] bij de hand (lopend) mee te nemen naar zijn, verdachtes, woning en/of- het topje van [slachtoffer] naar beneden te trekken en/of te doen en/of- de handen van [slachtoffer] (die zij voor haar BH hield) weg te halen/te trekken en/of- [slachtoffer] terug te zetten op een bank en/of- [slachtoffer] te zeggen dat ze op moest staan en/of- toen [slachtoffer] vroeg of ze mocht gaan te zeggen "wacht" en "kom" althans woorden van die aard en/of strekking en/of- de nek en/of pols(en) van [slachtoffer] vast te pakken. ( art 247 lid 2 Wetboek van Strafrecht