ECLI:NL:RVS:2006:AV1777

ECLI:NL:RVS:2006:AV1777, Raad van State, 15-02-2006, 200503336/1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-02-2006
Datum publicatie 15-02-2006
Zaaknummer 200503336/1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 9 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 6 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] te [plaats] om handhaving van het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Dalfsen (hierna: het perceel) afgewezen.

Uitspraak

200503336/1.

Datum uitspraak: 15 februari 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beide gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1050 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 maart 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] te [plaats] om handhaving van het bestemmingsplan op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Dalfsen (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college, beslissend op het bezwaar van [verzoeker], zijn besluit van 6 november 2003 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 11 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 mei 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door W.N. de Vries, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft bij besluit van 6 november 2003 het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen de composteeractiviteiten op het perceel afgewezen, omdat concreet uitzicht bestond op legalisering daarvan. Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het college die beslissing in stand gelaten.

2.2. Het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep was gericht tegen de overweging van het college in het bestreden besluit dat de composteeractiviteiten niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. Met dat beroep kon evenwel niet méér worden bereikt dan dat de weigering om handhavend op te treden in stand zou blijven. De door appellanten geuite vrees dat het niet instellen van beroep tegen deze overweging hun op grond van de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, no. 200206222/2 (AB 2003, 355), op een later tijdstip zou kunnen worden tegengeworpen, is ongegrond. Genoemde uitspraak ziet uitsluitend op door de rechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden, en niet op overwegingen van het bestuursorgaan. Overigens zou de in genoemde uitspraak vastgelegde jurisprudentie niet in de weg staan aan het in een nieuwe procedure tegen een ander besluit opnieuw aan de orde stellen van de toepasselijkheid van het overgangsrecht.

De rechtbank heeft dan ook miskend dat appellanten geen procesbelang hadden bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep. Zij had het beroep van appellanten mitsdien niet-ontvankelijk moeten verklaren.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 maart 2005, AWB 04/1050;

III. verklaart het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2006

17-422.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P. van Dijk
  • mr. J.A.M. van Angeren
  • mr. W. van den Brink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AB 2006, 125 JB 2006/111 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?