200402129/1.
Datum uitspraak: 3 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaatsen]
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 januari 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van een supermarkt op het perceel kadastraal bekend gemeente Ubbergen, sectie […], nrs. […], plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats].
Bij besluit van 10 april 2003 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd voorzover [appellant B] ontvankelijk is geacht in zijn bezwaren, en het bezwaarschrift van [appellant B] alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 8 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 7 mei 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door drs. M.A. Wijnen en drs. C.H. van Marle, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M. Lanen, advocaat te Utrecht, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college [appellant B] ten onrechte in zijn bezwaren heeft ontvangen. Dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant B] ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 2 december 2002 reeds was verhuisd van de [locatie 2] te [plaats] naar [plaats] en dat zijn belang derhalve niet rechtstreeks bij dat besluit was betrokken. Sedert 1 oktober 2002 was [appellant B] geen juridisch eigenaar meer van het perceel aan de [locatie 2] te [plaats]. De omstandigheid dat [appellant B] belanghebbende was bij de aan genoemd besluit voorafgegane verlening van een tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning voor uitbreiding van de supermarkt betekent niet dat hij reeds om die reden belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de vrijstelling en bouwvergunning waar het thans om gaat. De door [appellant B] gestelde waardedaling van de door hem verkochte woning als gevolg van het voornemen tot het volgen van de vrijstellingsprocedure van artikel 19, eerste lid, van de WRO, is evenmin voldoende om hem als belanghebbende aan te merken in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college heeft miskend dat het bezwaar van [appellant B] niet-ontvankelijk was.
2.2. Ten aanzien van appellant [appellant A] heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene in de loop van de onderhavige beroepsprocedure eveneens naar elders is verhuisd, maar hij nog procesbelang heeft omdat hij als gevolg van de door hem bestreden bouwvergunning een lagere verkoopprijs heeft ontvangen. De rechtbank heeft evenwel miskend dat [appellant A] die - blijkens het verhandelde in de zitting van de Afdeling - in december 2003 de eigendom van zijn woning naast de supermarkt aan de koper heeft geleverd, weliswaar heeft gesteld een lagere koopprijs te hebben ontvangen maar nog geen begin van een onderbouwing heeft gegeven voor een mogelijk verband tussen de hoogte van de verkoopprijs en de uitbreiding van de supermarkt. Onder deze omstandigheden had de rechtbank [appellant A] niet in zijn beroep dienen te ontvangen. De aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven en de Afdeling zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep van [appellant A] alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel is er reden om toepassing te geven aan artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State en te bepalen dat het voor de behandeling van het hoger beroep door appellanten gestorte griffierecht zal worden gerestitueerd.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 januari 2004, Awb 03/1173, voorzover daarbij het beroep van [appellant A] gegrond is verklaard;
III. verklaart het door [appellant A] bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
V. gelast dat de Secretaris van de Raad van State het door appellanten voor de behandeling van het hoger beroep gestorte griffierecht (€ 175,--) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Schortinghuis
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004
66-422.