ECLI:NL:RVS:2007:BB9422

ECLI:NL:RVS:2007:BB9422, Raad van State, 27-11-2007, 200706701/1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-11-2007
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 200706701/1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 6 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0007149 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0012287

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring / tijdsverloop na eerdere inbewaringstelling / beoordeling zicht op uitzetting Gezien het tijdsverloop van één jaar en drie weken tussen de laatste opheffing van de eerdere vreemdelingenbewaring en de oplegging van de thans ter toetsing voorliggende maatregel, is sprake van een lange periode als hiervoor bedoeld. Bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, zijn niet naar voren gebracht, zodat de rechtbank ten onrechte de eerdere opheffing van de bewaring bij haar beoordeling heeft betrokken.

Uitspraak

200706701/1.

Datum uitspraak: 27 november 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/33952 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 12 september 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en hem schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 september 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door te overwegen dat de vorige inbewaringstelling van de vreemdeling is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting en dat derhalve sprake dient te zijn van nieuwe feiten en omstandigheden die een nieuwe inbewaringstelling rechtvaardigen, niet heeft onderkend dat sindsdien een zodanige termijn is verstreken, dat van een relevante samenhang met de reden van opheffing van de eerdere bewaring geen sprake meer is.

2.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling in 2003 en 2004 driemaal in bewaring is gesteld en dat deze inbewaringstellingen zijn opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. Evenmin wordt bestreden dat de vorige inbewaringstelling van de vreemdeling op 8 augustus 2006 door de rechtbank eveneens is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, omdat zich sinds 2004 geen nieuwe feiten en omstandigheden hadden voorgedaan.

2.2.1. De rechtbank dient, in het kader van de beoordeling van het nieuwe besluit tot inbewaringstelling, te beoordelen of ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans niet ontbreekt.

Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2006 in zaak nr. 200606370/1 (JV 2006/449) is er geen aanleiding om op die wijze de reden voor opheffing van de eerdere bewaring bij de beoordeling van het zicht op uitzetting te betrekken, indien sinds het tijdstip van de opheffing van die eerdere bewaring een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de feiten of omstandigheden die eerder grond vormden voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbrak, ten tijde van het opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring hun betekenis hebben verloren.

2.2.2. Gezien het tijdsverloop van één jaar en drie weken tussen de laatste opheffing van de eerdere vreemdelingenbewaring en de oplegging van de thans ter toetsing voorliggende maatregel, is sprake van een lange periode als hiervoor bedoeld. Bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, zijn niet naar voren gebracht, zodat de rechtbank ten onrechte de eerdere opheffing van de bewaring bij haar beoordeling heeft betrokken.

De grief slaagt.

2.3. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 augustus 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat onduidelijk is wie voor hem een aanvraag om afgifte van een laissez-passer heeft ingediend, nu deze, naar de vreemdeling stelt, zonder tussenkomst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst is ingediend.

2.5.1. Dat de staatssecretaris in beroep niet met documenten heeft onderbouwd wie de aanvraag om afgifte van een laissez-passer heeft ingediend, maakt, nu de vreemdeling daarmee niet gemotiveerd betwist dat zicht op uitzetting niet ontbreekt, de bewaring niet onrechtmatig, te minder nu de vreemdeling geacht moet worden zijn medewerking aan het invullen van de aanvraag te hebben verleend.

2.6. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 29 augustus 2007 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 12 september 2007 in zaak no. AWB 07/33952;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007

53-551.

Verzonden: 27 november 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JV 2008/45
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?