Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-997524-13
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadslieden mr. M.T. van der Wulp en mr. S.A.H. Vromen, advocaten te Rotterdam .
1. Onderzoek op de terechtzitting
De preliminaire verweren in deze zaak zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 oktober 2026, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Koopmans en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1
feitelijk leiding heeft gegeven aan het samen met anderen wegnemen van een grote hoeveelheid plantaardige olie, dan wel (in dienstbetrekking) verduisteren daarvan, dan wel een gewoonte maken van heling daarvan;
feit 2
feitelijk leiding heeft gegeven aan het samen met anderen opzettelijk valse of vervalste bedrijfsadministratie bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen voorhanden heeft gehad;
feit 3
heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging gezien de schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur en de overschrijding van de redelijke termijn, afgezet tegen de omvang van het dossier en het geringe potentiële strafvorderlijke belang.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid te verwerpen. Naar de mening van de officier van justitie is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur. Ook een eventuele overschrijding van de redelijke termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en omvang van de tenlastegelegde feiten
De verwijten van het Openbaar Ministerie aan verdachte zien op feiten van 1 januari 2011 tot en met 25 september 2013, en houden in: het feitelijk leidinggeven aan het op grote schaal verduisteren van delen van scheepsladingen, het opnemen van vervalste documenten in bedrijfsadministraties en met het oog daarop deelnemen aan een criminele organisatie. Het strafdossier omvat ruim 13.000 pagina’s.
De rechtbank stelt voorop dat de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, een sterk ondermijnend karakter hebben gehad voor de samenleving. Dit soort vermogensdelicten tast niet alleen het noodzakelijke onderlinge vertrouwen in de logistieke en maritieme keten aan, maar corrumpeert ook de integriteit van een reguliere bedrijfsvoering en de administratieve waarborgen daarvan. De rechtbank merkt daarbij echter ook op dat - hoewel het verwerpelijke feiten betreft - het hier niet gaat om feiten waarbij fysiek of geestelijk geweld is uitgeoefend op personen. Voorts merkt de rechtbank op dat zich weliswaar benadeelde partijen hebben gevoegd, maar dat hun vorderingen niet lijken te zien op specifiek in de tenlastelegging genoemde feiten.
De redelijke termijn van artikel 6 EVRM Met betrekking tot het overschrijden van de redelijke termijn en welke gevolgen dat voor de onderhavige procedure zou moeten hebben, overweegt de rechtbank als volgt.
De periode waarin de ten laste gelegde feiten zouden zijn begaan (2011-2013) is inmiddels zeer lang geleden. De redelijke termijn van art. 6 EVRM in deze zaak is aangevangen op 25 september 2013. Uitgangspunt voor de beoordeling van de redelijke termijn is dat een zaak in eerste aanleg binnen twee jaar behandeld en afgedaan wordt na aanvang van de redelijke termijn. Inmiddels zijn 13 jaar verstreken na de aanvang van die termijn, waardoor vaststaat dat de redelijke termijn in deze zaak in zeer ernstige mate is overschreden. De vertraging vindt zijn oorsprong hoofdzakelijk in het niet voortvarend behandelen van de zaak door de bevoegde autoriteiten, deels door stilzitten van het Openbaar Ministerie, deels door het ontbreken van zittingscapaciteit aan de zijde van de rechtbank. Blijkbaar werd aan andere zaken voorrang gegeven. Daarnaast is een gering deel van de overschrijding van de redelijke termijn (ongeveer een jaar) veroorzaakt door omstandigheden aan de zijde van de verdediging.
Niet-ontvankelijk en redelijke termijn
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het enkele overschrijden van de redelijke termijn onvoldoende om te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, ook niet in uitzonderlijke gevallen (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Dit kan anders zijn als de verdedigingsrechten zodanig zijn geschonden dat de procedure als geheel niet eerlijk (meer) is in de zin van art. 6 EVRM (ECLI: NL:HR:2024:1413) of een (verdere) vervolging geen enkel strafvorderlijk doel (meer) dient. Dat laatste heeft de rechtbank op 24 januari 2023 nog eens bevestigd in een vonnis van een medeverdachte in deze zaak. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld (ECLI:NL:RBZWB:2023:501). Een overweging uit dat vonnis luidt:
‘Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat sinds enkele jaren het Openbaar Ministerie in vele (reeds aanhangige) zaken haar niet-ontvankelijkheid vordert in verband met overschrijding van de redelijk termijn die in veel gevallen wordt toegewezen. Algemeen bekend is dat capaciteitsgebrek bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank daarvan de oorzaak zijn. Berechting van een omvangrijke zaak als deze (ongeveer dertienduizend pagina’s) gaat daarom mogelijk ten koste van heel veel andere zaken waarbij anders dan bij een zaak als deze nog wel veel potentieel strafvorderlijk belang aanwezig is.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande in deze zaak mee dat enig te respecteren strafvorderlijk belang bij voortzetting van de vervolging is komen te ontvallen en wel zodanig dat zij, zoals ook door de officier van justitie en de verdediging is betoogd, de officier van justitie in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren.’
Gelijkheidsbeginsel en procesafspraken bij medeverdachten
De officier van justitie heeft aan verdachte procesafspraken aangeboden inhoudende, kort weergegeven, niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tegen betaling van € 30.000,-. Medeverdachten hadden aanbiedingen gekregen voor procesafspraken met als inhoud niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zonder betaling van geld (bijvoorbeeld [persoon ] ) en niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tegen betaling van € 20.000,- ( [medeverdachte] ). De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat het hogere bedrag bij verdachte ingegeven is door de omstandigheid dat verdachte een grotere rol in het geheel heeft vervuld dan [medeverdachte] . Verdachte heeft ter zitting verklaard het aanbod van procesafspraken ook thans niet te accepteren, omdat hij van mening is dat hij helemaal geen grotere rol heeft vervuld in het geheel dan [medeverdachte] .
In zaken van alle andere medeverdachten, die tevens natuurlijke personen waren, heeft de officier van justitie niet-ontvankelijkheid gevorderd op grond van procesafspraken die na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting zijn gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en die medeverdachten. De rechtbank heeft de officier van justitie steeds gevolgd in haar vordering. Door herhaaldelijk niet-ontvankelijkheid te vorderen lijkt het Openbaar Ministerie het signaal af te geven dat het de onderhavige verdenkingen na zoveel jaren niet zo ernstig meer vindt. .
In het licht daarvan weegt voor de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn met 11 jaar des te zwaarder. Mede gelet daarop dient het Openbaar Ministerie volgens de rechtbank thans een zwaarwegende reden te hebben om aan verdachte een voorstel te doen dat sterk afwijkt van het voorstel aan medeverdachte [medeverdachte] . De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een grotere rol zou hebben gehad bij de ten laste gelegde feiten dan [medeverdachte] . Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer dat daarvan sprake was. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verdachte gegronde redenen had om het aanbod te weigeren. De vraag is dan of het gelijkheidsbeginsel in deze zaak is geschonden, en derhalve de verdedigingsrechten van art. 6 EVRM, in een mate dat de rechtszaak in zijn geheel beschouwd niet eerlijk meer is.
De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
De werking van het gelijkheidsbeginsel houdt hier in dat in een megazaak als deze de officier van justitie verdachten onder dezelfde omstandigheden op gelijke wijze moet behandelen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Dit betekent volgens de rechtbank dat het Openbaar Ministerie gelijkheid moet betrachten ten aanzien van een aanbod tot procesafspraken dat wordt gedaan hangende het onderzoek ter terechtzitting, tenzij er zwaarwegende redenen zijn een verdachte anders te behandelen. De rechter heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting de taak die gelijkheid actief te waarborgen door vol te toetsen. Een ander voorbeeld van deze werking van het gelijkheidsbeginsel en de volle toetsing is bijvoorbeeld een afwijzing van procesafspraken door de rechtbank in voorkomende gevallen omdat de afgesproken straffen te laag zijn in verhouding tot opgelegde straffen aan medeverdachten of in verhouding tot doorgaans opgelegde straffen in soortgelijke feiten en persoonlijke omstandigheden. Op grond van het dossier is de rechtbank op voorhand niet gebleken dat de rol van [verdachte] een grotere is geweest dan die van [medeverdachte] . Het lijkt er eerder op dat beide heren een gelijkwaardige rol hebben gehad in de tenlastegelegde feiten. Gelet daarop is het onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie aan [verdachte] een aanbod heeft gedaan dat 50% hoger is dan dat van [medeverdachte] . Dit leidt ertoe dat het gelijkheidsbeginsel in deze is geschonden.
Van deze werking van het gelijkheidsbeginsel moet onderscheiden worden de werking dat de rechter gelijkheid moet betrachten en waarborgen tussen aanklager en verdediging (equality of arms). Eveneens moet daarvan onderscheiden worden de werking van het gelijkheidsbeginsel dat geldt bij de beslissing van het Openbaar Ministerie om een zaak aan de rechter voor te leggen of niet. Daarom geldt in deze zaak ook niet de rechterlijke terughoudendheid ter waarborging van de beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie om een zaak te vervolgen of niet. Het Openbaar Ministerie heeft hier immers de beslissing genomen de zaak aan de rechter voor te leggen.
Strafrechtelijke doelen van verdere vervolging
Voorts vraagt de rechtbank zich af welke van de rechtens erkende strafdoelen met verdere strafvervolging nog gediend worden.
Zoals overwogen is de redelijke termijn in onderhavige zaak aangevangen op 25 september 2013. Er is dan ook sprake van een tijdsverloop van meer dan dertien jaar, grotendeels gelegen in het feit dat aan andere zaken voorrang werd gegeven. Gedurende deze periode heeft de strafvervolging steeds boven het hoofd van verdachte gehangen, hetgeen als een vorm van straf en daarmee vergelding gezien kan worden. De rechtbank merkt in dit verband ook nog op dat verdachte in die periode ernstig ziek is geworden.
De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte sindsdien niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie en dat het er dus op lijkt dat hij ook gestopt is met de handelswijzen waarvan hij verdacht wordt. Hij heeft daarnaast zijn werkzaamheden voor [b.v. 1] . beëindigd. Die vennootschap is inmiddels ook ontbonden.. Het strafvorderlijk ingrijpen lijkt derhalve zin en nut gehad te hebben, in die zin dat het doel van speciale preventie is bereikt.
Bij generale preventie is van belang dat voorkomen wordt dat anderen dergelijke strafbare feiten plegen. Destijds is deze zaak groot in het nieuws geweest, hetgeen ongetwijfeld zijn weerslag heeft gehad op verdachte en zijn omgeving, waaronder in de sector waarin hij werkzaam was. Alleen dat al kan als generale preventie worden gezien. Daar komt bij dat verdachte erg lang heeft moeten wachten totdat zijn zaak op zitting is gekomen, waarvan ook een zekere preventieve werking uit gaat. Al met al is ook aan dit strafdoel reeds voldaan.
Van belang is voorts dat het Openbaar Ministerie door niet-ontvankelijkheid in alle andere zaken van natuurlijke personen te vorderen het signaal heeft afgegeven niet zo zwaar aan deze verdenkingen meer te tillen als gevolg van het lange tijdsverloop. Gelet daarop is het zeker niet onwaarschijnlijk dat – indien de feiten bewezen zouden worden verklaard – als gevolg van het lange tijdsverloop en de geldsom die medeverdachte [medeverdachte] heeft moeten betalen aan verdachte geen straf zou worden opgelegd.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat van enig strafdoel geen sprake meer is.
Conclusie
Uit het bovenstaande volgt, in onderling verband en samenhang bezien, dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging van verdachte.
4. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, en mr. P.A.M. Wijffels en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. de van Vrede, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 oktober 2026.
Mr. Wijffels is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd datfeit 1 primair [b.v. 1] . op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 en met 25 september 2013 te Neuss en/of te Hamm, in elk geval Duitsland en/of te Rotterdam en/of Terneuzen en/of Dordrecht en/of te Botlek en/of te Vlaardingen, in elk geval in Nederland en/of te Gent en/of te Rieme en/of te Zelzate, in ieder geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een (grote) hoeveelheid palmpitolie en/of halfgerafineerde raapolie en/of vetzuren en/of plantaardig vet en/of vloeibare olie en/of GH Sheabutteroli FA01 en/of crude (gedummed) rapseed oil en/of PH Crude Coconutoil CCN en/of SOL Crude Palmoil Sustainable, althans plantaardige olie, in elk geval - 15.880 kg plantaardige olie (Delict 6, [kenmerk 1] , pagina 09640 tot en met 09666 proces-verbaal) en/of - 25.820 kg plantaardige (Delict 6, [kenmerk 1] , pagina 09666 tot en met 09671 proces-verbaal) en/of - 33.320 kg en/of 18.460 kg plantaardige olie (Delict 16, [kenmerk 2] , pagina 10324 tot en met10341 proces-verbaal) en/of - 10.580 en/of 16.340 kg plantaardige olie (Delict 9, [kenmerk 3] , pagina 09910 tot en met 09925 proces-verbaal) en/of - 25.600 kg plantaardige olie (Delict 13, [kenmerk 4] , pagina 09944 tot en met 09960 proces-verbaal), althans plantaardige olie, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf] and [GmbH 1] en/of aan [b.v. 2] en/of aan [b.v. 3] . en/of/ [b.v. 4] . en/of [b.v. 5] . [GmbH 2] en.of [GmbH 3] en/of [GmbH 4] en/of [GmbH 5] en/of [b.v. 6] . en/of aan de leverancier(s) en/of afnemer(s), heeft weggenomen, (telkens) met het oogmerk om (een) partij(en) palmpitolie en/of halfgerafineerde raapolie en/of vetzuren en/of plantaardig vet en/of vloeibare olie en/of GH Sheabutteroil FA01 en/of crude (gedummed) rapseed oil en/of PH Crude Coconutoil CCN en/of SOL Crude Palmoil Sustainable, althans plantaardige olie, zich wederechtelijk toe te eigenen, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);
(artt 310 en 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht) feit 1 subsidiair [b.v. 1] ., verder te noemen de B.V.,op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 en met 25 september 2013 te Neuss en/of te Hamm, in elk geval Duitsland en/of te Rotterdam en/of Terneuzen en/of Dordrecht en/of te Botlek en/of te Vlaardingen, in elk geval in Nederland en/of te Gent en/of te Rieme en/of te Zelzate, in ieder geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een (grote) hoeveelheid palmpitolie en/of halfgerafineerde raapolie en/of vetzuren en/of plantaardig vet en/of vloeibare olie en/of GH Sheabutteroli FA01 en/of crude (gedummed) rapseed oil en/of PH Crude Coconutoil CCN en/of SOL Crude Palmoil Sustainable, in elk geval - 15.880 kg plantaardige olie (Delict 6, [kenmerk 1] , pagina 09640 tot en met 09666 proces-verbaal) en/of - 25.820 kg plantaardige (Delict 6, [kenmerk 1] , pagina 09666 tot en met 09671 proces-verbaal) en/of - 33.320 kg en/of 18.460 kg plantaardige olie (Delict 16, [kenmerk 2] , pagina 10324 tot en met10341 proces-verbaal) en/of - 10.580 en/of 16.340 kg plantaardige olie (Delict 9, [kenmerk 3] , pagina 09910 tot en met 09925 proces-verbaal) en/of - 25.600 kg plantaardige olie (Delict 13, [kenmerk 4] , pagina 09944 tot en met 09960 proces-verbaal), in elk geval plantaardige olie, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan de leverancier(s) en/of afnemer(s), te weten aan [bedrijf] and [GmbH 1] en/of aan [b.v. 2] en/of aan [b.v. 3] . en/of/ [b.v. 4] . en/of [b.v. 5] . [GmbH 2] en/of [GmbH 3] en/of [GmbH 4] en/of [GmbH 5] [GmbH 5] en/of [b.v. 6] ., van (een) partij(en) palmpitolie en/of halfgerafineerde raapolie en/of vetzuren en/of plantaardig vet en/of vloeibare olie en/of GH Sheabutteroli FA01 en/of crude (gedummed) rapseed oil en/of PH Crude Coconutoil CCN en/of SOL Crude Palmoil Sustainable, in elk geval plantaardige olie, waarvan voornoemde weggenomen (grote) hoeveelheid deel uitmaakte, in elk geval aan een ander of anderen dan aan de B.V. en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) de B.V. en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking van/als vervoerder, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);
(artt. 321, 322 en 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht) feit 1 tweede subsidiair [b.v. 1] . op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 en met 25 september 2013, te Neuss en/of te Hamm, in elk geval Duitsland en/of te Rotterdam en/of Terneuzen en/of Dordrecht en/of te Botlek en/of te Vlaardingen, in elk geval in Nederland en/of te Gent en/of te Rieme en/of te Zelzate, in ieder geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een gewoonte heeft gemaakt van opzetheling, en daartoe op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) opzettelijk uit winstbejag een door misdrijf verkregen goed, te weten een (grote) hoeveelheid palmpitolie en/of halfgerafineerde raapolie en/of vetzuren en/of plantaardig vet en/of vloeibare olie en/of GH Sheabutteroli FA01 en/of crude (gedummed) rapseed oil en/of PH Crude Coconutoil CCN en/of SOL Crude Palmoil Sustainable, in elk geval - 15.880 kg plantaardige olie (Delict 6, [kenmerk 1] , pagina 09640 tot en met 09666 proces-verbaal) en/of - 25.820 kg plantaardige (Delict 6, [kenmerk 1] , pagina 09666 tot en met 09671 proces-verbaal) en/of - 33.320 kg en/of 18.460 kg plantaardige olie (Delict 16, [kenmerk 2] , pagina 10324 tot en met10341 proces-verbaal) en/of - 10.580 en/of 16.340 kg plantaardige olie (Delict 9, [kenmerk 3] , pagina 09910 tot en met 09925 proces-verbaal) en/of - 25.600 kg plantaardige olie (Delict 13, [kenmerk 4] , pagina 09944 tot en met 09960 proces-verbaal), in elk geval plantaardige olie, voorhanden heeft gehad en/of overgedragen, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);
(art 417 Wetboek van Strafrecht)
feit 2 [b.v. 1] . verder te noemen de B.V., op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 en met 25 september, te Moerdijk, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een (de) valse of vervalste bedrijfsadministratie(s), zijnde die bedrijfsadministratie(s) een (samenstel van) geschrift(en) bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, voorhanden heeft gehad, terwijl de B.V. en/of haar/hun mededader(s) wist(en) dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als echt en onvervalst, en bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat door de B.V. en/of een of meer haar/hun mededader(s) toen aldaar - zakelijk weergegeven - in (dat deel van) die bedrijfsadministratie voornoemd opnemen en/of verwerken van
> 6, althans een of meer valse of vervalste (kopie(ën) van) de begeleidingsbrie(f)ven met nummer(s) - [kenmerk 5] d.d.11.08.2011 (pagina 09504 proces-verbaal) en/of - [kenmerk 6] d.d. 16.08.2011(pagina 09527 proces-verbaal) en/of - [kenmerk 7] d.d.03.01.2012 (pagina 09622 proces-verbaal) en/of - [kenmerk 8] d.d.10.01.2012 (pagina 09631 proces-verbaal) en/of - [kenmerk 9] d.d. 06.05.2013(pagina 09745 proces-verbaal) en/of - [kenmerk 10] d.d. 25.07.2013 (pagina 09778 proces-verbaal) en/of
> 2, althans een of meer valse of vervalste (kopie(ën) van) de Bijlage VII-formulier met begeleidende informatie bij overbrengingen van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 4 van Verordening (EG) nr.1013/2006 zonder nummer - d.d.06.05.2013 (pagina 09747 proces-verbaal) en/of - d.d.25.07.2013 (pagina 09783 proces-verbaal), op welke genoemde begeleidingsbrie(f)ven en/of de Bijlage VII-formulieren (telkens) - zakelijk weergegeven- werd vermeld dat het betrof de afgifte(s) van het stedelijk afval (huishoudelijk afval en soortgelijk bedrijfsafval, industrieel afval en afval van instellingen, onder subgroep Spijolie en spijsvetten) met de Euralcode 20.01.25, zulks terwijl (telkens) het in werkelijkheid sprake was de afgifte(s) van plantaardige olie met vocht en vuil betrof, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbaar feit of strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
(art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht) feit 3 hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 25 september 2013 te Rotterdam en/of [plaats] en/of Moerdijk en/of Terneuzen en/of Dordrecht en/of Botlek en/of Vlaardingen en/of elders in Nederland en/of te Neuss en/of te Hamm, althans elders in Duitsland en/of te Rieme en/of Gent en/of Zelzate, althans elders in België, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), bestaande uit hem, verdachte, en, - [medeverdachte] en/of - [persoon ] en/of - [persoon 1] en/of - [persoon 2] en/of - [b.v. 7] . en/of - [b.v. 1] . welke organisatie(s) (telkens) tot oogmerk had(den) het plegen van misdrijven, namelijk - het (telkens) plegen van het plegen van verduistering, al dan niet in dienstbetrekking, van plantaardige oliën en vetten als bedoeld in artikel 321 jo artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht en/of - het (telkens) plegen van diefstal van plantaardige oliën en vetten als bedoeld in artikel 310 jo artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en/of - het (telkens) plegen van gewoonte maken van opzetheling van plantaardige oliën en vetten als bedoeld in artikel 416 jo artikel 417 en/of - het (telkens) plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, met betrekking het valselijk opmaken en/of vervalsen van (een deel van) de (bedrijfs-)administratie(s) van [b.v. 7] . en/of van [b.v. 1] en/of - het (telkens) plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, met betrekking tot het voorhanden hebben van de valse of vervalste bedrijfsadministratie van [b.v. 7] . en/of [b.v. 1] ..
(art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht)