201003322/1/V3
Datum uitspraak: 24 juni 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Justitie (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 30 maart 2010 in zaak nr. 10/10742 in het geding tussen:
[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 april 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De minister klaagt in het eerste onderdeel van de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij heeft gehandeld in strijd met de op hem rustende inspanningsverplichting om te voorkomen dat een vreemdeling na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, nu de vreemdeling reeds tijdens diens strafrechtelijke detentie te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en de minister hem hiertoe eerst ruim twee maanden later, na overplaatsing in vreemdelingenbewaring, in de gelegenheid heeft gesteld.
Hiertoe betoogt de minister dat hij tijdens de strafrechtelijke detentie diverse nader omschreven handelingen gericht op het vertrek van de vreemdeling heeft verricht en derhalve aan de op hem rustende inspanningsverplichting heeft voldaan. De omstandigheid dat de vreemdeling tijdens die detentie niet reeds in de gelegenheid is gesteld een asielaanvraag in te dienen, kan daar volgens hem niet aan afdoen.
2.1.1. Volgens paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moeten worden.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2002 in zaak nr. 200200103/1; JV 2002/141), behelst de betrokken passage uit de Vc 2000 een inspanningsverplichting en biedt deze geen garantie aan vreemdelingen dat zij na strafrechtelijke detentie niet in vreemdelingenbewaring zullen worden gesteld.
Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (onder meer voormelde uitspraak van 11 februari 2002) maakt de enkele omstandigheid dat niet is voorkomen dat de betrokken vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring is gesteld, die bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
2.1.2. Nu een vreemdeling in bewaring wordt gesteld ter fine van uitzetting, is de genoemde inspanningsverplichting primair gericht op het tijdens de strafrechtelijke detentie voorbereiden van de uitzetting van de betrokken vreemdeling. In dat kader is ook van belang dat een vreemdeling zo spoedig mogelijk in staat wordt gesteld een asielaanvraag in te dienen, wanneer hij daartoe de wens heeft geuit. Het tijdsverloop tussen het uiten van deze wens en het daadwerkelijk indienen van de asielaanvraag kan van invloed zijn op de voorbereiding van de uitzetting en daarmee op de noodzaak van de inbewaringstelling en/of de duur van deze maatregel.
In dit geval is de vreemdeling op 20 januari 2010 strafrechtelijk gedetineerd en heeft hij op dezelfde dag te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. Nu de minister de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie reeds hiertoe in de gelegenheid had kunnen stellen, hetgeen uiteindelijk na het eindigen van deze detentie op 21 maart 2010 eerst op 24 maart 2010 is gebeurd, kan de minister niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij in dit opzicht zijn inspanningsverplichting voldoende is nagekomen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het bestreden oordeel gekomen.
2.2. De minister klaagt in het tweede onderdeel van de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de vervolgens te voltrekken belangenafweging de belangen van de vreemdeling dienen te prevaleren en dat daarmee de bewaring van meet af aan onrechtmatig was, nu de minister tevens heeft gehandeld in strijd met zijn vaste gedragslijn om op een asielaanvraag te beslissen binnen zes weken nadat een vreemdeling kenbaar heeft gemaakt asiel te willen aanvragen en het door de vreemdeling gebruiken van een vals paspoort moet worden geplaatst tegen de achtergrond van de asielaanvraag.
Hiertoe betoogt de minister dat de betrokken gedragslijn uitsluitend ziet op, anders dan in dit geval aan de orde, de eerst tijdens de vreemdelingbewaring kenbaar gemaakte wens om een asielaanvraag in te dienen. Voorts stelt hij dat de rechtbank een eigen oordeel heeft gegeven over de strafwaardigheid van het door de vreemdeling gepleegde strafbare feit.
2.2.1. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vaste gedragslijn van de minister dat op een asielaanvraag wordt beslist binnen zes weken nadat een vreemdeling kenbaar heeft gemaakt asiel te willen aanvragen, een uitwerking betreft van de bepaling opgenomen in artikel 59, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en derhalve slechts betrekking heeft op de situatie dat een wens tot het indienen van een asielaanvraag wordt geuit tijdens de vreemdelingenbewaring. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor, zodat de rechtbank de genoemde vaste gedragslijn niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden oordeel.
Verder is aan de inbewaringstelling van de vreemdeling ten grondslag gelegd dat hij niet over een identiteitspapier beschikt, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, ter zake van een misdrijf is veroordeeld, zich niet bij de korpschef heeft gemeld, van een vals/vervalst document gebruik heeft gemaakt, zich van een of meerdere aliassen bedient en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Deze gronden voor inbewaringstelling zijn niet door de vreemdeling bestreden. Daargelaten het gebruik van een vals/vervalst document, bestaat, gelet reeds op de andere bewaringsgronden, geen aanleiding voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die geschonden zijn door het niet eerder in de gelegenheid stellen van de vreemdeling tot het indienen van een asielaanvraag.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank ten onrechte tot het bestreden oordeel gekomen.
2.3. De grief slaagt derhalve.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het voorgaande voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 maart 2010 van de minister alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2010 in zaak nr. 10/10742;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Snijders
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010
279
Verzonden: 24 juni 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser