ECLI:NL:RVS:2004:AR7955

ECLI:NL:RVS:2004:AR7955, Raad van State, 22-12-2004, 200403418/1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-12-2004
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200403418/1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBSHE:2004:AO6404
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 2 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002367 BWBR0002375 BWBR0003889 BWBR0005181 BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

Bij besluit van 11 juli 2002 heeft het hoofd van de Afdeling Bouwen namens appellant (hierna: het college) geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen aan [wederpartij] voor het oprichten van een garage/berging op het perceel plaatselijk bekend [locatie], kadastraal bekend gemeente ¡¯s-Hertogenbosch, sectie [¡¦] nr [¡¦].

Uitspraak

200403418/1.

Datum uitspraak: 22 december 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 maart 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te 's-Hertogenbosch

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2002 heeft het hoofd van de Afdeling Bouwen namens appellant (hierna: het college) geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning te verlenen aan [wederpartij] voor het oprichten van een garage/berging op het perceel plaatselijk bekend [locatie], kadastraal bekend gemeente ¡¯s-Hertogenbosch, sectie [¡¦] nr [¡¦].

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 11 juli 2002 in stand gelaten onder verbetering van de weigeringsgronden.

Bij uitspraak van 10 maart 2004, verzonden op 12 maart 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 21 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juni 2004 heeft [wederpartij] een memorie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar het college, vertegenwoordigd door P.W.G.M. Christophe, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. [wederpartij] is niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting betreft het stuk grond waar de garage op is geprojecteerd een door [wederpartij] van de gemeente verworven groenstrook aansluitend aan het perceel waar de woning van [wederpartij] is gelegen. Ingevolge het bestemmingsplan ¡°Orthen-Noord 1964¡± rust op het gedeelte van de groenstrook waar het bouwplan op ziet, de bestemming ¡°Recreatie en openbaar plantsoen¡±. Niet in geschil is dat het bouwplan daarmee in strijd is.

2.2. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1¡Æ, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna het Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.3. Het college betoogt met succes dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet bevoegd was toepassing te geven aan artikel 19, derde lid, van de WRO. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 5 december 2001, in zaak no. 200100460/1 (Gst. 7166, nr. 10), heeft overwogen zijn ten aanzien van een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning in de bebouwde kom in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1¢ª, van het Bro, afgezien van het aantal woningen, geen restricties gesteld. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld bieden de tekst van dat artikel noch de Nota van Toelichting bij het Besluit tot wijziging van het Bro aanknopingspunten voor de conclusie dat de garage dient te worden gerealiseerd binnen het bouwvlak waar de woning is gesitueerd en binnen de daarvoor geldende bestemming. De omstandigheid dat de op te richten garage - anders dan de woning - is geprojecteerd op gronden met de bestemming ¡°Recreatie en openbaar plantsoen¡±, maakt evenmin dat geen sprake is van een bijgebouw bij de woning, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 1¢ª,van het Bro.

2.4. Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.5. De rechtbank is niet aan de inhoudelijke kant van de zaak toegekomen. Het college heeft aan zijn bij het besluit van 18 maart 2003 gehandhaafde weigering bouwvergunning en vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, te verlenen ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met de in het bestemmingsplan "Erfbebouwingsregeling" neergelegde criteria. De Afdeling heeft geen duidelijkheid verkregen ten aanzien van de vraag of bij de verkoop van het betrokken gedeelte van de groenstrook door de gemeente aan [locatie] bij haar gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt dat zij ter plekke een garage/berging mocht bouwen en de vraag of en in hoeverre het college dit bij zijn belangenafweging had behoren te betrekken. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State, naar de rechtbank terug te wijzen ter verdere afdoening.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 maart 2004, AWB03/1183;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004

378.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AB 2005, 53 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?