ECLI:NL:RVS:2006:AV1763

ECLI:NL:RVS:2006:AV1763, Raad van State, 15-02-2006, 200505109/1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-02-2006
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200505109/1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 12 zaken
9 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002367 BWBR0002375 BWBR0005181 BWBR0005537 BWBR0013798 BWBR0020449 BWBR0023913 BWBR0024779 BWBR0027474

Samenvatting

Bij besluit van 30 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] te Boxmeer vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een groepspraktijk voor huisartsen op het perceel [locatie] te Boxmeer (hierna: het perceel).

Uitspraak

200505109/1.

Datum uitspraak: 15 februari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Boxmeer,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2546 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxmeer (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] te Boxmeer vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een groepspraktijk voor huisartsen op het perceel [locatie] te Boxmeer (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2005, verzonden op 10 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 juli 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2006, waar [een van de appellanten] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door drs. H.J.C. de Roover, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Vergunninghoudster is met bericht niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft het oprichten van een groepspraktijk voor huisartsen ten behoeve van verplaatsing van de bestaande groepspraktijk van vergunninghoudster.

2.2. Niet in geschil is, dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Bakelgeert Noord" ter plaatse geldende bestemming "Openbaar groen". Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voorzover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van het college van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen het toekomstige bestemmingsplan van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college.

Ingevolge het vierde lid wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.4. Aangezien het bestemmingsplan niet overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO tijdig is herzien, was ingevolge het vierde lid van artikel 19 van de WRO ten minste een voorbereidingsbesluit vereist. De raad van de gemeente Boxmeer (hierna: de raad) heeft successievelijk op 20 september 2001, 20 maart 2003 en 27 mei 2004 de vereiste voorbereidingsbesluiten genomen. Bij besluit van 7 september 2000, gewijzigd bij besluit van 14 juni 2001, heeft de raad de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO aan het college gedelegeerd. Op 10 juni 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant de vereiste verklaring van geen bezwaar afgegeven.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de door het college gegeven ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienden te worden gesteld. Aan de vereisten voor toepassing van artikel 19 van de WRO was derhalve voldaan.

2.5. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend, dat het college na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Dit betoog faalt. Dat het bouwplan gevolgen heeft voor appellanten in de vorm van verlies van uitzicht op het openbaar groen en een toename van het aantal verkeersbewegingen in de straat valt niet te ontkennen. Niet kan evenwel worden staande gehouden dat het bouwplan een onaanvaardbare inbreuk maakt op het woongenot van appellanten. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat met betrekking tot de door appellanten gestelde schade in de vorm van waardedaling van hun woningen als gevolg van het verlies van uitzicht op het openbaar groen, een afzonderlijke procedure op grond van artikel 49 van de WRO openstaat. De rechtbank heeft voorts terecht gewezen op de gemotiveerde weerlegging door het college van de bezwaren van appellanten, waarin het college onder meer heeft overwogen dat de groenvoorziening deels behouden blijft en tezamen met de overige groenvoorzieningen in de wijk in voldoende mate een gezond woon- en leefklimaat garandeert. Om de verkeersdrukte te minimaliseren is voorts ter plaatse een 30 km zone ingesteld en zijn op eigen terrein parkeerplaatsen voorzien. Tot slot wijst de Afdeling erop dat geen sprake is van een in een stedelijke omgeving ongebruikelijke situatie.

2.6. Het betoog van appellanten dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar een alternatieve locatie voor het bouwplan, faalt eveneens. Het college heeft te beslissen omtrent een bouwplan, zoals het is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Het college heeft in het traject voorafgaande aan het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan, onderzoek verricht naar mogelijke alternatieve locaties voor verplaatsing van de groepspraktijk van vergunninghoudster. Daarbij heeft het college gemotiveerd aangegeven waarom de onder meer door appellanten aangedragen alternatieve locaties niet of minder geschikt zijn bevonden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat door verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

2.7. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bij de beslissing op bezwaar op goede gronden heeft kunnen besluiten de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand te laten.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2006

66-422.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?