201007491/1/V3.
Datum uitspraak: 14 december 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 30 juli 2010 in zaak nrs. 10/13063 en 10/13066 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft zich desgevraagd nader uitgelaten, waarop de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) desgevraagd heeft gereageerd.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 8 april 2010 is een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, omdat Griekenland verantwoordelijk was voor de behandeling van deze aanvraag. Vaststaat dat de vreemdeling niet aan Griekenland is overgedragen. Uit een door de minister overgelegde, door de vreemdeling ondertekende vertrekverklaring blijkt dat de vreemdeling op 2 november 2010 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland vertrokken is naar zijn land van herkomst, Iran. Onder deze omstandigheden heeft de vreemdeling geen belang bij beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2010.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Leeuwen
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011
373.
Verzonden: 14 december 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser