RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-073451-23
vonnis van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1975 te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
raadsman mr. T.P.A.M. Wouters, advocaat te Amsterdam
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 oktober 2025, waarna de rechtbank het onderzoek ter zitting heeft gesloten. Bij tussenvonnis van 11 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst voor nader onderzoek. Het onderzoek is op de zitting van 29 september 2026 hervat, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun (aanvullende) standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte bij de 15-jarige
[slachtoffer] (hierna telkens: [slachtoffer] ) seksuele handelingen heeft verricht, waaronder het met zijn vinger(s) binnendringen van het lichaam. Dit is op twee manieren ten laste gelegd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
ÁG802127610099ÜÈ
G802127610099
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft - kort samengevat - betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat deze onbetrouwbaar zijn. Indien de rechtbank van oordeel is dat deze verklaringen wel als bewijs kunnen dienen, kan er geen bewezenverklaring volgen omdat het steunbewijs ontbreekt. De bij [slachtoffer] waargenomen emoties zijn volgens de verdediging daarvoor onvoldoende indringend en kunnen andere oorzaken hebben gehad. De resultaten van het DNA-bewijs kunnen evenmin als steunbewijs dienen, nu op grond daarvan het stellig ingenomen standpunt van verdachte dat hij [slachtoffer] op geen enkele wijze seksueel heeft betast niet kan worden uitgesloten. Vanwege het ontbreken van wettig én overtuigend bewijs dient verdachte te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] zowel in haar verklaring bij de politie, als in haar verklaring bij de rechter-commissaris, helder en gedetailleerd heeft verklaard over wat er op 11 maart 2023 is gebeurd. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaringen is het verder van belang dat verschillende onderdelen van haar verklaringen kunnen worden geverifieerd en dat deze steun vinden in andere bewijsmiddelen. Zo heeft [slachtoffer] verklaard dat zij gedurende de avond een vriendin genaamd [persoon 1] via Snapchat berichten heeft gestuurd over wat verdachte deed en hoe zij zich daarbij voelde. Dit wordt bevestigd door [persoon 1] . Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat zij wat gebeurd was direct aan [persoon 2] , de dochter van verdachte, heeft verteld nadat zij beiden naar boven waren gegaan om te gaan slapen. [persoon 2] heeft dit bevestigd. Voordat [slachtoffer] dit vertelde had [persoon 2] al aan [slachtoffer] gezien dat er wat met haar was en haar gevraagd wat er aan de hand was. [slachtoffer] vertelde haar toen dat [persoon 2] vader aan haar had gezeten en dat hij haar had gevingerd. [persoon 2] heeft bevestigd dat zij in slaap was gevallen en dat toen zij wakker werd haar vader naast [slachtoffer] op de bank zat. [persoon 2] merkte voor zij echt wakker werd dat [slachtoffer] steeds dichter tegen haar aan kwam zitten en voelde dat [slachtoffer] aan het trillen was met haar been. Tot slot heeft [persoon 2] ook overige, voor de bewezenverklaring minder relevante onderdelen van de verklaring van [slachtoffer] bevestigd, die door verdachte worden ontkend, zoals dat haar vader op haar slaapkamer is geweest en op [slachtoffer] bed heeft gezeten nadat zij en [persoon 2] naar bed waren gegaan.
De vaststelling dat [slachtoffer] in haar verklaring bij de politie een gedetailleerde verklaring heeft gegeven, dat meerdere details uit die verklaring worden bevestigd door [persoon 1] en door [persoon 2] , maken dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] sterk en consistent vindt en dat de rechtbank geen enkele reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen. De rechtbank heeft bij haar oordeel ook de camerabeelden van het verhoor van [slachtoffer] bij de politie betrokken. Zij maakt op deze beelden een kalme en oprechte indruk op de rechtbank. Zij geeft duidelijk antwoord op de aan haar gestelde vragen en geeft ook helder aan wanneer zij het antwoord schuldig moet blijven, omdat zij het zich niet meer kan herinneren.
De rechtbank heeft zorgvuldig gekeken naar de door de verdediging als ongerijmdheden betitelde onderdelen van de verklaringen, maar ziet daarin geen aanleiding om de verklaringen van [slachtoffer] als onbetrouwbaar aan te merken. Het kan zijn dat de tijdlijn in de verklaringen van [slachtoffer] en [persoon 1] niet helemaal accuraat is. Zo heeft [slachtoffer] aangeven dat zij rond 20:45 de film ‘Wij’ zijn gaan kijken, terwijl volgens het proces-verbaal van het onderzoek aan de telefoon deze film pas om 21:20 bij een zoekslag naar voren is gekomen. Waar deze ongerijmdheid aan te wijten is, is niet duidelijk, maar dat doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen over wat er die avond is gebeurd. De door [slachtoffer] beschreven gang van zaken wordt bovendien in grote lijnen door verdachte bevestigd.
Dat tussen de verklaringen van [slachtoffer] en de verklaringen van anderen zoals haar vader en haar oma -aan wie [slachtoffer] over het gebeurde heeft verteld- verschillen zitten, maakt evenmin dat de verklaringen van [slachtoffer] als onbetrouwbaar moeten worden beschouwd. Het betreffen de auditu-verklaringen, waarbij het niet ondenkbaar is dat bij het (door)vertellen van het verhaal aan de politie informatie verloren gaat. Daarnaast is het niet vreemd om aan verschillende personen meer of minder uitgebreid te verklaren over gebeurtenissen, afhankelijk van het moment of de relatie met die persoon. Dat blijkt ook uit de verklaring van [slachtoffer] zoals afgelegd bij de rechter-commissaris, waarin zij zegt dat ze aan bepaalde mensen in haar omgeving bepaalde informatie niet wilde verstrekken. Dat er, zoals de verdediging stelt, sprake zou zijn van uiteenlopende beschuldigingen waardoor de verklaringen van [slachtoffer] niet of minder betrouwbaar zijn, onderschrijft de rechtbank dan ook niet.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] bruikbaar zijn voor het bewijs.
Door [slachtoffer] getoonde emoties
Uit het dossier blijken de volgende momenten waarop [slachtoffer] emoties heeft getoond aan getuigen.
[persoon 2] heeft verklaard dat ze, meteen nadat zij naar boven waren gegaan om te slapen, zag dat er iets was met [slachtoffer] . Nadat [slachtoffer] vertelde wat er was gebeurd, begon [slachtoffer] ook wat te huilen en ze trilde terwijl ze het vertelde. Voorts heeft ze verklaard dat ze zag dat [slachtoffer] op de bank, -toen [persoon 2] wakker was geworden- rode ogen had en verder stil was daarna.
[persoon 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar gedurende de avond een Snap heeft gestuurd met “HELP” en een foto van haar gezicht waarop te zien was dat [slachtoffer] huilde. [slachtoffer] heeft haar verteld dat ze heel erg bang en in paniek was.
De vader van [slachtoffer] , [vader] , heeft verklaard dat hij merkte dat er iets was nadat [slachtoffer] was thuisgekomen en dat zij stiller was dan normaal en kortaf.
De oma van [slachtoffer] , [oma] heeft verklaard dat zij zag dat [slachtoffer] aan het snikken en huilen was bij haar vader op schoot.
De rechtbank is van oordeel dat de opgesomde emoties, in onderling verband en samenhang bezien, als steunbewijs kunnen dienen, nu deze emoties door de getuigen [persoon 1] en [persoon 2] zijn waargenomen tijdens en direct na het moment waarop het delict heeft plaatsgevonden. De emoties die vader en oma de volgende dag hebben waargenomen vormen een verdere ondersteuning van haar verhaal.
Het DNA-onderzoek
Uit het DNA-onderzoek op bronniveau aan de slip van [slachtoffer] is gebleken dat het aangetroffen DNA-mengprofiel aan de binnenzijde van de voorkant van de slip meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] , verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen. Dat er DNA van verdachte in de slip is aangetroffen staat niet ter discussie. Uit het vervolgens verrichtte DNA-onderzoek op activiteitniveau volgt dat de resultaten van het DNA-onderzoek circa 2 keer waarschijnlijker zijn wanneer verdachte met zijn vingers de vagina van [slachtoffer] heeft gepenetreerd dan wanneer hij dit niet heeft gedaan.
Enkel op basis van deze onderzoeksresultaten zou een veroordeling van verdachte niet aan de orde zijn, maar het dossier bevat méér dan alleen de DNA-rapporten. De conclusie in het rapport dat de resultaten van het DNA-onderzoek circa 2 keer waarschijnlijker zijn wanneer verdachte met zijn vingers de vagina van [slachtoffer] heeft gepenetreerd dan wanneer hij dit niet heeft gedaan is naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk enigszins belastend voor verdachte en de rechtbank weegt deze conclusie - zij het in geringe mate - mee als steunbewijs.
De conclusie
Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat zij de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en geloofwaardig acht en dat die verklaringen op details steun vinden in overige bewijsmiddelen. Daarnaast worden de door [slachtoffer] getoonde emoties en het resultaat van het DNA-onderzoek als steunbewijs aangenomen. Op grond van dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] dat verdachte haar borsten heeft betast en twee keer een vinger in haar vagina heeft gebracht, voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zij acht de tenlastegelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. primair:
op 11 maart 2023 te [plaats] door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende hij, verdachte- een vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en die [slachtoffer] vervolgens gevingerd en - de borsten van die [slachtoffer] betasten bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte- die [slachtoffer] onverhoeds heeft betast en- aan de non-verbale protesten van die [slachtoffer] voorbij is gegaan en - door zijn leeftijd een voortvloeiend psychisch overwicht had op die [slachtoffer] en - misbruik heeft gemaakt van feitelijke verhoudingen (te weten dat verdachte de vader van de vriendin van die [slachtoffer] betreft) en omstandigheden voortvloeiend uit overwicht en dat er aldus sprake was van een afhankelijkheidsrelatie;
2 primair:
op 11 maart 202 te [plaats] door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:- het betasten van de vagina en de borsten van die [slachtoffer]en bestaande die andere feitelijkheid uit- het onverhoeds vastpakken en betasten en - het voorbijgaan aan de non-verbale protesten van die [slachtoffer] en - het voortvloeiend psychisch overwicht hebben op die [slachtoffer] door zijn leeftijd en - het misbruik maken van feitelijke verhoudingen (te weten dat verdachte de vadervan de vriendin van die [slachtoffer] betreft) en omstandigheden voortvloeiend uitoverwicht en dat er aldus sprake was van een afhankelijkheidsrelatie.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is door de verbeteringen niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft ook gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] te verbinden.
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is betreffende een eventueel aan verdachte op te leggen straf enkel verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig zedenfeit bij een vriendin van zijn dochter, die op dat moment bij hen logeerde. [slachtoffer] was op dat moment vijftien jaar oud en omdat zij in de woning van verdachte logeerde, was zij aan verdachtes zorg toevertrouwd. [slachtoffer] had in de woning van haar vriendin, waar zij vaak kwam, veilig moeten zijn, maar door het handelen van verdachte was daar totaal geen sprake van. Verdachte heeft kennelijk geen weerstand kunnen bieden aan zijn behoefte om [slachtoffer] aan te raken en heeft daarbij in grove mate grenzen overschreden door eerst de borsten van [slachtoffer] te betasten en later met zijn vinger in haar vagina te gaan. Verdachte wist heel goed dat hij fout zat. Hij heeft hij nog tegen [slachtoffer] gezegd dat het eenmalig was en dat ze het tegen niemand mocht zeggen. Zo heeft hij haar ook nog met een groot en naar geheim proberen op te zadelen.
Het gepleegde feit is voor [slachtoffer] – een jong meisje midden in haar seksuele ontwikkeling – een schokkende gebeurtenis geweest die bij haar gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt. Het is algemeen bekend dat een dergelijk feit ernstig ingrijpt in het leven van het slachtoffer. Uit de namens [slachtoffer] ingediende vordering benadeelde partij blijkt ook dat [slachtoffer] na het incident last heeft gekregen van negatieve gedachten, prikkelbare stemming, herbelevingen, flashbacks en concentratieproblemen. Op grond van het klachtenbeeld wordt gesteld dat er sprake is van een posttraumatische-stressstoornis en [slachtoffer] is daarvoor ook verwezen naar een GZ-psycholoog.
De rechtbank is op grond van dit alles van oordeel dat er sprake is van een ernstige aantasting van de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer en dat daarom een vrijheidsbenemende straf op zijn plaats is. De rechtbank kan niet in het voordeel van verdachte rekening houden met zijn proceshouding, omdat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond. Verdachte heeft bij het plegen van het bewezenverklaarde geen rekening gehouden met de gevoelens van [slachtoffer] en was uitsluitend gericht op de bevrediging van zijn seksuele behoeften. Zelfs de aanwezigheid van zijn eigen dochter in de directe nabijheid heeft hem er niet van weerhouden om dit feit te plegen. Verdachte schond niet alleen [slachtoffer] haar vertrouwen maar ook dat van [slachtoffer] haar ouders die hun dochter aan verdachte toevertrouwden.
Bij het bepalen van de hoogte van de straf weegt de rechtbank voorgaande mee, maar ook dat sprake is geweest van een beperkte mate van dwang en geen eerdere veroordelingen. De aard van het seksueel binnendringen (niet met een penis maar met een vinger) geeft de rechtbank aanleiding om enigszins van het LOVS uitgangspunt voor verkrachting af te wijken. Verder zal de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is op 14 maart 2023 in verzekering gesteld en dit vonnis is gedateerd 13 oktober 2026. Volgens de jurisprudentie dient een strafzaak in eerste aanleg in beginsel binnen twee jaren te zijn afgedaan. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ruim anderhalf jaar, is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de op te leggen gevangenisstraf tot gevolg moet hebben.
De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voor het opleggen van een contactverbod met [slachtoffer] ziet de rechtbank, mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak, geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van in totaal € 7.237,60 voor de tenlastegelegde feiten. Aan immateriële schade wordt € 5.000,= gevorderd. De materiële schade betreft € 237,60 als kilometervergoeding in verband met therapie en een bedrag van € 2.000,= als voorschot voor toekomstige schade. Op de zitting van 28 oktober 2025 heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij verzocht om de vordering betreffende het voorschot niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 5.237,60, waarvan € 237,60 aan materiële schade en € 5.000,= aan immateriële schade.
Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Betreffende het gevorderde bedrag van € 2.000,= als voorschot voor toekomstige schade is de rechtbank met de raadsvrouw van de benadeelde partij van oordeel dat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Op grond van vaste rechtspraak kan de rechtbank posten in de vordering die zien op de toekomst niet toewijzen, omdat er nog geen sprake is van een eindsituatie en er in het kader van het strafgeding geen plaats is voor het toewijzen van een gevorderd (schade)bedrag bij wege van voorschot op grond van een voorlopig oordeel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van:
feit 1 primair: verkrachting en
feit 2 primair: feitelijke aanranding van de eerbaarheid
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.237,60, waarvan € 237,60 aan materiële schade en € 5.000,= aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering betreffende de gevorderde € 2.000,= aan materiële schade als voorschot op toekomstige schade en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 5.237,60 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 51 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, mr. A.L. Hoekstra en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Jurgens MSc en F.J.M. Nouws, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 13 oktober 2026.
mr. E.J.A. Jurgens MSc is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 maart 2023 tot enmet 12 maart 2023 te [plaats]door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingendie bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van hetlichaam van die [slachtoffer] , hebbende hij verdachte-een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of die[slachtoffer] vervolgens gevingerd en/of-de borst(en) van die [slachtoffer] betasten bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweldof die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte-die [slachtoffer] onverhoeds heeft vastgepakt en/of betast en-aan de verbale en non-verbale protesten van die [slachtoffer] voorbij is gegaan en/of- door zijn leeftijd een voortvloeiend psychisch en/of fysiek overwicht had op die[slachtoffer] en/of-misbruik heeft gemaakt van feitelijke verhoudingen (te weten dat verdachte devader van de vriendin van die [slachtoffer] betreft) en omstandigheden voortvloeienduit overwicht en dat er (aldus) sprake was van een afhankelijkheidsrelatie en/of-(aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft doen ontstaan;( art 242 Wetboek van Strafrecht )
Subsidiair:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 maart 2023 tot enmet 12 maart 2023 te [plaats] ,met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007, die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die[slachtoffer]te weten het duwen/brengen van een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]en/of vervolgens het vingeren van die [slachtoffer] en/ofhet betasten van de borst(en) van die [slachtoffer] ;( art 245 Wetboek van Strafrecht )
Meer subsidiair:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 maart 2023 tot enmet 12 maart 2023 te [plaats]ontucht heeft gepleegdmet een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer][slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007door- een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te duwen en/of te brengenen/of vervolgens die [slachtoffer] te vingeren en/of- de vagina en/of de borst(en) van die [slachtoffer] te betasten;( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks 11 maart 2023 tot en met 12 maart2023 te [plaats] ,door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid,[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen of dulden van een of meerontuchtige handelingen, te weten:-het betasten van de vagina en/of de borst(en) van die [slachtoffer]En bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweldof die andere feitelijkheid uit- het onverhoeds vastpakken en/of betasten en/of- het voorbijgaan aan de verbale en non-verbale protesten van die [slachtoffer] en/of- het voortvloeiend psychisch en/of fysiek overwicht hebben op die [slachtoffer] doorzijn leeftijd en/of-het misbruik maken van feitelijke verhoudingen (te weten dat verdachte de vadervan de vriendin van die [slachtoffer] betreft) en omstandigheden voortvloeiend uitoverwicht en dat er (aldus) sprake was van een afhankelijkheidsrelatie en/of-het doen ontstaan van een voor die [slachtoffer] dreigende situatie;( art 246 Wetboek van Strafrecht )
Subsidiair:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 maart 2023 tot enmet 12 maart 2023 te [plaats] ,met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007, die toen de leeftijd van zestienjaren nog niet had bereikt,buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten-het betasten van de vagina en/of borst(en) van die [slachtoffer] ;( art 247 Wetboek van Strafrecht )
Meer subsidiair:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 maart 2023 tot enmet 12 maart 2023 te [plaats]ontucht heeft gepleegdmet een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer][slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2007door- de vagina en/of de borst(en) van die [slachtoffer] te betasten;( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )