ECLI:NL:RVS:2012:BW9103

ECLI:NL:RVS:2012:BW9103, Raad van State, 15-06-2012, 201101046/1/V2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-06-2012
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 201101046/1/V2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 9 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823 BWBR0011825 CELEX:32003L0086 EU:32003L0086

Samenvatting

Bij het op 23 april 2012 genomen besluit is een vergunning verleend op grond van een nieuwe daartoe ingediende aanvraag en op grond van het ten tijde van dat besluit geldende beleid. Met de nieuwe aanvraag is een andere, opvolgende, procedure ingezet ten opzichte van die waarin op 19 januari 2011 hoger beroep is ingesteld. Vervroeging van de ingangsdatum van de op 23 april 2012 verleende vergunning kan met dit hoger beroep derhalve niet worden bereikt. Voor zover de vreemdeling beoogt te betogen dat zijn belang hierin bestaat dat aan hem alsnog en met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning asiel wordt verleend op grond van zijn aanvraag van 6 december 2010, om een andere reden dan die waarom de vergunning op 23 april 2012 is verleend, wordt overwogen dat dit, evenals eerder is overwogen in de uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2002 in zaak nr. 200105914/1 (AB 2002, 132) en 13 maart 2007 in zaak nr. 200608010/1 (JV 2007/17), ook in dit geval, waarin een nieuwe asielaanvraag is ingewilligd, hangende de geldigheidsduur van deze vergunning geen actueel en concreet belang oplevert dat doorprocederen over een verblijfsvergunning asiel rechtvaardigt. Aldus heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dit laat onverlet dat, zoals eveneens is overwogen in voormelde uitspraak van 28 maart 2002, het belang van de vreemdeling op een later moment actueel kan worden en dat dan de gronden voor verlening aan de orde zullen kunnen worden gesteld, zonder dat hem daarbij wordt tegengeworpen dat het besluit van 14 december 2010 in rechte is komen vast te staan.-

Uitspraak

201101046/1/V2.

Datum uitspraak: 15 juni 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2011 in zaak nrs. 10/43011 en 10/43009 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de vreemdeling bij brief van 8 mei 2012 een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2.2. Bij brief van 1 mei 2012 heeft de vreemdeling de Afdeling geïnformeerd dat aan hem, naar aanleiding van zijn aanvraag daartoe van 22 februari 2012, op 23 april 2012 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend. Blijkens de beschikking is de vergunning verleend op grond van artikel van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 en hetgeen in WBV 2012/9 is vermeld over de aangewezen kwetsbare minderheidsgroepen. De ingangsdatum van de vergunning is 18 april 2012, zijnde de datum van inwerkingtreding van WBV 2012/9. Gevraagd naar het thans nog bestaande procesbelang heeft de vreemdeling bij brief van 8 mei 2012 gesteld dat zijn belang erin is gelegen dat de ingangsdatum van de aan hem op 23 april 2012 verleende vergunning wordt vervroegd naar de datum van zijn eerste, dan wel tweede, aanvraag.

2.2.1. Bij het op 23 april 2012 genomen besluit is een vergunning verleend op grond van een nieuwe daartoe ingediende aanvraag en op grond van het ten tijde van dat besluit geldende beleid. Met de nieuwe aanvraag is een andere, opvolgende, procedure ingezet ten opzichte van die waarin op 19 januari 2011 hoger beroep is ingesteld. Vervroeging van de ingangsdatum van de op 23 april 2012 verleende vergunning kan met dit hoger beroep derhalve niet worden bereikt. Voor zover de vreemdeling beoogt te betogen dat zijn belang hierin bestaat dat aan hem alsnog en met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning asiel wordt verleend op grond van zijn aanvraag van 6 december 2010, om een andere reden dan die waarom de vergunning op 23 april 2012 is verleend, wordt overwogen dat dit, evenals eerder is overwogen in de uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2002 in zaak nr. 200105914/1 (AB 2002, 132) en 13 maart 2007 in zaak nr. 200608010/1 (JV 2007/17), ook in dit geval, waarin een nieuwe asielaanvraag is ingewilligd, hangende de geldigheidsduur van deze vergunning geen actueel en concreet belang oplevert dat doorprocederen over een verblijfsvergunning asiel rechtvaardigt. Aldus heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dit laat onverlet dat, zoals eveneens is overwogen in voormelde uitspraak van 28 maart 2002, het belang van de vreemdeling op een later moment actueel kan worden en dat dan de gronden voor verlening aan de orde zullen kunnen worden gesteld, zonder dat hem daarbij wordt tegengeworpen dat het besluit van 14 december 2010 in rechte is komen vast te staan.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter en mr. N. Verheij en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Zegveld

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012

43-663.

Verzonden: 15 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JV 2012/371 met annotatie van Mr. B.K. Olivier
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?