201103342/1/V2.
Datum uitspraak: 2 mei 2012
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 17 februari 2011 in zaak nr. 10/22710 in het geding tussen:
[…]
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 juni 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 februari 2011, verzonden op 21 februari 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Onder de minister wordt tevens zijn rechtsvoorgangers verstaan.
2.2. De minister heeft, samengevat weergegeven en voor zover van belang, in de enige grief betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaat, niet betekent dat hij zich niet ervan moet vergewissen dat overdracht van de vreemdeling aan een psychiater op de plaats van bestemming, dat wil zeggen het land waarnaar de vreemdeling zal worden uitgezet, daadwerkelijk is geregeld en de voortzetting van de medische zorg is gewaarborgd. Daartoe heeft de minister aangevoerd dat de vreemdeling in de onderhavige procedure noch in het kader van een eerder, in 2007, door hem ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling, zijn nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt. Aan de door het Bureau Medische Adviseur gestelde reisvoorwaarden, zoals begeleiding door een sociaal-psychiatrisch geneeskundige tijdens de reis en het beschikken over de voorgeschreven medicatie, kan volgens de minister worden voldaan. Nu niet bekend is uit welk land de vreemdeling afkomstig is, is hij evenwel niet in staat zich ervan te vergewissen of aan de overige reisvoorwaarden, te weten de medische overdracht aan een psychiater op de plaats van bestemming, kan worden voldaan, aldus de minister.
2.2.1. De in de grief van de minister opgeworpen rechtsvraag is door de Afdeling reeds beantwoord bij uitspraak van 29 december 2011 in zaak nr. 201012478/1/V1 (www.raadvanstate.nl). Uit hetgeen in die uitspraak onder 2.5.3. is overwogen, volgt dat de grief slaagt.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren, daar de beroepsgronden, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking behoeven.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.5. 3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage,
nevenzittingsplaats Rotterdam, van 17 februari 2011 in zaak
nr. 10/22710;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak
ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter en mr R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter w.g. Wolff
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012
238.
Verzonden: 2 mei 2012
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser