Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-227338-25
Parketnummer TUL: 02-030815-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander opzettelijk een ontploffing bij een voertuig teweeg heeft gebracht waardoor gevaar voor goederen te duchten was.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Verdachte kan worden aangemerkt als de pleger van het feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak voor het ten laste gelegde feit. De verdediging heeft het tenlastegelegde ontkend en aangevoerd dat [medeverdachte] verdachte ten onrechte als mededader aanwijst, teneinde daarmee een van zijn vrienden uit de wind te houden.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feitenvaststelling
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 13 augustus 2025 omstreeks 22.30 uur vond er een explosie plaats onder het voertuig van [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ). Daarbij is gebruikgemaakt van zwaar explosief vuurwerk, te weten een Cobra 20. Als gevolg van de explosie raakte het voertuig van [benadeelde 1] aanzienlijk beschadigd.
[getuige] heeft verklaard dat hij, nadat hij de knal hoorde, direct naar de parkeervakken aan de zijkant van zijn woning is gelopen. Daar zag hij een grijze Peugeot met [kenteken 1] staan. De motor van de auto draaide, terwijl de verlichting was uitgeschakeld. Kort na de knal zag de getuige een persoon naar de auto lopen en als bijrijder instappen. Vervolgens reed de auto met hoge snelheid weg. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat de Peugeot met [kenteken 1] aan medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) toebehoort.
[medeverdachte] heeft een bekennende verklaring afgelegd over zijn betrokkenheid. Daarin heeft hij – kort samengevat – het volgende verklaard. Op 13 augustus 2025 bevond [medeverdachte] zich omstreeks 17.00 uur samen met zijn vriend, [vriend] , in café [cafe] (hierna: het café) in [plaats 2] . Ook verdachte bevond zich in het café. [medeverdachte] zag verdachte die dag voor het eerst. [medeverdachte] vertelde verdachte over het conflict dat hij met [benadeelde 1] had. Verdachte gaf daarop aan dat hij wel een idee had en dat hij beschikte over een Cobra 20. Vervolgens vroeg verdachte aan [medeverdachte] of [benadeelde 1] een auto had. Daarna zijn [medeverdachte] , [vriend] en verdachte een rondje gaan rijden. Zij zijn onder meer naar [plaats 1] gereden, waar de auto van [benadeelde 1] geparkeerd stond. [medeverdachte] heeft daar de auto van [benadeelde 1] aangewezen. Vervolgens zijn zij teruggekeerd naar het café.
Later die avond, omstreeks 23.00 uur, zijn [medeverdachte] en verdachte wederom naar [plaats 1] gereden. Voorafgaand aan de explosie heeft [medeverdachte] 50 euro aan verdachte gegeven. [medeverdachte] parkeerde zijn auto in een straat naast de straat waar de auto van [benadeelde 1] stond. [medeverdachte] bleef in de auto wachten, terwijl verdachte naar de auto van [benadeelde 1] liep. Verdachte heeft vervolgens de Cobra 20 onder de auto van [benadeelde 1] geplaatst en tot ontploffing gebracht. Daarna liep verdachte terug naar de auto van [medeverdachte] en stapte hij als bijrijder in. [medeverdachte] is weggereden en heeft verdachte enige tijd later afgezet.
Oordeel rechtbank
Verdachte heeft het feit ontkend en heeft verklaard dat hij op 13 augustus 2025 weliswaar in [cafe] aanwezig was, maar niets te maken heeft gehad met de ontploffing. [medeverdachte] wil verdachte ten onrechte als mededader aanwijzen, teneinde daarmee een van zijn vrienden uit de wind te houden.
De rechtbank volgt de verdachte hierin niet en overweegt daartoe het volgende. Uit een zich in het dossier bevindend Whatsapp-gesprek tussen een persoon genaamd ‘ [persoon] ’ en verdachte van 14 augustus 2025 blijkt dat verdachte aan [persoon] vraagt of hij zijn mond kan houden en dat verdachte hem vervolgens meedeelt dat hij de auto in [plaats 1] gisteren heeft ‘opgeblazen’. Gelet op de inhoud en tijdstip van deze berichten bestaat er bij de rechtbank geen twijfel dat dit gesprek over de auto van [benadeelde 1] gaat. Verdachte heeft over dit gesprek ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van dit gesprek dronken was en dat hij met deze mededeling niet zichzelf, maar een ander heeft bedoeld. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig.
Verder bevindt zich in het dossier een Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte] en verdachte van 14 augustus 2025. In dit gesprek vraagt verdachte aan [medeverdachte] of de politie nog is geweest en of die auto nog veel kapot was. Ook waarschuwt verdachte dat [medeverdachte] niks mag zeggen. Verdachte heeft hierover verklaard dat dit gesprek betrekking had op de bandensporen die de ochtend na de ontploffing in zijn tuin waren aangetroffen en dat [medeverdachte] daar niks over mocht zeggen. De rechtbank acht ook die verklaring niet geloofwaardig. Dit strookt niet met de inhoud van het gesprek en evenmin met de volgorde waarin de gebeurtenissen zich, blijkens het dossier, hebben voorgedaan. Bovendien heeft verdachte tijdens de zitting op vragen van de rechtbank niet kunnen uitleggen waarom [medeverdachte] niks over de bandensporen zou mogen vertellen.
De rechtbank stelt voorts vast dat de verklaring van verdachte voor het overige niet nader is onderbouwd en geen steun in het dossier vindt. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan die verklaring.
Rol van verdachte
[medeverdachte] heeft verdachte aangewezen als degene die de Cobra 20 in bezit had, onder de auto van [benadeelde 1] heeft geplaatst en tot ontploffing heeft gebracht. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. De verklaring is op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd en vindt op wezenlijke onderdelen steun in de overige, objectieve bewijsmiddelen.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat [medeverdachte] met zijn verklaring ook zichzelf heeft belast. Hij heeft immers verklaard over zijn eigen betrokkenheid bij het feit, waaronder het verstrekken van informatie over de locatie van de auto van [benadeelde 1] , het gezamenlijk naar [plaats 1] rijden en het vervolgens wegbrengen van verdachte. Dit maakt het niet aannemelijk dat [medeverdachte] verdachte zonder reden als uitvoerder van de ontploffing heeft aangewezen. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte] dan ook betrouwbaar en gebruikt die verklaring voor het bewijs. Deze verklaring wordt ondersteund door de hiervoor weergegeven chatgesprekken en de verklaring van getuige [vriend] .
Uit de voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd. Verdachte heeft het idee geopperd om een Cobra 20 onder de auto van [benadeelde 1] te plaatsen, hij had de Cobra 20 in zijn bezit en heeft deze vervolgens, nadat hij samen met [medeverdachte] naar de locatie van de auto van [benadeelde 1] was gereden, onder die auto geplaatst en tot ontploffing gebracht.
Medeplegen?
De rechtbank beschouwt [medeverdachte] als medepleger van het feit. Het was [medeverdachte] die een conflict met [benadeelde 1] had. [medeverdachte] heeft verdachte verteld over dat conflict en de wens om [benadeelde 1] nog een keer terug te pakken, waarna het plan om een Cobra 20 te gebruiken is besproken. Vervolgens is [medeverdachte] samen met verdachte langs de woning van [benadeelde 1] gereden en heeft [medeverdachte] de auto van [benadeelde 1] aan verdachte aangewezen. Daardoor is een gezamenlijk plan ontstaan. Na terugkomst in het café zijn verdachte en [medeverdachte] immers samen doelbewust naar de locatie van die auto gereden om daar de Cobra 20 onder de auto te plaatsen. [medeverdachte] is tijdens het plaatsen van de Cobra 20 in de buurt gebleven. Vervolgens heeft [medeverdachte] verdachte na het plegen van het feit weggebracht. Daarnaast heeft [medeverdachte] 50 euro betaald aan verdachte voor zijn bijdrage en hebben zij de volgende ochtend contact via Snapchat over de schade aan de auto van [benadeelde 1] , wie er allemaal van weten en of de politie hen al op het spoor is. De hiervoor vastgestelde handelingen van verdachte en [medeverdachte] vormden een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het ten laste gelegde feit. [medeverdachte] heeft zowel voorafgaand aan als tijdens en na het feit een wezenlijke bijdrage geleverd aan de uitvoering daarvan.
Gelet op het voorgaande kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Verdachte heeft daarmee een intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan de totstandkoming en uitvoering van het ten laste gelegde feit. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft gepleegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 augustus 2025 te [plaats 1] , gemeente Borsele tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosieve stof in aanraking te brengen met een ontstekingsbron, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een goed, te weten een auto ( [kenteken 2] ) te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om in geval van strafoplegging te volstaan met een taakstraf van 240 uren en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 13 augustus 2025 samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing, door zwaar illegaal vuurwerk (een Cobra 20) af te steken en dit explosief onder de auto van [benadeelde 1] te plaatsen. Als gevolg van die ontploffing is schade aan het voertuig van [benadeelde 1] ontstaan. In dit geval neemt de rechtbank het verdachte bijzonder kwalijk dat de brandstichting een gerichte wraakactie was op [benadeelde 1] . Het feit is gepleegd tegen de achtergrond van een conflict tussen [medeverdachte] en [benadeelde 1] . Een conflict waar verdachte niets mee te maken had. Het handelen van verdachte is compleet onbezonnen en volstrekt onacceptabel. Dergelijke misdrijven hebben een enorme impact op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer in het algemeen dragen die bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Een brand kan snel een grote vorm aannemen en een onbeheersbaar karakter krijgen. Dit geldt temeer voor brandstichtingen in de buurt van auto’s, waarin brandgevaarlijke stoffen zoals benzine zich kunnen bevinden. De (financiële) schade aan het voertuig van [benadeelde 1] is aanzienlijk en verdachte heeft [benadeelde 1] en zijn echtgenote veel angst aangejaagd. Uit het spreekrecht dat [benadeelde 1] en zijn echtgenote ter zitting hebben uitgeoefend blijkt hoe groot de gevolgen van het handelen van verdachte voor hen is geweest. Hun gevoel van veiligheid is hierdoor aangetast. De echtgenote heeft PTSS opgelopen en wordt dagelijks geconfronteerd met de gevolgen hiervan. Verdachte is met zijn handelen volledig voorbij gegaan aan de gevoelens en de belangen van de slachtoffers.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 augustus 2026 waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke feiten. De rechtbank stelt verder vast dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 7 september 2026. Gelet op de ontkennende proceshouding van verdachte, heeft de reclassering geen delictanalyse kunnen opstellen en daardoor onvoldoende zicht gekregen op eventuele risicofactoren en beschermende factoren. Indien de verdenking bewezen wordt geacht sluit de reclassering een delictrelatie aangaande sociaal netwerk, middelengebruik, psychosociaal functioneren dan wel houding niet uit. Over de oplegging van toezicht en eventueel in te zetten interventies kan de reclassering evenmin adviseren.
De straf
Gelet op de aard en ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de proceshouding van verdachte. Hij heeft op geen enkel moment en tegen beter weten in verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Aan verdachte is op verschillende momenten de kans geboden die verantwoordelijkheid alsnog te nemen; bij de politie, tijdens de zitting en tijdens het mediation-gesprek met de slachtoffers. Telkens is hij blijven ontkennen iets met het tenlastegelegde te maken te hebben, ondanks de confrontatie met het overtuigende belastende bewijs. Dit zal extra leed hebben toegevoegd bij de slachtoffers.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Het ogenschijnlijke gemak waarmee verdachte bij het bewezenverklaarde feit betrokken is geraakt en zijn proceshouding, ziet de rechtbank als zorgwekkend. De rechtbank acht daarom een voorwaardelijk deel van de straf noodzakelijk.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
Voorschot
De verdediging heeft verzocht bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen rekening te houden met het bedrag dat de medeverdachte reeds als ‘voorschot’ aan de benadeelde partijen heeft voldaan. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat het door de medeverdachte betaalde bedrag ter compensatie voor de BTW was. Dit bedrag is voldaan in het kader van het mediationtraject en als voorwaarde voor deelname daaraan. Door de raadsvrouw van de benadeelde partijen is voldoende toegelicht dat dit bedrag zag op een andere schadepost en dat deze schadepost geen deel uitmaakt van de onderhavige vorderingen. Dit bedrag strekt daarmee niet tot vergoeding van de schade die in deze procedure door de benadeelde partijen wordt gevorderd. Het betreft derhalve geen betaling die in mindering dient te worden gebracht op de thans voorliggende schadevorderingen. De rechtbank zal dit bedrag daarom buiten beschouwing laten bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen.
[benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.660,22 ingediend, bestaande uit € 1.160,00 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Reiskosten
De door de benadeelde gevorderde reiskosten acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 14,52. Dit betreffen de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het bezoek aan [autogarage] . Deze schade staat ook in voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De benadeelde partij stelt dat hij als gevolg van de onrechtmatige daad PTSS heeft ontwikkeld en vordert in dat verband onder andere kosten voor behandeling in verband daarmee. Zoals hierna door de rechtbank nader wordt toegelicht is het bestaan van PTSS door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van de onrechtmatige daad PTSS heeft ontwikkeld. Bij die stand van zaken kan evenmin worden vastgesteld dat de door de benadeelde partij opgevoerde kosten van behandeling kosten betreffen die als gevolg van de onrechtmatige daad voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank zal de gevorderde reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat afwijzen, omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt.
Eigen risico
Voor de behandeling bij [zorgverlener] is eigen risico in rekening gebracht. Deze kosten houden verband met de door de benadeelde partij gestelde PTSS. Voor de beoordeling van deze schadepost wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de door de benadeelde partij opgevoerde kosten van behandeling in verband met de gestelde PTSS. Voorgaande betekent dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Verlies van inkomen
De benadeelde partij stelt – kort gezegd – dat hij door het bezoek aan de autogarage, de huisarts, advocaat en psycholoog gedurende 12 uur zijn werkzaamheden niet heeft kunnen uitoefenen. Hierdoor heeft hij een verlies van inkomen. De gevorderde kosten ten behoeve van het verlies van inkomen zijn onvoldoende onderbouwd en door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 3.500,00 gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog.
Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij.
Deze kosten zijn door de verdediging betwist. De rechtbank stelt vast dat er geen onderbouwing van het psychisch letsel aanwezig is en dat in de brief van [zorgverlener] van 7 januari 2026 staat opgenomen dat er geen klachten zijn. De rechtbank is dan ook met de verdediging van oordeel dat onderbouwing voor de PTSS-klachten ontbreekt. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 14,52, aan materiële schade. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 augustus 2025.
Hoofdelijk
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.
[benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.063,69 ingediend, bestaande uit € 63,69 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Reiskosten
De door de benadeelde gevorderde reiskosten acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 56,43, zijnde de reiskosten ten behoeve van medische afspraken. Deze schade staat ook in voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal de gevorderde reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat afwijzen, omdat een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Als schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad, een nadeel betreft dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Van ‘een aantasting in de persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog.
Voor het vaststellen van de omvang van de gestelde schade moet onder meer worden gekeken naar de aard en ernst van het feit, de aard en ernst van het letsel en de gevolgen voor de benadeelde partij.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, in de vorm van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Hiervoor heeft zij therapie gevolgd. Daarnaast is door de benadeelde partij gesteld dat zij blijvende schade, te weten tinnitus (een blijvende pieptoon in haar oor) heeft opgelopen. Deze schade wordt gebruikt als onderbouwing van de immateriële vordering. De rechtbank stelt echter vast dat een medische verklaring of onderbouwing voor tinnitus ontbreekt. Om die reden zal zij de tinnitus niet bij de hoogte van de vordering betrekken.
Bij de hoogte van de vordering is door de benadeelde partij acht geslagen op de Rotterdamse Schaal en aansluiting gezocht bij de categorieën ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing’ en ‘Aantasting gehoor’. De rechtbank volgt de benadeelde partij daarin niet. Het gevorderde bedrag van € 5.000,00 sluit aan bij een categorie die ziet op middelzwaar geestelijk letsel waarbij sprake is van PTSS in combinatie met tinnitus. Naar het oordeel van de rechtbank is die categorie, gelet op de aard en ernst van het in deze zaak vastgestelde letsel en de beschikbare medische informatie, niet passend.
De rechtbank zal voor de begroting van de immateriële schade daarom aansluiten bij de categorie 14.2.d van de Rotterdamse Schaal, te weten ‘Posttraumatische stressstoornis (PTSS) – minder ernstig’. Bij de beoordeling van de ernst van het letsel betrekt de rechtbank dat uit de overlegde medische informatie en de gegeven toelichting volgt dat de benadeelde partij niet langer onder behandeling is en dat de behandeling succesvol is afgerond. Dit past bij een situatie waarin sprake is van herstel en slechts beperkte resterende klachten. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast afzonderlijk rekening te houden met de gestelde aantasting van het gehoor. De gestelde tinnitus is onvoldoende onderbouwd. Reeds daarom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een zodanige aantasting van het gehoor dat deze bij de begroting van de immateriële schade in aanmerking dient te worden genomen.
Gelet op het voorgaande, en mede gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.000,00 billijk. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen tot een bedrag van € 3.056,43. Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit deel van de vordering kan enkel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 3.056,43. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 augustus 2025.
Hoofdelijk
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald, en andersom.
8. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 25 maart 2026.
De rechtbank stelt vast dat de proeftijd die gekoppeld is aan deze voorwaardelijke straf is ingegaan op 25 maart 2026. Het bewezenverklaarde feit dateert dus van vóór aanvang van de proeftijd. Daarom verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
opzettelijk tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden, waarvan 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 14,52 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst de vordering af voor zover deze ziet op reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , € 14,52 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 1 dag gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 3.056,43, waarvan € 56,43 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst de vordering af voor zover deze ziet op reiskosten ten behoeve van het bezoek aan de slachtofferadvocaat;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 3.056,43 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 30 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 02-030815-25.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 oktober 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 13 augustus 2025 te [plaats 1] , gemeente Borsele
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosieve stof in
aanraking te brengen met een ontstekingsbron,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een auto
( [kenteken 2] ) te duchten was;
(art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht)