ECLI:NL:RVS:2011:BQ2629

ECLI:NL:RVS:2011:BQ2629, Raad van State, 27-04-2011, 201007685/1/H1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 27-04-2011
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 201007685/1/H1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005252 BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft het college de door [appellant] ingediende aanvraag om bouwvergunning voor het gedeeltelijk veranderen van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] buiten behandeling gelaten.

Uitspraak

201007685/1/H1.

Datum uitspraak: 27 april 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 juli 2010 in zaak nr. 09/1419 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft het college de door [appellant] ingediende aanvraag om bouwvergunning voor het gedeeltelijk veranderen van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 10 april 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 12 januari 2009 herroepen en geweigerd de kosten die [appellant] in verband met de behandeling van zijn bezwaar heeft gemaakt te vergoeden.

Bij uitspraak van 21 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 september 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2011, waar het college, vertegenwoordigd door M. Akkersdijk, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn gemachtigde, A.W.E. van Harten (hierna: Van Harten), beroepsmatig rechtsbijstandverlener is. Hiertoe voert hij aan dat Van Harten bij Coeurs Belastingadviseurs Utrecht B.V. (hierna: Coeurs) werkzaam is als belastingadviseur en dat hij zich in die functie onder meer bezig houdt met het verlenen van rechtshulp.

2.1.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.1.2. [appellant] heeft met Coeurs een overeenkomst tot dienstverlening gesloten. Voor de in het kader van die overeenkomst door Van Harten verleende rechtshulp is hij een vergoeding verschuldigd. Met het verlenen van rechtshulp wordt beoogd inkomsten te vergaren. Voorts heeft [appellant] met de door hem in dit verband eerst in hoger beroep overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat deze werkzaamheid, anders dan de rechtbank heeft overwogen, vast onderdeel is van een duurzame taakuitoefening door Van Harten. Deze stukken dienen ter onderbouwing van het eerder door [appellant], bij de rechtbank eveneens met stukken onderbouwde, ingenomen standpunt dat in het onderhavige geval door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend. Er bestaat derhalve, anders dan het college ter zitting naar voren heeft gebracht, geen grond voor het oordeel dat deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten dienen te worden. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank ten onrechte geen grond gezien voor het oordeel dat Van Harten beroepsmatig rechtsbijstandverlener is. Daarbij is van belang dat de Afdeling reeds eerder (in de uitspraak van 22 februari 2006 in zaak nr. 200508689/2) heeft overwogen dat Van Harten, toen nog drijver van de éénmanszaak "Coeurs belastingadvies & accountancy", als een beroepsmatige rechtsbijstandverlener kon worden aangemerkt.

Het betoog slaagt.

2.1.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 april 2009 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het verzoek van [appellant] om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen.

2.2. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2010 in zaak nr. 09/1419;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 10 april 2009, voor zover daarbij het verzoek van [appellant] om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is afgewezen;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: duizend driehonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011

374-593.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?