201207684/1/A1.
Datum uitspraak: 13 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Bocholtz, gemeente Simpelveld,
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 juli 2012 in zaak nr. 11/2236 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Simpelveld.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2011 heeft het college geweigerd de bij besluit van 31 juli 2007 aan [belanghebbende] verleende vrijstelling en bouwvergunning voor het realiseren van een zadeldak op de woning op het perceel [locatie] te Bocholtz, in te trekken.
Bij besluit van 8 december 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 december 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2012, waar [appellant], in persoon, is verschenen.
Overwegingen
1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.
2. Bij besluit van 9 januari 2013 heeft het college op verzoek van [belanghebbende] de bij besluit van 31 juli 2007 verleende bouwvergunning ingetrokken. Gelet hierop heeft [appellant] geen belang meer bij een oordeel van de Afdeling over de beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak. Dat oordeel, hoe dat ook luidt, kan voor [appellant] niet leiden tot een ander door hem gewenst resultaat dan reeds is bereikt met de intrekking van de bouwvergunning.
Voor zover [appellant] betoogt dat nog geen duidelijkheid is verkregen over het standpunt van het college over het beleid inzake de intrekking van vergunningen, leidt dit niet tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 april 2007 in zaak nr. 200606565/1) is de bestuursrechter in het kader van de Algemene wet bestuursrecht tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen in een geschil met betrekking tot een besluit. Waar, zoals in dit geval, geen zodanig geschil bestaat, is de bestuursrechter niet tot beantwoording van al dan niet principiƫle vragen gehouden.
3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos w.g. Pieters
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2013
473.