Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-175326-26, 02-049166-26 (TUL), 02-228561-25 (TUL) en 20-000471-25 (TUL)
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 oktober 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [locatie] ,
raadsvrouw mr. P. Janssen, advocaat te Tilburg.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 september 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan
feit 1: diefstal van een scooter, samen met een ander, op 21 mei 2026;
feit 2: verzet bij zijn aanhouding door de politie op 18 juni 2026;
feit 3: belediging van een politieambtenaar op 18 juni 2026;
feit 4: diefstal van een fatbike op 2 mei 2026 (primair), dan wel opzet- of schuldheling van die fatbike (subsidiair).
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De verdediging bepleit vrijspraak van feit 1. Twee verbalisanten verklaren verdachte te herkennen op foto’s die gemaakt zijn door een getuige van de diefstal. Deze foto’s zijn echter van slechte kwaliteit en bovendien zijn de herkenningen te algemeen van aard en deels aantoonbaar onjuist, waarbij in elk geval één verbalisant met voorkennis heeft gehandeld. Hierdoor kunnen deze herkenningen niet als bewijs worden gebruikt en moet verdachte worden vrijgesproken van het medeplegen van de diefstal van de scooter.
Feiten 2 en 3
De verdediging voert geen bewijsverweer ten aanzien van deze feiten.
Feit 4
De verdediging bepleit vrijspraak van feit 4. Verdachte had niet het oogmerk om zich de fatbike wederrechtelijk toe te eigenen, zodat hij moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal. Ook moet verdachte worden vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde opzet- dan wel schuldheling. Op het moment dat hij de fatbike in zijn bezit had, wist hij niet dat deze gestolen was en behoorde hij dit ook niet te weten.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast:
Op 21 mei 2026 is in Tilburg de scooter (merk La Souris) van [benadeelde 1] gestolen, ondanks dat deze op slot stond met het stuurslot. Een getuige ziet deze diefstal gebeuren. Volgens deze getuige staan een man en een vrouw enige tijd bij de scooter en lopen zij vervolgens samen met de scooter weg, waarbij eerst de vrouw met de scooter aan de hand loopt en vervolgens de man. De getuige maakt foto’s van de man en de vrouw op het moment dat zij bij de scooter staan of zitten. Kort nadat de getuige de politie belt, treft de politie de vrouw, genaamd [persoon] , samen met de scooter aan. De man is daar niet bij aanwezig. In het mandje van de scooter wordt een mannenjas aangetroffen, met daarin het identiteitsbewijs van verdachte.
Tijdens de zitting heeft verdachte verklaard dat hij de diefstal niet heeft gepleegd. Volgens verdachte is de man op de door de getuige gemaakte foto’s een vriend van hem die op hem lijkt, maar hij wil zijn naam niet noemen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij lange tijd geleden zijn identiteitsbewijs bij deze vriend heeft laten liggen.
Verdachte heeft met zijn verklaring een alternatieve lezing van de gebeurtenissen gegeven, die niet zou stroken met een bewezenverklaring. De rechtbank stelt deze verklaring echter als ongeloofwaardig terzijde, omdat deze wordt weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen. Twee verbalisanten verklaren immers op ambtseed dat zij verdachte ambtshalve herkennen als de man op de door de getuige gemaakte foto’s. Deze foto’s zijn naar het oordeel van de rechtbank van voldoende kwaliteit om daar een herkenning op te baseren. De verbalisanten motiveren daarbij op welke uiterlijke kenmerken en eerdere contactmomenten met verdachte die herkenning is gebaseerd. Dat deze herkenningen, zoals de verdediging betoogt, aantoonbaar onjuist zijn en in elk geval één daarvan op basis van voorkennis tot stand is gekomen, is niet vast komen te staan. Tijdens de zitting heeft de rechtbank zelf ook waargenomen dat het gelet op een aantal uiterlijke kenmerken van verdachte, te weten zijn hoge voorhoofd, de inhammen in zijn haarlijn, het ‘krulletje’ in zijn haar en zijn lengte en postuur, niet uit te sluiten valt dat verdachte de man is die op de foto’s is te zien.
Gelet hierop is verdachte naar het oordeel van de rechtbank de man die samen met de hem bekende [persoon] de scooter heeft gestolen. De rechtbank voelt zich gesterkt in dit oordeel door het bij [persoon] aangetroffen identiteitsbewijs van verdachte.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in vereniging zoals onder 1 ten laste is gelegd.
Feiten 2 en 3
Verdachte heeft ter zitting over deze feiten een bekennende verklaring afgelegd. Voor de bewezenverklaring wordt daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II.
Feit 4
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast:
Op 2 mei 2026 is in Tilburg de fatbike van [benadeelde 2] gestolen. Op 1 mei 2026 omstreeks 21.50 uur heeft [benadeelde 2] zijn fatbike in de fietsenstalling gezet van het bedrijf [b.v.] . aan [adres 1] in Tilburg. Op camerabeelden van dit bedrijf is te zien dat verdachte op 2 mei 2026 omstreeks 4.18 uur het terrein van dat bedrijf op komt fietsen op een fatbike. Enkele tientallen seconden later vertrekt verdachte weer van dat terrein met, naast de fatbike waar hij op fietste, de fatbike van [benadeelde 2] aan zijn hand. Omstreeks 4.35 uur is verdachte door een politieambtenaar met de twee fatbikes gezien en is hem een stopteken gegeven. Verdachte stopt niet en probeert onder meer tussen twee struiken door te fietsen, waarna de politieambtenaar hem vastpakt en controleert. Verdachte geeft aan dat hij onderweg is naar een vriend genaamd [vriend 1] , wonende aan [adres 2] . Als de politieambtenaar verdachte vraagt hoe hij aan de fatbikes komt, zegt verdachte dat hij deze op moest halen voor een vriend met de naam [vriend 2] . Meer vertelt verdachte niet. De politieambtenaar controleert de framenummers van de fatbikes, die op dat moment niet als gestolen staan gesignaleerd en laat verdachte zijn weg vervolgen. Nadat verdachte net vertrokken is, krijgt de politieambtenaar een melding dat de fatbike van [benadeelde 2] is gestolen. De politieambtenaar belt [benadeelde 2] en hoort van [benadeelde 2] dat de airtag in zijn fatbike uitstraalt ter hoogte van [adres 2] . Vervolgens rijdt de politieambtenaar naar dit adres en treft daar in de buurt verdachte aan. Als de politieambtenaar verdachte wil aanhouden, vlucht verdachte in eerste instantie, maar wordt hij na dreiging met een taser alsnog aangehouden. Ter plaatse wordt de fatbike van [benadeelde 2] aangetroffen.
Verdachte heeft verklaard dat hij de fatbike feitelijk heeft meegenomen van het terrein van het bedrijf, maar dat een vriend van hem, genaamd [vriend 2] , hem gevraagd had dit te doen. Daarbij vertelde [vriend 2] aan verdachte dat de fatbike van zijn vriendin was, waar verdachte deze kon ophalen en dat deze niet op slot stond. Verdachte verkeerde hierdoor in de veronderstelling dat de fatbike van de vriendin van [vriend 2] was.
Verdachte heeft met zijn verklaring een alternatieve lezing van de gebeurtenissen gegeven, die niet zou stroken met een bewezenverklaring. De rechtbank is echter van oordeel dat de door verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden. Bij zijn staandehouding door de politieambtenaar op 2 mei 2026 verklaart verdachte weliswaar direct dat hij de fatbike op moest halen voor een vriend [vriend 2] , maar meer informatie over die vriend geeft hij niet. Ook ter zitting weigert verdachte de volledige naam van [vriend 2] te geven. Door het ontbreken van verdere informatie over [vriend 2] is het verhaal van verdachte, dat hij op verzoek van die [vriend 2] handelde in het geheel niet verifieerbaar. Bovendien stroken de twee vluchtpogingen van verdachte voor de politie op 2 mei 2026 niet met zijn verklaring dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij ‘niets strafbaars’ deed.
Omdat verdachte de fatbike feitelijk heeft weggenomen en zijn verklaring dat hij te goeder trouw handelde niet aannemelijk is geworden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal zoals primair onder 4 ten laste is gelegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 21 mei 2026 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander een scooter (merk La Souris), die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen scooter onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
2
op 18 juni 2026 te Tilburg zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, [hoofdagent 1] (hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [brigadier] (brigadier bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant) en [agent] (agent bij de politie Eenheid
Zeeland-West-Brabant) en [hoofdagent 2] (hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door meermalen, althans eenmaal
- in de richting van die [hoofdagent 1] en [brigadier] en [agent] en [hoofdagent 2] te trappen en
- te trappen tegen het been van die [hoofdagent 2] en
- ontwijkende bewegingen te maken met zijn bovenlichaam en
- zijn armen in tegengestelde richting te bewegen dan waarin die [hoofdagent 1] verdachte trachtte te geleiden en
- zich met zijn benen af te zetten tegen het politievoertuig;
3
op 18 juni 2026 te Tilburg opzettelijk een ambtenaar, te weten [hoofdagent 2] (hoofdagent bij de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende de rechtmatige uitoefening van
zijn bediening,
- in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem het woord toe te voegen: "kankermongolen" en
- in de richting van die [hoofdagent 2] te spugen;
4
op 2 mei 2026 te Tilburg een fatbike, die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft weggenomen
met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel).
Het standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring van de feiten 1 en/of 4 refereert de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde ISD-maatregel aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op twee verschillende momenten in een periode van ongeveer drie weken schuldig gemaakt aan diefstal van een fatbike en het medeplegen van diefstal van een scooter. Het plegen van deze delicten getuigt van een gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen. Het gaat dan ook om vervelende delicten, waarmee hij niet alleen direct anderen dupeert, maar ook kosten en overlast veroorzaakt voor de samenleving als geheel.
Als verdachte vervolgens een aantal weken later door de politie buiten heterdaad wordt aangehouden, verzet hij zich op verschillende manieren met geweld, scheldt hij de politieambtenaren uit en spuugt hij richting hen. Verdachte laat hiermee zien ook geen respect voor het openbaar gezag te hebben en geweld niet te schuwen. Het is voorstelbaar dat verdachte hiermee het veiligheidsgevoel en de eerbaarheid van de politieambtenaren heeft aangetast. Politieambtenaren moeten kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dit soort gedragingen. Dit geldt temeer, omdat hun werk het doorgaans niet toelaat dat zij zich distantiëren van situaties waarin zulke gedragingen zich kunnen voordoen.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 1 september 2026 blijkt dat hij veelvuldig is veroordeeld, onder meer voor diefstal, wederspannigheid en belediging. Er is dus sprake van recidive. Bovendien liep verdachte nog in drie proeftijden, vanwege eerder opgelegde voorwaardelijke straffen.
In het reclasseringsadvies van 16 september 2026 wordt het recidiverisico bij verdachte ingeschat als hoog. Dit geldt ook voor het risico op letsel en risico op onttrekken aan voorwaarden. Het recidiverisico hangt met name samen met het psychosociaal functioneren, middelengebruik, sociaal netwerk en de houding van verdachte. Hij kampt met een verstandelijke beperking, is gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, laat zeer impulsief gedrag zien en heeft gebrekkige vaardigheden in het oplossen van (interpersoonlijke) problemen. Het ontbreken van empathie en een moreel kompas en het uitblijven van een schuldgevoel, verhogen de kans op delictgedrag. Er worden problemen op nagenoeg alle leefgebieden gezien, die al geruime tijd spelen. Volgens de reclassering geeft verdachte geen blijk van voldoende probleembesef, is hij niet intrinsiek gemotiveerd voor een gedragsverandering en komt hij afspraken niet dan wel zeer beperkt na. Al vanaf 2012 zijn vanuit de reclassering herhaaldelijk interventies ingezet gericht op het verminderen van recidive en het realiseren van stabiliteit op verschillende leefgebieden. Ook zeer recent is dit nog gebeurd. Er is onder meer sprake geweest van ambulante begeleiding, ambulante forensische behandeling, beschermd wonen, urinecontroles, taakstraffen en diverse vormen van reclasseringstoezicht. Ondanks deze langdurige en intensieve inzet is het niet gelukt een duurzame gedragsverandering bij verdachte tot stand te brengen. Gelet op de houding van verdachte, het structureel niet nakomen van afspraken en het ontbreken van enige motivatie, ziet de reclassering een ambulant kader als onvoldoende toereikend om tot gedragsverandering en recidivebeperking te komen. De reclassering acht de kans hierop bij verdachte alleen aanwezig in een gedwongen kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Een dergelijke maatregel biedt mogelijkheden voor stabilisatie, diagnostiek en behandeling binnen een gecontroleerde setting. Vanuit diagnostiek kan bovendien een passend behandel- en begeleidingstraject worden vormgegeven. De reclassering adviseert om verdachte bij een veroordeling daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
[deskundige] , reclasseringswerker, heeft daaraan tijdens de zitting toegevoegd dat er bij verdachte een bepaalde kwetsbaarheid aanwezig is, waardoor eerdere interventies in een ambulant kader onvoldoende hebben gewerkt. In een gecontroleerde setting van een ISD-maatregel kan aan die kwetsbaarheid worden gewerkt, onder meer door te proberen hem meer weerbaar te maken, zijn middelengebruik aan te pakken en onderzoek te doen naar mogelijk niet aangeboren hersenletsel, aldus de deskundige.
Tijdens de zitting heeft verdachte zelf naar voren gebracht dat hij wil laten zien wat hij waard is voor de maatschappij en dat het zijn doel is om een eigen woning te bemachtigen, zijn rijbewijs te halen en met een reguliere baan bij een technische dienst aan de slag te gaan. Hij gaf daarbij enerzijds aan dat hij denkt dat een ISD-maatregel nodig is om dit doel te bereiken, maar anderzijds heeft een ambulant kader zijn voorkeur, omdat hij niet naar de gevangenis wil.
Een ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is voor de bewezenverklaarde feiten 1 en 4 voorlopige hechtenis toegelaten. Bovendien is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan die feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld en zijn die feiten begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast zijn er over een periode van vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten 1 en 4 meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte opgemaakt, waarvan ten minste één in de twaalf maanden voorafgaand aan die feiten. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de oplegging van een ISD-maatregel ook passend en geboden is. Voorop staat dat een ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de problematiek van de verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel in het geval van verdachte noodzakelijk. Andere, minder ingrijpende, afdoeningsmogelijkheden zijn in het verleden al veelvuldig ingezet, maar hebben niet tot een positieve gedragsverandering geleid. Zo hebben eerder opgelegde voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden, ondanks de betrokkenheid van de reclassering en verschillende hulpverleningsinstanties, niet geleid tot stabiliteit in het leven van verdachte en hem er evenmin van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte overtrad herhaaldelijk de geldende bijzondere voorwaarden en hield zich structureel niet aan afspraken.
De combinatie van de psychische problematiek van verdachte en zijn middelengebruik, tezamen met het ontbreken van stabiliteit en beschermende factoren – zoals een woning, zinvolle dagbesteding en een inkomen – maken dat een voorwaardelijk kader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende toereikend is om de maatschappij tegen het strafbare handelen van verdachte te beveiligen. Het gedwongen kader van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is dit wel en is dus passend en geboden. Bovendien biedt een dergelijk kader voor verdachte ook kansen om met zijn problematiek aan de slag te gaan en om aan zichzelf te werken. Verdachte lijkt dit zelf ook zo te zien. Gedurende de ISD-maatregel kan diagnostiek worden verricht, kunnen de nodige behandelingen worden ingezet en kan – zo mogelijk – ingezet worden op resocialisatie. Als verdachte deze kansen benut en zijn gedrag ten positieve verandert, staat hem na afloop van de ISD-maatregel mogelijk een stabiel leven zonder strafbaar gedrag te wachten, met wellicht een eigen woning, baan en rijbewijs, zoals hij graag wenst.
Voornamelijk ter optimale beveiliging van de maatschappij, maar ook om een effectieve behandeling en resocialisatie mogelijk te maken, is het naar het oordeel van de rechtbank belangrijk om voldoende tijd te nemen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de tijd die verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering te brengen op de duur van de ISD-maatregel.
7. De vorderingen tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2026 (parketnummer 02-228561-25) ten uitvoer zal worden gelegd.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 25 februari 2026 (parketnummer 20-000471-25) ten uitvoer zal worden gelegd.
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijke geldboete van € 325,- die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2026 (parketnummer 02-049166-26) ten uitvoer zal worden gelegd.
Ter zitting heeft de officier van justitie verzocht deze vorderingen af te wijzen gelet op de gevorderde ISD-maatregel.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van de voorwaardelijke straffen schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en dat hij daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kunnen de vorderingen tot tenuitvoerlegging in beginsel worden toegewezen. Met de officier van justitie acht de rechtbank toewijzing van deze vorderingen echter niet opportuun, omdat aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging dan ook afwijzen.
Wel acht de rechtbank het noodzakelijk om in de zaken met parketnummers 02-228561-25 en 20-000471-25 de aan de voorwaardelijke straffen verbonden bijzondere voorwaarden te wijzigen, in die zin dat deze komen te vervallen. De op te leggen onvoorwaardelijke ISD-maatregel is naar zijn aard en duur immers juist geschikt om te bepalen wat verdachte nodig heeft om recidive te voorkomen en om hiervoor een plan op te stellen. Het is onwenselijk als dit plan na afloop van de ISD-maatregel onverhoopt doorkruist wordt door eerder opgelegde bijzondere voorwaarden.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 180, 266, 267, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
feit 2: wederspannigheid;
feit 3: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 4: diefstal;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;
Vorderingen tenuitvoerlegging
- wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging af, maar wijzigt de in de zaken met parketnummers 02-228561-25 en 20-000471-25 gestelde bijzondere voorwaarden, in die zin dat deze komen te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, en mr. R. Combee en mr. M. Koek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 oktober 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 21 mei 2026 te Tilburg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een scooter (merk La Souris), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen scooter
onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of
verbreking;
( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van
Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 18 juni 2026 te Tilburg,
zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet
tegen (een) ambtena(a)r(en), [hoofdagent 1] (hoofdagent bij de politie Eenheid
Zeeland-West-Brabant) en/of [brigadier] (brigadier bij de politie Eenheid
Zeeland-West-Brabant) en/of [agent] (agent bij de politie Eenheid
Zeeland-West-Brabant) en/of [hoofdagent 2] (hoofdagent bij de politie Eenheid
Zeeland-West-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn
bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door
meermalen, althans eenmaal
- in de richting van die [hoofdagent 1] en/of [brigadier] en/of [agent] en/of
[hoofdagent 2] te trappen en/of
- te trappen tegen het been, althans het lichaam van die [hoofdagent 2] en/of
- ontwijkende bewegingen te maken met zijn bovenlichaam en/of
- zijn armen in tegengestelde richting te bewegen dan waarin die [hoofdagent 1] en/of
[brigadier] en/of [agent] en/of [hoofdagent 2] verdachte trachtte(n) te geleiden en/of
- zich met zijn benen af te zetten tegen het politievoertuig;
( art 180 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 18 juni 2026 te Tilburg
opzettelijk een ambtenaar, te weten [hoofdagent 2] (hoofdagent bij de politie Eenheid
Zeeland-West-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
zijn bediening,
- in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te
voegen: "teringlijers" en/of "kankerlijers" en/of "kankermongolen" althans
woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of
- in de richting van die [hoofdagent 2] te spugen;
( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van
Strafrecht )
4
hij, op of omstreeks 2 mei 2026 te Tilburg,
een fatbike, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk
geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
( art 310 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 2 mei 2026 te Tilburg,
een fatbike, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft
overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof;
( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek
van Strafrecht )