ECLI:NL:RVS:2010:BO9152

ECLI:NL:RVS:2010:BO9152, Raad van State, 29-12-2010, 201002818/1/H1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 29-12-2010
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 201002818/1/H1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005181 BWBR0005416 BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft het college aan [appellant A] en [belanghebbende A] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Uitspraak

201002818/1/H1.

Datum uitspraak: 29 december 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], [appellante B], gevestigd te [plaats], (hierna tezamen: [appellanten]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 februari 2010 in zaak nr. 07/906 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeevang.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft het college aan [appellant A] en [belanghebbende A] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een overkapping op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college, voor zover van belang, met inachtneming van artikel 59, eerste lid, sub a van de Woningwet de aan [appellant A] en [belanghebbende A] verleende bouwvergunningen voor het oprichten van een hoofdgebouw, veldschuur, mestbak, rijbak en overkapping ingetrokken.

Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft het college, onder meer naar aanleiding van bezwaren van [belanghebbende B] en [belanghebbende C] tegen het besluit van 17 augustus 2004, het besluit van 5 december 2006 ingetrokken, het besluit van 17 augustus 2004 herroepen en alsnog geweigerd aan [appellant A] en [belanghebbende A] bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een overkapping.

Bij uitspraak van 5 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2010, waar [appellante B], bijgestaan door mr. drs. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.R. Nieman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende B] en [belanghebbende C] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij uitspraak van 15 november 2006 in zaak nr. 200510069/1 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2005 in de zaken nrs. 05-599 en 05-624 bevestigd, waarbij de beroepen van [belanghebbende B] en [belanghebbende C] tegen het besluit van 11 januari 2005, waarbij het college hun bezwaren tegen het besluit van 17 augustus 2004 ongegrond heeft verklaard, gegrond zijn verklaard, en het besluit van 5 april 2006, dat naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2005 is genomen en waarbij de bezwaren van [belanghebbende B] en [belanghebbende C] alsnog door het college gegrond zijn verklaard, vernietigd.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellante B] niet eerder in de hiervoor omschreven procedure is opgekomen en heeft zij het beroep, voor zover ingesteld door [appellante B], wegens strijd met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.

Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is artikel 6:13 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep of beroep in cassatie kan worden ingesteld.

2.2.2. [appellant A] en [belanghebbende A] hebben in 1999 het perceel gekocht om ter plaatse een paardenhouderij te starten. In 2002 hebben zij de gronden verkocht aan [appellante B] en zijn zij die gronden gaan huren. Bij de uitspraak van 31 oktober 2005 heeft de rechtbank de beroepen van [belanghebbende B] en [belanghebbende C] tegen het besluit van 11 januari 2005, waarbij de voor de overkapping verleende bouwvergunning is gehandhaafd, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college in hetgeen [belanghebbende B] en [belanghebbende C] in bezwaar hadden aangevoerd aanleiding had moeten zien een nader onderzoek te doen om zich een, door objectieve feiten gedragen, oordeel te vormen over de vraag of het beoogde gebruik van de overkapping in overeenstemming is met de op het perceel rustende bestemming. [appellante B] heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. Ook tegen het besluit van 5 december 2006, waarbij het college onder meer de verleende bouwvergunning voor de overkapping heeft ingetrokken, heeft hij geen bezwaar gemaakt. Eerst tegen het besluit van 17 augustus 2009, waarbij het college alsnog heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen aan [appellant A] en [belanghebbende A] heeft hij dit gedaan. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat [appellante B] door het besluit van 17 augustus 2009 in een nadeliger positie is geraakt dan ten tijde van de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2005, heeft de rechtbank terecht overwogen dat hem redelijkerwijs kan worden verweten geen hoger beroep te hebben ingesteld tegen die uitspraak en heeft de rechtbank evenzeer terecht het beroep, voor zover door hem ingesteld, gelet op artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant A] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte alsnog heeft geweigerd aan [appellant A] en [belanghebbende A] bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een overkapping op het perceel. Hiertoe voeren zij aan dat ten tijde van het besluit van 17 augustus 2009 [appellante B] op het perceel 27 paarden hield, zodat voldoende aannemelijk was dat het perceel overeenkomstig de op het perceel rustende bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden (Aa)" zou worden gebruikt. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank miskend dat het college deze omstandigheid ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken.

2.3.1. [appellant A] en [belanghebbende A] hebben de aanvraag om bouwvergunning voor de overkapping ingediend ten behoeve van het realiseren van een paardenhouderij op het perceel. Niet weersproken is dat zij ten tijde van het besluit van 17 augustus 2009 niet langer van plan waren die te realiseren en het perceel overeenkomstig de agrarische bestemming te gebruiken. In zoverre heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beoogde gebruik niet in overeenstemming met het bestemmingsplan is. De omstandigheid dat [appellante B], naar gesteld, ten tijde van het besluit van 17 augustus 2009 ter plaatse 27 paarden hield, heeft de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel geleid.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. Dit artikel verzet zich er in dit geval tegen dat de omstandigheid dat [appellante B] ter plaatse inmiddels 27 paarden houdt bij het besluit op bezwaar wordt betrokken. Weliswaar dient het besluit op bezwaar te worden genomen met inachtneming van alle feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen op het tijdstip van de heroverweging, maar dit neemt niet weg dat dat besluit nog wel moet zijn te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van het besluit in primo. Nu het besluit van 17 augustus 2004 is gebaseerd op de aanvraag van [appellant A] en [belanghebbende A] voor het oprichten van een overkapping ten behoeve van het realiseren van een aldaar door [appellant A] te vestigen en te exploiteren paardenhouderij met het daarbij behorende bedrijfsplan en de daarin uiteengezette feiten en omstandigheden, zou het besluit van 17 augustus 2009 niet zijn aan te merken als het resultaat van de heroverweging van het besluit van 17 augustus 2004 indien de omstandigheid dat [appellante B] op 17 augustus 2009 27 paarden op het perceel houdt en van plan is aldaar een paardenhouderij te realiseren, zou worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met de agrarische bestemming van het perceel. Ter realisering van dat plan dient [appellante B] zelf een aanvraag om bouwvergunning in te dienen, zoals hij inmiddels ook heeft gedaan.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2010

163-552.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?