ECLI:NL:RBZWB:2026:9970

ECLI:NL:RBZWB:2026:9970

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 02-333400-24 en 02-245987-24 (ttz gevoegd)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor zes geweldsfeiten tijdens het uitgaan. Oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast oplegging van een taakstraf van 240 uren.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummers: 02-333400-24 en 02-245987-24 (ttz gevoegd)

Vonnis van de meervoudige kamer van 14 oktober 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

raadsman mr. D.R. Kops, advocaat te Breukelen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. J.J. Peerboom en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 02-245987-24 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

parketnummer 02-245987-24

feit 1: op 7 juni 2024 [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (primair), dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling (subsidiair) of mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (meer subsidiair) van die [benadeelde 1] ;

feit 2: op diezelfde datum [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (primair), dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling (subsidiair) of mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (meer subsidiair) van die [benadeelde 2] ;

feit 3: op diezelfde datum [benadeelde 3] heeft mishandeld;

parketnummer 02-333400-24

feit 1: op 19 oktober 2024 heeft geprobeerd [benadeelde 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: op diezelfde datum openlijk geweld heeft gepleegd tegen die [benadeelde 4] (primair), dan wel die [benadeelde 4] samen met een of meer anderen heeft mishandeld (subsidiair);

feit 3: op diezelfde datum [benadeelde 5] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

parketnummer 02-245987-24

Feit 1

De officier van justitie vordert vrijspraak van de primair en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, dan wel poging tot zware mishandeling van [benadeelde 1] . De meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 1] acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid ‘terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft’.

Feit 2

De officier van justitie vordert vrijspraak van de primair en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, dan wel poging tot zware mishandeling van [benadeelde 2] . De meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 2] met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 3] heeft begaan.

parketnummer 02-333400-24

Feit 1

De officier van justitie vordert vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde 4] .

Feit 2

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 4] heeft begaan. Verdachte moet echter partieel worden vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 141, tweede lid, onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Feit 3

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 5] heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

parketnummer 02-245987-24

Feit 1

De verdediging sluit zich voor dit feit aan bij het standpunt van de officier van justitie.

Feit 2

De verdediging bepleit vrijspraak van de primair en subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, dan wel poging tot zware mishandeling van [benadeelde 2] . De meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 2] kan wel wettig en overtuigend bewezen worden, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid ‘terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft’.

Feit 3

De verdediging voert geen bewijsverweer ten aanzien van dit feit.

parketnummer 02-333400-24

Feit 1

De verdediging bepleit vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde 4] .

Feiten 2 en 3

De verdediging voert geen bewijsverweer ten aanzien van deze feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

parketnummer 02-245987-24

Feiten en omstandigheden

Op 7 juni 2024 is verdachte aanwezig in uitgaansgelegenheid [cafe 1] (hierna: het café) aan de [straat] in Breda. Omstreeks 3.00 uur wordt verdachte door portier/beveiliger [benadeelde 3] uit het café gezet. Direct hierna gaat verdachte weer het café in. [benadeelde 3] ziet dit en begeleidt verdachte weer naar buiten. Eenmaal buiten geeft verdachte met zijn rechtervuist een klap in het gezicht van [benadeelde 3] en loopt hij een aantal seconden later van het café weg. Twee personen, zijnde [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , lopen achter verdachte aan. Er vindt in woord en gebaar interactie plaats tussen verdachte en deze twee personen. Verdachte haalt vervolgens met zijn rechtervuist uit naar het gezicht van [benadeelde 1] die direct met zijn achterhoofd op de grond valt en blijft liggen. Hierna haalt verdachte uit met achtereenvolgens zijn linker- en rechtervuist naar [benadeelde 2] , die eerst op de borst wordt geraakt en daarna in het gezicht. [benadeelde 2] valt op de grond. Terwijl [benadeelde 2] weer omhoog probeert te komen, trapt verdachte met zijn rechtervoet tegen het lichaam van [benadeelde 2] en deelt hij met zijn rechtervuist nog twee klappen uit tegen het gezicht en de schouder van [benadeelde 2] . [benadeelde 2] staat hierna op en loopt een aantal stappen naar achteren, waarna verdachte op [benadeelde 2] afloopt en hij [benadeelde 2] met zijn rechtervuist een klap op de kaak geeft. [benadeelde 2] valt met zijn achterhoofd op de grond en blijft liggen. Verdachte loopt weg.

Feit 1

Primair wordt verdachte verweten dat hij [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 1] door de geweldshandeling van verdachte letsel heeft opgelopen. Het letsel, voor zover dat is onderbouwd met medische informatie, bestaat uit licht traumatisch schedel-/hersenletsel en een wond op het behaarde deel van het hoofd. Dergelijk letsel is zowel los als in samenhang bezien onvoldoende ernstig om juridisch als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt. [benadeelde 1] benoemt in zijn aangifte weliswaar meer letsel, maar daarvoor bevat het dossier geen medische onderbouwing. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde zware mishandeling.

Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij heeft geprobeerd om [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voor een bewezenverklaring van een dergelijke poging tot zware mishandeling moet kunnen worden geconcludeerd dat verdachte minimaal bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

Vaststaat dat verdachte eenmaal met kracht met zijn rechtervuist in het gezicht van [benadeelde 1] heeft gestompt. Uit de camerabeelden blijkt dat deze stomp met zoveel kracht is gegeven dat [benadeelde 1] direct recht achterover klapt, met zijn achterhoofd op de grond terechtkomt en bewusteloos blijft liggen. Deze met bijzonder grote kracht gegeven en onverhoedse stomp in het gezicht, zijnde een kwetsbaar lichaamsdeel, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat de rechtbank hieruit afleidt dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [benadeelde 1] door deze stomp, dan wel door de val als gevolg van die stomp, zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Te denken valt bijvoorbeeld aan complexe of meervoudige breuken in het gezicht dan wel ander ernstig hoofdletsel.

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde 1] daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Primair wordt verdachte verweten dat hij [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

De rechtbank stelt vast dat [benadeelde 2] door de geweldshandelingen van verdachte een gebroken neus met scheefstand tot gevolg heeft opgelopen, twee wonden in het aangezicht die gehecht moesten worden en een schaafwond op de wang. Ter zitting is namens [benadeelde 2] toegelicht dat hij er vooralsnog voor gekozen heeft geen operatie voor

het herstel van de scheefstand van zijn neus te ondergaan, zodat hij zijn werkzaamheden als militair niet hoeft te onderbreken. Omdat er nog geen hersteloperatie heeft plaatsgevonden, bevat het dossier ten aanzien van zijn gebroken neus geen informatie over het uitzicht op herstel. Daarnaast ontbreekt een actuele medische onderbouwing van de gestelde gevolgen van het opgelopen letsel, bijvoorbeeld ten aanzien van eventuele littekenvorming, ademhalingsproblemen en zijn werk als militair. Hierdoor kan het letsel van [benadeelde 2] niet zonder meer aangemerkt worden als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde zware mishandeling.

Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij heeft geprobeerd om [benadeelde 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Vaststaat dat verdachte meermaals en op drie verschillende momenten met kracht met zijn vuisten tegen het hoofd van [benadeelde 2] heeft gestompt en eenmaal tegen diens lichaam heeft getrapt. Bij de laatste stomp tegen het hoofd is [benadeelde 2] met zijn achterhoofd op de grond gevallen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met deze geweldshandelingen die onder meer gericht zijn op het hoofd, zijnde een kwetsbaar lichaamsdeel, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 2] hierdoor, dan wel door het vallen als gevolg van deze geweldshandelingen, zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. De rechtbank neemt ook in dit geval de uiterlijke verschijningsvorm van deze geweldshandelingen in aanmerking, zoals de hoeveelheid geweld, de kracht die verdachte daarbij gebruikt en de omstandigheid dat verdachte hiermee doorgaat nadat [benadeelde 2] na een val is opgestaan en probeert weg te lopen.

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde 2] daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 3] .

parketnummer 02-333400-24

Feiten en omstandigheden

Op 19 oktober 2024 omstreeks 3.40 uur is verdachte aanwezig op de [locatie] in Breda. Samen met een groep andere personen staat hij daar aan de voorzijde van [cafe 2] . Links naast dit café is [cafe 3] gevestigd. Tot de groep andere personen behoren onder meer [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte), [benadeelde 4] en [benadeelde 5] . Op enig moment ontstaat er een woordenwisseling in de groep personen en wordt verdachte door een medewerker van team Sterk op Straat (hierna: SOS) uit deze groep gehaald. Zo’n tien seconden later stapt verdachte weer terug richting de groep personen en geeft hij [benadeelde 5] met zijn rechterarm een flinke vuistslag in het gezicht. Medewerkers van SOS proberen verdachte tegen te houden en ook andere omstanders bemoeien zich er mee. Verdachte krijgt ondertussen een klap van [benadeelde 4] . [benadeelde 4] krijgt vervolgens klappen van de medeverdachte. [benadeelde 4] valt hierdoor op de grond met zijn hoofd richting de gevel van [cafe 3] . Verdachte loopt naar de plaats toe waar [benadeelde 4] valt. Op camerabeelden is de zien dat verdachte op deze plaats meerdere fors trappende bewegingen maakt. Niet te zien is waar deze trappende bewegingen op gericht zijn. Hierna loopt verdachte weg.

Feit 1

Verdachte wordt verweten dat hij heeft geprobeerd om [benadeelde 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door [benadeelde 4] met kracht tegen het hoofd te trappen.

Verdachte heeft verklaard dat hij met de trappende bewegingen die op de camerabeelden zijn te zien, op de benen van [benadeelde 4] trapt. Hij kan zich dit zelf niet herinneren, maar dit heeft hij naar eigen zeggen later van getuigen gehoord.

Het dossier bevat geen verklaringen van de getuigen waar verdachte in zijn verklaring op doelt. Wel bevat het dossier een verklaring van [getuige] . Deze getuige, die voor zover bekend geen connectie met verdachte of [benadeelde 4] heeft en in die zin dus neutraal is, heeft verklaard:

Op 19 oktober 2024 omstreeks 3.45 uur zag ik dat er links van [cafe 2] een jongen op de grond lag. Vervolgens zag ik een andere jongen aan komen lopen. Ik kan deze jongen

als volgt omschrijven: ongeveer 1.90 meter lang, slank postuur, licht getinte huidskleur, donker krullend haar, donkere broek en shirt met een vest er overheen, waarvan de rits open was. Ik zag dat deze jongen doelbewust naar de jongen liep die op de grond lag. Vervolgens zag ik dat deze jongen meerdere malen met zijn rechterbeen op het hoofd van de jongen trapte die op de grond lag.

De rechtsbank stelt vast dat de plaats waar volgens de getuige een jongen op de grond lag, overeenkomt met de plaats waar [benadeelde 4] op de grond viel en dat het signalement dat de getuige geeft van de jongen die aan komt lopen, op de kleur van de broek na, overeenkomt met het signalement van verdachte. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit de camerabeelden of anderszins uit het dossier niet blijkt dat er op dat moment voor de gevel van [cafe 3] andere personen dan [benadeelde 4] op de grond lagen. De rechtbank neemt daarom aan dat wat de getuige heeft waargenomen, plaatsvond tussen verdachte en [benadeelde 4] .

Op basis van deze getuigenverklaring, in combinatie met de camerabeelden waarop meerdere trappende bewegingen van verdachte zijn te zien, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte meerdere keren met kracht op het hoofd van [benadeelde 4] , zijnde een kwetsbaar lichaamsdeel, heeft getrapt. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze geweldshandelingen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte – ongeacht het type schoeisel waarmee hij de trappen gaf – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde 4] hier op zijn minst zwaar lichamelijk letsel door zou oplopen.

De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [benadeelde 4] daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [benadeelde 4] . Hij heeft immers een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan het geweld dat hij op de openbare weg samen met de medeverdachte tegen [benadeelde 4] heeft gepleegd.

Uit de bewijsmiddelen kan de rechtbank niet afleiden of de specifieke geweldshandelingen van verdachte hebben geleid tot lichamelijk letsel bij [benadeelde 4] en evenmin welk concreet letsel aan verdachte zou zijn toe te schrijven. De medeverdachte heeft [benadeelde 4] immers ook geslagen. Met de officier van justitie en in lijn met vaste jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarom niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het lichamelijk letsel dat [benadeelde 4] als gevolg van de openlijke geweldpleging heeft opgelopen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de stafverzwarende omstandigheid uit artikel 141, tweede lid, onder 1°, Sr.

Feit 3

Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 5] .

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

parketnummer 02-245987-24

1

subsidiair:

op 7 juni 2024 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 1] met kracht met de vuist in het gezicht heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

subsidiair:

op 7 juni 2024 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [benadeelde 2] meermalen met kracht met de vuist tegen het hoofd heeft gestompt en

- die [benadeelde 2] eenmaal met kracht tegen het lichaam heeft getrapt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

op 7 juni 2024 te Breda [benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] in het gezicht te slaan;

parketnummer 02-333400-24

1

op 19 oktober 2024 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [benadeelde 4] meermalen met kracht op het hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

op 19 oktober 2024 te Breda, openlijk, te weten aan de [locatie] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde 4] , door die [benadeelde 4] meermalen met kracht tegen of op het hoofd te stompen en trappen;

3

op 19 oktober 2024 te Breda [benadeelde 5] heeft mishandeld door voornoemde [benadeelde 5] eenmaal met kracht in het gezicht te stompen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 240 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging kan zich vinden in de gevorderde straf en verzoekt met klem om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich tijdens het uitgaan op twee verschillende momenten schuldig gemaakt aan buitensporig geweld en daarbij vijf slachtoffers gemaakt, waarvan één slachtoffer aan het werk was als portier van een café. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die slachtoffers, die stuk voor stuk letsel hebben opgelopen. Het geweld is beide keren bovendien waargenomen door verschillende omstanders, waarmee het voorstelbaar is dat dit bij hen heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid.

Dat verdachte na zijn eerste geweldsuitbarsting in juni 2024 een aantal maanden later weer in de fout gaat, rekent de rechtbank hem zwaar aan. Verdachte verklaart dat hij op beide momenten behoorlijk onder invloed van alcohol was, maar ziet dit zelf niet als excuus. Hij benoemt dat het echt niet kan wat hij heeft gedaan, dat hij het idioot en schandalig vindt en dat het tweede moment hem echt aan het denken heeft gezet. Hij gaat sindsdien naar eigen zeggen bijna niet meer uit en drinkt veel minder. Uit deze reactie volgt dat verdachte de kwalijkheid van zijn handelen achteraf in elk geval wel inziet en hier ook zijn verantwoordelijkheid voor neemt.

De persoon van de verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 2 september 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Er is dus geen sprake van recidive.

Verdachte heeft vanaf 19 oktober 2024 vier dagen in voorarrest doorgebracht, waarna zijn voorlopige hechtenis op 22 oktober 2024 onder voorwaarden, waaronder meewerken aan reclasseringstoezicht, is geschorst. Eén van die voorwaarden betrof deelname aan de gedragsinterventie Alcohol en Geweld, die verdachte in april 2025 positief heeft afgerond. Gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is verdachte niet voor nieuwe geweldsdelicten met politie of justitie in aanraking gekomen, maar wel is hij tweemaal veroordeeld voor aan lachgas gerelateerde delicten, gepleegd in december 2025 en begin 2026. Tegen één van deze veroordelingen is hoger beroep ingesteld. De andere veroordeling is onherroepelijk.

In het reclasseringsadvies van 2 april 2026 wordt het recidiverisico bij verdachte ingeschat als hoog. Deze inschatting is voornamelijk gebaseerd op het gegeven dat verdachte in korte tijd meermaals op heterdaad is aangehouden en zich dus niet conformeert aan wet- en regelgeving. Daarnaast ontbreekt het verdachte aan een stabiele inkomstenbron, zijn er zorgelijke signalen over zijn middelengebruik en is er sprake van een forse schuldenlast. De reclassering schat het risico op letsel in als gemiddeld en het risico op onttrekken aan de voorwaarden als laag. Verdachte heeft zich gedurende de schorsing gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, omdat er geen mogelijkheden meer worden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij inmiddels zeven weken gestopt is met het gebruik van lachgas, dat hij nog altijd bij zijn moeder woont, dat zijn schuldenproblematiek redelijk onder controle is en dat hij sinds zes weken bij een hoveniersbedrijf werkt.

De op te leggen straf

De rechtbank stelt vast dat voor de bewezenverklaarde feiten tezamen doorgaans forse gevangenisstraffen worden opgelegd. Op basis van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting zou het bij een simpele optelsom van de voorgeschreven straffen in dit geval gaan om ruim elf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op het tijdsverloop na de bewezenverklaarde feiten en het onafgebroken schorsingstoezicht bij de reclassering van zo’n twee jaar, acht rechtbank het echter niet passend om verdachte nu nog terug naar de gevangenis te sturen. Dat zou bovendien negatieve consequenties hebben voor het werk waar verdachte recent mee gestart is. In dit geval acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf, tezamen met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijke reactie. Bij het bepalen van de hoogte daarvan houdt de rechtbank ook rekening met de eendaadse samenloop in de zaak met parketnummer 02-333400-24 tussen de feiten 1 en 2.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren. Dit in combinatie met een taakstraf van 240 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 120 dagen hechtenis. De duur van het voorarrest van verdachte wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag.

De voorwaardelijke gevangenisstraf heeft tot doel om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit. Evenals de reclassering ziet de rechtbank geen meerwaarde in het stellen van bijzondere voorwaarden.

7. De vordering van de benadeelde partij

parketnummer 02-245987-24

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 2.300,- aan immateriële schade voor feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij stelt door dit feit een gebroken neus met scheefstand tot gevolg en meerdere verwondingen in het gezicht te hebben opgelopen. Bij de vordering van 3 mei 2025 is toegelicht dat de scheefstand nog niet operatief is gecorrigeerd en dat de littekens in het gezicht nog zichtbaar zijn. Als gevolg van dit letsel ervaart de benadeelde partij met name tijdens het slapen ademhalingsproblemen en kampte hij ook met fysieke beperkingen die invloed hadden op zijn werk als militair. Ook is er volgens de benadeelde partij sprake van mentale gevolgen. Niet alleen door de herinnering aan het toegepaste geweld, maar ook door de dagelijkse confrontatie met de scheefstand van zijn neus en de littekens op zijn gezicht.

Ter zitting is de gevorderde schadevergoeding namens de benadeelde partij verhoogd naar

€ 2.675,-. Dit onder verwijzing naar het laagste schadebedrag dat is opgenomen in hoofdstuk 9 van de Rotterdamse Schaal bij breuken van de neus, waarbij na een operatie volledig herstel wordt bereikt na zes maanden.

De verdediging betwist de vordering, in die zin dat deze moet worden gematigd, omdat het gestelde letsel onvoldoende met actuele medische informatie onderbouwd is.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [benadeelde 2] . Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door feit 2 een gebroken neus met scheefstand tot gevolg heeft opgelopen, twee wonden in het aangezicht die gehecht moesten worden en een schaafwond op de wang. Zoals hiervoor onder 4.3.2 door de rechtbank al is opgemerkt, ontbreekt er ten aanzien van de gebroken neus informatie over het uitzicht op herstel, omdat er nog geen hersteloperatie heeft plaatsgevonden. Daarnaast ontbreekt een actuele medische onderbouwing van de gestelde gevolgen van het opgelopen lichamelijke letsel, waaronder ten aanzien van eventuele littekenvorming, ademhalingsproblemen en zijn werk als militair. Dit geldt ook voor de gestelde, deels met het lichamelijke letsel samenhangende, mentale gevolgen. Vanwege het ontbreken van dergelijke actuele medische informatie neemt de rechtbank sec het vastgestelde lichamelijke letsel in aanmerking en acht daarvoor het initieel gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.300,- billijk en toewijsbaar.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de gevorderde schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit overige gedeelte onvoldoende is onderbouwd. Beoordeling hiervan vergt nader onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat gedeelte van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen schadebedrag met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2024, de datum waarop feit 2 plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 55, 57, 63, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

parketnummer 02-245987-24

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 ten laste gelegde feit en van het primair onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 02-245987-24

feit 1, subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2, subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 3: mishandeling;

parketnummer 02-333400-24

de eendaadse samenloop van:

feit 1: poging tot zware mishandeling;

en

feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 3: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partij

parketnummer 02-245987-24

Ten aanzien van feit 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 2.300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] , € 2.300,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 23 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, en mr. M.E.I. Beudeker en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 oktober 2026.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

parketnummer 02-245987-24

1

hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Breda

aan [benadeelde 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten

- een hoofdwond en/of

- onherstelbaar letsel aan/in de mond en/of

- licht traumatisch schedel-hersenletsel en/of

- letsel dat (incidenteel) uitval van een/de be(e)n(en) en/of een spraakgebrek tot

gevolg heeft (gehad),

heeft toegebracht door die [benadeelde 1] (met kracht) (met de vuist) te slaan en/of te

stompen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd, ten gevolge waarvan die

[benadeelde 1] ten val is gekomen;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Breda

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [benadeelde 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

die [benadeelde 1] (met kracht) (met de vuist) in/tegen het gezicht, althans op/tegen het

hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Breda

[benadeelde 1] heeft mishandeld

door die [benadeelde 1] (met kracht) (met de vuist) te slaan en/of te stompen in/tegen

het gezicht, althans op/tegen het hoofd, ten gevolge waarvan die [benadeelde 1] ten val is

gekomen,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel,

te weten

- een hoofdwond en/of

- onherstelbaar letsel aan/in de mond en/of

- licht traumatisch schedel-hersenletsel en/of

- letsel dat (incidenteel) uitval van een/de be(e)n(en) en/of een spraakgebrek tot

gevolg heeft (gehad),

ten gevolge heeft gehad;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Breda

aan [benadeelde 2]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een neusfractuur en/of een of meer wonden in het

gelaat, heeft toegebracht door die [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal (met

kracht) (met de vuist) in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan

en/of te schompen;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Breda

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [benadeelde 2]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met de vuist) in/tegen het

gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of

- die [benadeelde 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht) in de richting van het

hoofd en/of tegen het lichaam heeft getrapt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Breda

[benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2]

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met de vuist) in/tegen het gezicht,

althans op/tegen het hoofd te slaan en/of te schompen en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het lichaam te trappen

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel,

te weten

- een gebroken neus,

- een open wond aan de neus en/of

- scheefstand van de neus

ten gevolge heeft gehad;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 7 juni 2024 te Breda

[benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] in/tegen het gezicht, althans

op/tegen het hoofd te slaan;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

parketnummer 02-333400-24

1

hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Breda ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen,

voornoemde [benadeelde 4] meermalen, althans eenmaal, met kracht in het gezicht

en/of tegen/op het hoofd heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Breda, openlijk, te weten, aan de [locatie] ,

in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke

plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten K.C.J.

[benadeelde 4] , door die [benadeelde 4] meermalen, althans eenmaal, met kracht in het

gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of

trappen,

terwijl dit gepleegde geweld voor voornoemde [benadeelde 4] enig lichamelijk letsel, te

weten een schram onder het oog en/of een wond in het hoofd en/of een

hersenschudding, ten gevolge heeft gehad;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Breda, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, [benadeelde 4] heeft mishandeld door die

[benadeelde 4] meermalen, althans eenmaal, met kracht in het gezicht en/of tegen het

hoofd te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 19 oktober 2024 te Breda [benadeelde 5] heeft mishandeld door

voornoemde [benadeelde 5] meermalen, althans eenmaal, met kracht in het gezicht en/of

tegen het hoofd te slaan en/of stompen;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand