ECLI:NL:RVS:2006:AV1258

ECLI:NL:RVS:2006:AV1258, Raad van State, 08-02-2006, 200505216/1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 08-02-2006
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200505216/1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003738

Samenvatting

Bij besluit van 4 november 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Uitspraak

200505216/1.

Datum uitspraak: 8 februari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/102 van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Bij besluit van 5 december 2003 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 mei 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2006, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te ‘s-Gravenhage, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij een transactie heeft aanvaard, geen sprake was van een voorwaardelijk sepot en de minister het verzoek terecht heeft afgewezen omdat ten aanzien van hem ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Volgens appellant is geen sprake van een transactie maar van een voorwaardelijke sepot, hetgeen volgens de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) niet leidt tot afwijzing van het verzoek.

2.2. De minister heeft het verzoek met toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) afgewezen.

Ingevolge de desbetreffende bepaling wordt, voor zover thans van belang, een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde.

Bij de toepassing van die maatstaf hanteert de minister de Handleiding.

In hoofdstuk 4, paragraaf 4, van de Handleiding is het volgende vermeld:

"4.2 Transacties

Een enkele transactie ter zake van misdrijf leidt tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, indien […] de voorwaarde voor transactie een taakstraf is. […] Voor de afdoening van misdrijven is niet altijd een uitspraak van de strafrechter nodig. Ongeveer een derde van de misdrijfzaken wordt door middel van een transactie afgedaan. […] Een transactie voor een misdrijf is een alternatieve vorm van sanctie, zij het dat die sanctie niet na berechting en niet door de strafrechter wordt opgelegd, en dat de vrijwillige instemming van de verdachte is vereist. Met de transactie geeft de Nederlandse overheid aan voldoende belang te hechten aan sanctionering van het misdrijf. Dat voorstel (lees: transactievoorstel) mag uitsluitend worden gedaan als een veroordeling door de rechter in een gewone strafrechtelijke procedure ook daadwerkelijk haalbaar is.

[…]

4.10 Sepots en voorwaardelijk sepots

Met een voorwaardelijk sepot is […] nog geen einde aan de zaak gekomen. Met een voorwaardelijk sepot ziet het OM slechts af van strafvervolging, indien aan (een) bepaalde voorwaarde(n) wordt voldaan. Indien aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan alsnog tot dagvaarding worden overgegaan en kan het misdrijf alsnog leiden tot een sanctie. […] Voorwaardelijke sepots leiden evenmin (lees: evenmin als onvoorwaardelijke sepots) tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie, mits aan de voorwaarden van het sepot is voldaan en de proeftijd is verstreken. […] Pas als de proeftijd is verstreken en aan de voorwaarden is voldaan, kan (achteraf) worden vastgesteld dat het vermeende misdrijf niet tot een sanctie heeft geleid en dat er ook geen rehabilitatietermijn is aangevangen."

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juli 2003 in zaak no. 200206108/1, JV 2003/390) begrijpt zij de hiervoor weergegeven passages van de Handleiding aldus, dat weliswaar zowel bij een transactie als bij een voorwaardelijk sepot in beginsel wordt afgezien van verdere strafvervolging, doch bij een transactie voldoende belang wordt gehecht aan sanctionering van het strafbare feit, terwijl bij voorwaardelijk sepot wordt afgezien van sanctionering, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden.

2.2.2. Blijkens een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 26 september 2003 is het desbetreffende strafbare feit afgedaan met een transactie. Reeds gelet hierop faalt de klacht.

2.3. Voorts klaagt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het principieel onjuist is dat de aanvaarding van een transactie, anders dan een voorwaardelijk sepot, blijkens de Handleiding met zich brengt dat het verzoek op de voet van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wordt afgewezen, terwijl een transactie noch een voorwaardelijk sepot een strafblad oplevert.

2.3.1. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer uitspraak van 8 juli 1996 in zaak no. H01.95.0441, RV 1996, 48), acht de Afdeling het op de voet van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN gevoerde beleid in het algemeen niet onaanvaardbaar. In de Handleiding is gemotiveerd uiteengezet dat en waarom de aanvaarding van een transactieaanbod, in tegenstelling tot een voorwaardelijk sepot, tot afwijzing van een verzoek om verlening van het Nederlanderschap leidt. Dat, naar appellant stelt, de aanvaarding van een transactieaanbod noch een voorwaardelijk sepot leidt tot een strafblad, biedt, wat hier ook van zij, geen grond voor het oordeel dat het in de Handleiding neergelegde beleid als kennelijk onredelijk dient te worden aangemerkt en de minister niet aan dat beleid mocht vasthouden. De klacht faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beerse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2006

382-485.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?