ECLI:NL:RBZWB:2026:9968

ECLI:NL:RBZWB:2026:9968

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 02-224247-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Medeplegen van het teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden en daarnaast een taakstraf van 240 uren. Benadeelde partijen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02-224247-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,

verblijvende te [adres] ,

raadsvrouw mr. M.C. Geijtenbeek, advocaat te Goes.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander opzettelijk een ontploffing bij een voertuig teweeg heeft gebracht waardoor gevaar voor goederen te duchten was, dan wel hier medeplichtig aan is geweest.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Uit het dossier volgt onvoldoende dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte (hierna: [medeverdachte] ) gericht op het teweegbrengen van de explosie. De betrokkenheid van verdachte is niet aan te merken als medeplegen, zoals primair ten laste is gelegd, maar als medeplichtigheid. De officier van justitie heeft daarom gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit en het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. De rol van verdachte was van ondergeschikte betekenis en van een gezamenlijk plan of van een nauwe en bewuste samenwerking is onvoldoende gebleken. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feitenvaststelling

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 13 augustus 2025 omstreeks 22.30 uur vond er een explosie plaats onder het voertuig van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ). Daarbij is gebruikgemaakt van zwaar explosief vuurwerk, te weten een Cobra 20. Als gevolg van de explosie raakte het voertuig van [benadeelde 1] aanzienlijk beschadigd.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij, nadat hij de knal hoorde, direct naar de parkeervakken aan de zijkant van zijn woning is gelopen. Daar zag hij een grijze Peugeot met [kenteken 1] staan. De motor van de auto draaide, terwijl de verlichting was uitgeschakeld. Kort na de knal zag de getuige een persoon naar de auto lopen en als bijrijder instappen. Vervolgens reed de auto met hoge snelheid weg. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de Peugeot met [kenteken 1] aan verdachte toebehoort.

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bekend. Uit zijn verklaring volgt dat hij zich door zijn buurman, [benadeelde 1] , verraden voelde en dat hij om die reden wraak wilde nemen.

Is er sprake van medeplegen?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de betrokkenheid van verdachte meebrengt dat hij als medepleger van de ontploffing moet worden aangemerkt (zoals primair ten laste is gelegd) of dat hij daaraan medeplichtig is (zoals subsidiair ten laste is gelegd).

De rechtbank stelt voorop dat betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Op 13 augustus 2025 bevond verdachte zich omstreeks 17.00 uur samen met zijn vriend, [vriend] , in café [cafe] (hierna: het café) te [plaats 2] . Ook [medeverdachte] bevond zich daar. Verdachte zag [medeverdachte] die dag voor het eerst. Verdachte heeft [medeverdachte] verteld over het conflict dat hij met [benadeelde 1] had. [medeverdachte] heeft daarop aangegeven dat hij wel een idee had en dat hij beschikte over een Cobra 20. Vervolgens heeft [medeverdachte] aan verdachte gevraagd naar de auto van [benadeelde 1] . Verdachte, [medeverdachte] en [vriend] zijn daarna een rondje gaan rijden. Zij zijn daarbij onder meer naar [plaats 1] gereden, waar de auto van [benadeelde 1] geparkeerd stond. Verdachte heeft de auto van [benadeelde 1] aangewezen. Vervolgens zijn zij teruggekeerd naar het café.

Later die avond, omstreeks 23.00 uur, zijn verdachte en [medeverdachte] wederom naar [plaats 1] gereden. Voorafgaand aan de explosie heeft verdachte 50 euro aan [medeverdachte] gegeven. Verdachte heeft zijn auto geparkeerd in een straat naast de straat waar de auto van [benadeelde 1] stond. Terwijl verdachte in de auto bleef wachten, is [medeverdachte] naar de auto van [benadeelde 1] gelopen. Daar heeft [medeverdachte] de Cobra 20 onder de auto van [benadeelde 1] geplaatst en tot ontploffing gebracht. Daarna is hij teruggelopen naar de auto van verdachte en als bijrijder ingestapt. Verdachte is weggereden en heeft [medeverdachte] enige tijd later afgezet.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . De betrokkenheid van verdachte beperkte zich niet tot een ondergeschikte of ondersteunende rol. Het was verdachte die een conflict met [benadeelde 1] had. Verdachte heeft [medeverdachte] zelf verteld over dat conflict en de wens om [benadeelde 1] nog een keer terug te pakken, waarna het plan om een Cobra 20 te gebruiken is besproken. Vervolgens is verdachte samen met [medeverdachte] langs de woning van [benadeelde 1] gereden en heeft hij de auto van [benadeelde 1] aan [medeverdachte] aangewezen. Daardoor is een gezamenlijk plan ontstaan. Na terugkomst in het café zijn verdachte en [medeverdachte] immers samen doelbewust naar de locatie van die auto gereden om daar de Cobra 20 onder de auto te plaatsen. Verdachte is tijdens het plaatsen van de Cobra 20 in de buurt gebleven. Vervolgens heeft verdachte [medeverdachte] na het plegen van het feit weggebracht. Daarnaast heeft verdachte 50 euro betaald aan [medeverdachte] voor zijn bijdrage en hebben zij de volgende ochtend contact via Snapchat over de schade aan de auto van [benadeelde 1] , wie er allemaal van weten en of de politie hen al op het spoor is. De hiervoor vastgestelde handelingen van verdachte en [medeverdachte] vormden een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het ten laste gelegde feit. Verdachte heeft zowel voorafgaand aan als tijdens en na het feit een wezenlijke bijdrage geleverd aan de uitvoering daarvan.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Verdachte heeft daarmee een intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan de totstandkoming en uitvoering van het ten laste gelegde feit. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

primair

op 13 augustus 2025 te [plaats 1] , gemeente Borsele tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosieve stof in aanraking te brengen met een ontstekingsbron, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een auto ( [kenteken 2] ) te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 354 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, conform het advies van de reclassering, om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, althans geen gevangenisstraf die langer duurt dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. De verdediging verzoekt, bij een veroordeling, aan verdachte op te leggen een grotendeels voorwaardelijke straf en dat een onvoorwaardelijk strafdeel in de modaliteit van een taakstraf wordt opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich op 13 augustus 2025 samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing, door zwaar illegaal vuurwerk (een Cobra 20) af te steken en dit explosief onder de auto van [benadeelde 1] te plaatsen. Als gevolg van die ontploffing is schade aan het voertuig van [benadeelde 1] ontstaan. In dit geval neemt de rechtbank het verdachte bijzonder kwalijk dat de brandstichting een gerichte wraakactie was op [benadeelde 1] . Het handelen van verdachte is compleet onbezonnen en volstrekt onacceptabel. Dergelijke misdrijven hebben een enorme impact op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer in het algemeen dragen die bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Een brand kan snel een grote vorm aannemen en een onbeheersbaar karakter krijgen. Dit geldt temeer voor brandstichtingen in de buurt van auto’s, waarin brandgevaarlijke stoffen zoals benzine zich kunnen bevinden. De (financiële) schade aan het voertuig van [benadeelde 1] is aanzienlijk en verdachte heeft [benadeelde 1] en zijn echtgenote veel angst aangejaagd. Uit het spreekrecht dat [benadeelde 1] en zijn echtgenote ter zitting hebben uitgeoefend blijkt hoe groot de gevolgen van het handelen van verdachte voor hen is geweest. Hun gevoel van veiligheid is hierdoor aangetast. De echtgenote heeft PTSS opgelopen en wordt dagelijks geconfronteerd met de gevolgen hiervan. Verdachte is met zijn handelen volledig voorbijgegaan aan de gevoelens en de belangen van de slachtoffers en heeft slechts oog gehad voor zichzelf en zijn eigen gevoelens van frustratie.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in contact is geweest.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de reclasseringsrapportage van 15 september 2026. Uit dit advies volgt dat de reclassering het psychosociaal functioneren, het sociaal netwerk, het middelengebruik en de houding van verdachte als risico verhogende factoren ziet. Verdachte heeft het met name op mentaal vlak zwaar gehad, waardoor hij steeds meer verslaafd raakte aan alcohol en cocaïne. Verdachte erkent dat hij zijn middelengebruik heeft onderschat. Binnen het schorsingstoezicht en vanuit de ondersteuningsbehoefte van verdachte zijn er interventies ingezet op het middelengebruik, de cognitieve vaardigheden, zijn houding en het psychosociaal functioneren. Verdachte heeft inmiddels deelgenomen aan een gedragstraining, maar heeft deze door omstandigheden niet af kunnen maken. Als beschermende factoren ziet de reclassering de woning van verdachte, zijn werk, vriendin en zijn betrokken gezinsnetwerk. Het herhalingsgevaar wordt als gemiddeld geschat. Gelijktijdig meent de reclassering dat middels het reclasseringstoezicht in combinatie met behandeling, begeleiding, gedragstraining en middelencontrole een monitorende en begrenzende functie kan worden geboden, hetgeen het risico op recidive verlaagt. Bij een veroordeling adviseert de reclassering het volwassenenstrafrecht toe te passen en aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een ambulante begeleiding, een ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname en beheersing van het middelengebruik. De reclassering acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend, omdat dit de ingeslagen positieve weg onwenselijk zou doorkruisen.

Ter zitting is gebleken dat verdachte bereid is om zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.

De straf

De rechtbank heeft rekening gehouden met straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken. Verdachte heeft meegedaan aan een mediationtraject met de slachtoffers en dat succesvol afgerond. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij er blijk van heeft gegeven de ernst van zijn handelen en wat hij de slachtoffers heeft aangedaan in te zien en dat hij berouw heeft getoond.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie voldoende recht doet aan het bewezenverklaarde feit. Derhalve wordt aan verdachte opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 354 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Verdachte hoeft niet terug naar de gevangenis, nu het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf gelijk is aan het voorarrest. De rechtbank acht de geadviseerde bijzondere voorwaarden van groot belang voor verdachte om de positieve lijn voort te zetten en het risico op recidive in te perken. De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden dan ook opleggen. Daarnaast legt de rechtbank ook een taakstraf op van 240 uren, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

Voorschot

De verdediging heeft verzocht bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen rekening te houden met het bedrag dat verdachte reeds als ‘voorschot’ aan de benadeelde partijen heeft voldaan. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat het door verdachte betaalde bedrag ter compensatie voor de BTW was. Dit bedrag is voldaan in het kader van het mediationtraject en als voorwaarde voor deelname daaraan. Door de raadsvrouw van de benadeelde partijen is voldoende toegelicht dat dit bedrag zag op een andere schadepost en dat deze schadepost geen deel uitmaakt van de onderhavige vorderingen. Dit bedrag strekt daarmee niet tot vergoeding van de schade die in deze procedure door de benadeelde partijen wordt gevorderd. Het betreft derhalve geen betaling die in mindering dient te worden gebracht op de thans voorliggende schadevorderingen. De rechtbank zal dit bedrag daarom buiten beschouwing laten bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen.

[benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.660,22 ingediend, bestaande uit € 1.160,00 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.

Materiële schade

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Reiskosten

De door de benadeelde gevorderde reiskosten acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 14,52. Dit betreffen de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het bezoek aan [autogarage] . Deze schade staat ook in voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De benadeelde partij stelt dat hij als gevolg van de onrechtmatige daad PTSS heeft ontwikkeld en vordert in dat verband onder andere kosten voor behandeling. Zoals hierna door de rechtbank nader wordt toegelicht is het bestaan van PTSS door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van de onrechtmatige daad PTSS heeft ontwikkeld. Bij die stand van zaken kan evenmin worden vastgesteld dat de door de benadeelde partij opgevoerde kosten van behandeling kosten betreffen die als gevolg van de onrechtmatige daad voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal de gevorderde reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat afwijzen, omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt.

Eigen risico

Voor de behandeling bij [zorgverlener] is eigen risico in rekening gebracht. Deze kosten houden verband met de door de benadeelde partij gestelde PTSS. Voor de beoordeling van deze schadepost wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de door de benadeelde partij opgevoerde kosten van behandeling in verband met de gestelde PTSS. Voorgaande betekent dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Verlies van inkomen

De benadeelde partij stelt – kort gezegd – dat hij door het bezoek aan de autogarage, de huisarts, advocaat en psycholoog gedurende 12 uur zijn werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen. Hierdoor heeft hij een verlies van inkomen. De gevorderde kosten ten behoeve van het verlies van inkomen zijn onvoldoende onderbouwd en door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 3.500,00 gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog.

Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij.

Deze kosten zijn door de verdediging betwist. De rechtbank stelt vast dat er geen onderbouwing van het psychisch letsel aanwezig is en dat in de brief van [zorgverlener] van 7 januari 2026 staat opgenomen dat er geen klachten zijn. De rechtbank is dan ook met de verdediging van oordeel dat onderbouwing voor de PTSS-klachten ontbreekt. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 14,52, aan materiële schade. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 augustus 2025.

Hoofdelijk

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.

[benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.063,69 ingediend, bestaande uit € 63,69 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade.

Materiële schade

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

Reiskosten

De door de benadeelde gevorderde reiskosten acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 56,43, zijnde de reiskosten ten behoeve van medische afspraken. Deze schade staat ook in voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de gevorderde reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat afwijzen, omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog.

Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Hiervoor heeft zij therapie gevolgd. Daarnaast is door de benadeelde partij gesteld dat zij blijvende schade, te weten tinnitus (een blijvende pieptoon in haar oor) heeft opgelopen. Deze schade wordt gebruikt als onderbouwing van de immateriële vordering. De rechtbank stelt echter vast dat een medische verklaring of onderbouwing voor tinnitus ontbreekt. Om die reden zal zij de tinnitus niet bij de hoogte van de vordering betrekken.

Bij de hoogte van de vordering is door de benadeelde partij acht geslagen op de Rotterdamse Schaal en aansluiting gezocht bij de categorieën ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing’ en ‘Aantasting gehoor’. De rechtbank volgt de benadeelde partij daarin niet. Het gevorderde bedrag van € 5.000,00 sluit aan bij een categorie die ziet op middelzwaar geestelijk letsel waarbij sprake is van PTSS in combinatie met tinnitus. Naar het oordeel van de rechtbank is die categorie, gelet op de aard en ernst van het in deze zaak vastgestelde letsel en de beschikbare medische informatie, niet passend.

De rechtbank zal voor de begroting van de immateriële schade daarom aansluiten bij de categorie 14.2.d van de Rotterdamse Schaal, te weten ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS) – minder ernstig’. Bij de beoordeling van de ernst van het letsel betrekt de rechtbank dat uit de overlegde medische informatie en de gegeven toelichting volgt dat de benadeelde partij niet langer onder behandeling is en dat de behandeling succesvol is afgerond. Dit past bij een situatie waarin sprake is van herstel en slechts beperkte resterende klachten. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast afzonderlijk rekening te houden met de gestelde aantasting van het gehoor. De gestelde tinnitus is onvoldoende onderbouwd. Reeds daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een zodanige aantasting van het gehoor dat deze bij de begroting van de immateriële schade in aanmerking dient te worden genomen.

Gelet op het voorgaande, en mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.000,00 billijk. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen tot een bedrag van € 3.056,43. Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.056,43. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 augustus 2025.

Hoofdelijk

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

opzettelijk tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 365 (driehonderdvijvenzestig) dagen, waarvan 354 (driehonderdvierenvijftig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

* dat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa Plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Humanitas Homerun of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen ondereen stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uiturineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 14,52 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst de vordering af voor zover deze ziet op reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 14,52 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 1 dag gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 3.056,43, waarvan € 56,43 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst de vordering af voor zover deze ziet op reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 3.056,43 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 oktober 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 13 augustus 2025 te [plaats 1] , gemeente

Borsele

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosieve

stof in aanraking te brengen met een ontstekingsbron,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een

auto ( [kenteken 2] ) te duchten was;

(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1

Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

[medeverdachte] , althans een ander, op om omstreeks 13 augustus 2025 te

[plaats 1] , gemeente Borsele ,

opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosieve

stof in aanraking te brengen met een ontstekingsbron,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten

een auto ( [kenteken 2] ) te duchten was,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of

omstreeks 13 augustus 2025 te [plaats 1] , gemeente Borsele ,

althans in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- die [medeverdachte] , althans een ander, te zeggen welke auto van de persoon

met wie hij een conflict had is

- die [medeverdachte] , althans een ander naar de betreffende auto te vervoeren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand